Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5469

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2780
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW / herziening en terugvordering / huisvestingscriterium / zorgcriterium / verjaring van de terugvordering / beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/2780

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. van der Wal),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.C. Rooijers).

Procesverloop

In het besluit van 4 november 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder het ouderdomspensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 1 juli 2007 herzien naar de norm voor een gehuwde.

In het besluit van 4 november 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder op grond van de AOW een bedrag van € 26.620,76 wegens te veel ontvangen ouderdomspensioen van eiser teruggevorderd.

Met het besluit van 24 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was [naam] (hierna: [naam] ) op de zitting aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] , ontvangt sinds september 2006 een AOW-pensioen ter hoogte van 72% van het maximale AOW-bedrag voor een alleenstaande.

2. Op 25 maart 2016 heeft verweerder een formulier aan eiser verzonden om zijn woonsituatie vast te stellen. Op het formulier, door eiser ingevuld en ondertekend op 12 mei 2016, heeft eiser aangegeven dat hij met [eiser] op hetzelfde adres woont en dat zij zijn vriendin is. Verder heeft eiser aangegeven dat hij onderhuurder is, hierover geen overeenkomst heeft gesloten en dat hij € 558,76 aan huur of kostgeld per maand betaalt.

3. Bij besluit van 29 juli 2016 heeft verweerder bepaald dat eiser vanaf 1 juni 2016 recht heeft op AOW-pensioen voor gehuwde of samenwonenden, omdat eiser volgens verweerder een gezamenlijke huishouding voert met [eiser] . Verweerder heeft daarbij meegedeeld dat de exacte ingangsdatum van het samenwonen nog niet is vastgesteld en ook de hoogte van zijn AOW-pensioen in het verleden nog niet is bepaald. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

4. In het primaire besluit I heeft verweerder het AOW-pensioen van eiser met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2007 herzien van de norm voor een alleenstaande naar de norm voor een gehuwde. Bij het primaire besluit II heeft verweerder, onder verwijzing naar het primaire besluit I, een bedrag van € 26.620,76 aan teveel betaalde AOW-pensioen van eiser teruggevorderd.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser ten tijde van het onderzoek naar zijn woonsituatie op 19 december 2006 heeft aangegeven dat hij [eiser] ruim drie jaar kent en een latrelatie met haar heeft. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij tijdens zijn verblijf op haar adres gezamenlijke activiteiten onderneemt. Op 4 juni 2007 is eiser verhuisd naar het adres van [eiser] , [adres] te [woonplaats] . Vanaf dat moment wordt volgens verweerder voldaan aan het huisvestings- en het zorgcriterium en is er dus sprake van een gezamenlijke huishouding. Er is geen sprake van een commerciële relatie omdat er geen schriftelijke, gedateerde en ondertekende overeenkomst is, waarin een reële huurprijs is afgesproken, nog daargelaten dat de relatie niet zuiver zakelijk is. Van dringende redenen om af te zien van herziening en/of terugvordering, is verweerder niet gebleken.

6. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld. Op de beroepsgronden zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

Relevante wettelijke bepalingen

7. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt als gehuwd of echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

8. Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

9. Op grond van artikel 49 van de AOW - voor zover hier van belang - zijn de pensioengerechtigde en zijn echtgenoot verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald.

10. Op grond van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW - voor zover hier van belang - herziet de Sociale verzekeringsbank een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen of trekt zij dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een ouderdomspensioen. Ingevolge het tweede lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

11. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de AOW wordt het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Beoordeling

12. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 49, van de AOW heeft geschonden. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat eiser op 4 juni 2007 is verhuisd naar het adres van [eiser] aan de [adres] te [woonplaats] . Hij heeft verweerder niet op de hoogte gesteld van deze verhuizing, terwijl het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat verhuizen naar het adres van [eiser] waar hij een latrelatie mee had van invloed kon zijn op zijn AOW-pensioen. Anders dan eiser stelt, leidt de rechtbank uit het feit dat eiser na zijn verhuizing de post van verweerder - waaronder zijn jaaropgaven - op zijn nieuwe adres ontving, niet af dat hij wel aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Hieruit volgt hoogstens dat de wijziging in de BRP door verweerder is verwerkt in hun systeem. Dat verweerder de adresgegevens van klanten, waaronder eiser, (automatisch) controleert en wijzigt ontslaat eiser niet van zijn wettelijke verplichting uit eigen beweging een wijziging in zijn woon- en leefsituatie aan verweerder door te geven. Dat verweerder beleid heeft ontwikkeld om preventief te controleren maakt het voorgaande evenmin anders. Deze beroepsgrond slaagt niet.

13. In geschil is voorts of eiser een gezamenlijke huishouding voert met [eiser] vanaf de datum in geding, 1 juli 2007. Dat eiser en [eiser] vanaf deze datum hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben is niet betwist, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW is voldaan (het huisvestingscriterium).

14. Voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is verder vereist dat is voldaan aan het tweede criterium van wederzijdse zorg (het zorgcriterium). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3969), kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het wederzijdse zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

15. De rechtbank is, gelet op eisers verklaring zoals neergelegd in de handhavingsrapportage van 28 september 2006 en de verklaringen van eiser en [eiser] tijdens de hoorzitting, van oordeel dat ook aan het tweede criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Eiser heeft in 2006 verklaard dat hij een latrelatie met [eiser] heeft en haar al drie jaar kent. Hij verbleef en overnachtte destijds ongeveer twee maal per week bij [eiser] en zij hebben gezamenlijke activiteiten ondernomen. Op 4 juni 2007 is eiser vervolgens verhuisd naar het adres van [eiser] . Uit de verklaringen blijkt dat [eiser] alle kosten voor de woning betaalt en eiser bij haar woont zonder dat daar een vaste bijdrage tegenover staat. Eiser betaalt een derde deel van hetgeen [eiser] nodig heeft. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het gelet op zijn financiële situatie aantrekkelijk is voor hem om bij [eiser] te wonen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een financiële verstrengeling. Daarnaast zijn er gezamenlijke activiteiten, zo blijkt uit de handhavingsrapportage en ook uit het verslag van de hoorzitting. Verder heeft eiser een aanvraag om partnertoeslag voor [eiser] ingediend en hebben zij op verschillende momenten te kennen gegeven een relatie met elkaar te hebben. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, met name de financiële verstrengeling, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van wederzijdse zorg. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de wederzijdse zorg tussen eiser en [eiser] niet in het kader van een commerciële relatie plaatsvindt. Er is geen sprake van een situatie die duidt op een commerciële relatie zoals eiser heeft aangevoerd. Van een schriftelijke overeenkomst tussen eiser en [eiser] die duidt op een commerciële relatie is immers niet gebleken, terwijl sprake is van een verbondenheid die de grenzen van een commerciële relatie te boven gaat. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, waardoor eiser en [eiser] op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW terecht vanaf 1 juli 2007 als gehuwd zijn aangemerkt. Eiser heeft op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW vanaf de genoemde datum recht op een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde en verweerder is op grond van artikel 17a, eerste lid, van de AOW gehouden het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser, zoals in rechtsoverweging 12 is vastgesteld, zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door zijn verhuizing niet aan verweerder te melden en daarmee de gezamenlijke huishouding niet op te geven. Eiser heeft onder verwijzing naar de brief van verweerder van 27 maart 2007 beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en aangevoerd dat zijn situatie nadien niet is veranderd. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen slagen indien sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging door een daartoe bevoegd orgaan, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een dergelijke toezegging. De brief van 27 maart 2007, waarin verweerder aan eiser heeft meegedeeld dat geen sprake is van een wijziging die gevolgen heeft voor zijn AOW-pensioen, is gebaseerd op eisers woon- en leefsituatie ten tijde van 27 december 2006. Toen woonde eiser nog op het adres [adres] te [woonplaats] . Er is geenszins te kennen gegeven dat hij ook aanspraak zou blijven houden op een alleenstaandenpensioen wanneer hij bij [eiser] zou intrekken. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

17. Ten aanzien van de terugvordering heeft eiser een beroep gedaan op verjaring en aangevoerd dat verweerder niet met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2007 mag terugvorderen. Dit omdat de verjaringstermijn van artikel 309 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgens eiser is gaan lopen vanaf het moment van wetenschap bij verweerder dat hij op het adres van [eiser] is gaan wonen. De rechtbank overweegt dat de Raad overeenkomstig zijn vaste rechtspraak voor wat betreft de verjaringstermijn van terugvordering aansluit bij de in het BW neergelegde verjaringstermijn voor vorderingen uit onverschuldigde betaling (zie de uitspraak van de Raad van 17 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7327). Op grond van het bepaalde in artikel 309 van Boek 3 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij artikel 309 van Boek 3 van het BW is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit aanvangt op het moment dat verweerder bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. In het onderhavige geval is deze termijn, anders dan eiser meent, aangevangen vanaf de datum van ontvangst van het door eiser op 12 mei 2016 ingevulde formulier. Verweerder is immers vanaf die datum bekend geworden met de gezamenlijke huishouding die eiser met [eiser] voert, hetgeen de grondslag van terugvordering is. Met het primaire besluit II heeft verweerder binnen vijf jaar het teveel betaalde AOW-pensioen tot een bedrag van

€ 26.620,76 van eiser teruggevorderd. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat de bevoegdheid tot het nemen van een terugvorderingsbeslissing niet is verjaard. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder rekening heeft gehouden met de financiële situatie van eiser, door een betalingsregeling van € 30,- per maand overeen te komen. Nu geen sprake is van dringende redenen, is verweerder gelet op artikel 24, eerste lid, van de AOW gehouden tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde AOW-pensioen. Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

18. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder het AOW-pensioen van eiser terecht vanaf 1 juli 2007 naar de norm voor een gehuwde heeft herzien en een bedrag van € 26.620,76 wegens te veel ontvangen ouderdomspensioen van eiser heeft teruggevorderd. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking meer.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.