Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5468

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
13/751441-17 / RK 17/3546
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het verzoek om een in Nederland verblijvende persoon over te leveren aan België, is voorlopig aangehouden. Er moet eerst meer informatie komen over de detentieomstandigheden in de Belgische gevangenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751441-17

RK-nummer: 17/3546

Datum uitspraak: 1 augustus 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2017 door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboortegegevens] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [detentieadres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Albanese taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van – en is aangehecht – een Aanhoudingsbevel bij verstek van 11 mei 2017, uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen, met referenties: 2015/183 en 60.98.4824/15.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en voornoemd Aanhoudingsbevel bij verstek van 11 mei 2017.

De raadsman heeft betoogd dat de omschrijving van de feiten zo summier is dat een onschuldverweer nauwelijks mogelijk is.

Met de offcier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank overweegt daartoe dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die omschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In de onderhavige zaak is aan deze vereisten voldaan. Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van de verdenking had moeten vermelden, merkt de rechtbank op dat dit niet is vereist. Het is niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenkingen, dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. Het verweer wordt verworpen.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1 en 5, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie

en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De raadsman heeft betoogd dat er technisch juridisch geen sprake is van invoer van verdovende middelen. De overlevering moet daarom worden geweigerd voor feit A. Ten aanzien van feit B geldt dat voor de Nederlandse kwalificatie van deelname aan een criminele organisatie de omschrijving onvoldoende is, zodat de overlevering ook voor dat feitencomplex moet worden geweigerd, aldus de raadsman.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is. Nu sprake is van zogenaamde lijstfeiten hoeft bovendien in het geval van deze opgeëiste persoon niet te worden gekwalificeerd naar Nederlands recht. Het verweer wordt verworpen.

5 Onschuldverweer

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon niet schuldig is aan de fieten. Tijdens het verhoor ter zitting heeft de verdediging echter niet aangetoond dat de opgeeiste persoon de feiten onmogelijk gepleegd kan hebben. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. Het verweer wordt verworpen.

6 Detentieomstandigheden

De raadsman heeft verwezen naar de Openbare verklaring betreffende België van 13 juli 2017 van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) en betoogd dat op basis van deze Openbare verklaring het overleveringsverzoek moet worden geweigerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ondanks de forse kritiek in de Openbare verklaring, op dit moment geen sprake is van een reëel gevaar voor een onmenselijke behandeling in Belgische detentiecentra.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is ambtshalve bekend met:

- de Openbare verklaring betreffende België van 13 juli 2017 van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) inclusief de stukken waar in deze Openbare verklaring naar wordt verwezen, zoals onder andere de pilot judgment van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 6 september 2016 in de zaak [zaak 1] (73548/13) en het EHRM-arrest van 16 mei 2017 in de zaken [zaak 2] en [zaak 3] (37768/13 en 36467/14);

- de reactie op deze CPT-verklaring van de Belgische Directeur-generaal van het Directoraat-Generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden van 17 juli 2017 alsmede de reactie van de Belgische Minister van Justitie Geens waar naar wordt verwezen;1

- recente berichten in Belgische media over de detentieomstandigheden – met name over de overbevolking – in Belgische gevangenissen.

Enerzijds rechtvaardigt een en ander (vooralsnog) niet de conclusie dat gedetineerden in Belgische gevangenissen in het algemeen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling lopen, laat staan dat voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering een dergelijk reëel gevaar bestaat.2 Anderzijds vormt een en ander wel voldoende aanleiding om ambtshalve nader te onderzoeken of zich een reëel gevaar als hierboven bedoeld voor doet (vgl. Rb. Amsterdam 7 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3409).

De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen navraag te doen naar de detentieomstandigheden van en (de gevolgen van) eventuele overbevolking voor:

- gedetineerden in het Belgische gevangenissen in het algemeen en

- gedetineerden die door Nederland aan België worden overgeleverd in het bijzonder (vgl. Rb. Amsterdam 23 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3943).

7 Beslissing tot heropening

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Belgische autoriteit de hiervoor onder punt 6 weergegeven vragen voor te leggen.

Beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen zitting.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en F.A.N.J. Goudappel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 1 augustus 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 https://www.koengeens.be/news/2017/07/17/geens-iedereen-beseft-dat-deze-situatie-niet-kan-duren

2 HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 ( [zaak 4] ) en C-659/15 PPU ( [zaak 5] ), ECLI:EU:C:2016:198.