Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5463

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1485
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA / van 100% naar minder dan 35% / bezwaar van de werkgever gegrond verklaard en werknemer daartegen in beroep / beroep ongegrond / medisch onderzoek volledig en zorgvuldig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1485

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Guman),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. Zaagsma).

Procesverloop

Met het besluit van 21 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bepaald dat de loongerelateerde WGA-uitkering van eiser eindigt op 27 mei 2016 en hij vanaf deze datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

Met het besluit van 26 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers werkgever gegrond verklaard en de WIA-uitkering van eiser met ingang van 9 maart 2016 (de rechtbank begrijpt: 9 maart 2017) beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser, geboren op [geboortedatum] , is een 33-jarige man die laatstelijk werkzaam is geweest als [functie] bij de [werk adres] (hierna: [werk adres] ) voor 26,47 uur per week en als [functie] bij [werk adres] voor 14,40 uur per week. Op 29 april 2013 heeft eiser zich ziek gemeld vanwege lichamelijke klachten (rugklachten). Bij besluit van 23 maart 2015 is eiser op grond van de Wet WIA per einde wachttijd, 27 april 2015, in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2

Met het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van eiser op 27 mei 2016 eindigt en heeft verweerder eiser vanaf deze datum in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Tegen het primaire besluit is namens [werk adres] bezwaar gemaakt. Eiser heeft bij brief van 6 mei 2016 aangegeven het eens te zijn met primaire besluit.

1.3

Eiser is voor 15 juni 2016 in het kader van een herbeoordeling opgeroepen bij de primaire verzekeringsarts. De bevindingen en de conclusies van de verzekeringsarts zijn neergelegd in de rapportage van 15 juni 2016. Op dezelfde datum is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. In de rapportage van 23 juni 2016 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat er geen theoretische verdiencapaciteit aanwezig is, waardoor eiser voor 80-100% arbeidsongeschikt is.

1.4

Bij brief van 19 augustus 2016, door verweerder ontvangen op 22 augustus 2016, is namens [werk adres] gereageerd op de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Op 4 oktober 2016 heeft er op verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een neurologische expertise plaatsgevonden. De bevindingen van de neuroloog zijn neergelegd in het rapport van 10 oktober 2015. De bevindingen van de psychiater in het kader van een psychiatrische expertise, eveneens op verzoek van de verzekeringsaarts bezwaar en beroep, zijn neergelegd in het rapport van 2 november 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 18 november 2016 geconcludeerd dat er geen medische onderbouwing is voor forse beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en heeft de beperkingen van eiser neergelegd in de gewijzigde FML van 22 november 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 25 november 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35% (21,11%).

1.5

Bij brief van 8 december 2016, aangevuld op 16 januari 2017, heeft eiser een zienswijze ingediend tegen het voornemen van verweerder van 28 november 2016 om de WIA-uitkering per 29 januari 2017 te beëindigen. Eiser heeft daarbij een brief van i-psy van 27 juni 2016 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van deze brief geen aanleiding gezien om alsnog nadere beperkingen aan te nemen.

1.6

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van [werk adres] gegrond verklaard en de WIA-uitkering van eiser per 9 maart 2016 (de rechtbank begrijpt: 9 maart 2017) beëindigd, omdat eisers mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

Standpunten van eiser

2. Eiser heeft in beroep - samengevat - aangevoerd dat het voor hem onbegrijpelijk is dat hij eerst 100% arbeidsongeschikt werd geacht en nadien voor minder dan 35%. Hij ervaart namelijk een toenemend aantal beperkingen en steeds meer heftige pijnen. Eiser acht zich door zijn geestelijke en lichamelijke klachten niet in staat om arbeid te verrichten. Volgens eiser is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening gehouden met de bij hem bestaande klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Hij heeft een brief overgelegd van een neuroloog van [naam] van 2 juni 2017, waaruit blijkt dat sprake is van aspecifieke rugklachten. De neuroloog heeft eiser geadviseerd om het OCA om een behandeling/begeleiding te vragen. Eiser heeft verzocht het resultaat van deze behandeling af te wachten.

Beoordeling

3.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bestreden besluit de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, [naam] , van 18 november 2016 en van 18 januari 2017 ten grondslag heeft gelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep komt aan verzekeringsgeneeskundige rapportages, indien deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, een bijzondere waarde toe in die zin, dat verweerder zijn besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren (zie onder meer de uitspraak van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1683). Het ligt op de weg van eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet aan deze eisen voldoen. Voor het aannemelijk maken is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk.

3.2

Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 november 2016 blijkt dat zij een expertise bij een neuroloog alsmede bij een psychiater noodzakelijk heeft geacht om te beoordelen of de diagnose van enkele jaren geleden juist is. De bevindingen van deze expertise zijn neergelegd in de verslagen van 10 oktober 2016 respectievelijk 2 november 2016. Psychiater [naam] heeft op basis van haar onderzoek geconcludeerd dat er geen beperkingen worden gevonden in het persoonlijk en sociaal functioneren. Er is volgens de psychiater sprake van een pijnstoornis, gebonden aan zowel psychische factoren als aan aandoening in aanmerking. Volgens neuroloog [naam] is er sprake van een sterk pijnlijk bewegingspatroon. Er is een scoliose en verstreken lumbale lordose met fixatie. Er is geen radiculaire prikkeling en geen sensibele uitval. Hij stelt als diagnose een chronisch pijnsyndroom zich uitend in pijn in de rug zonder radiculaire component, met op de scan een bulging disc zonder wortelcompressie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser gezien en gesproken tijdens het spreekuur op 7 september 2016. Uit de bevindingen op het spreekuur komt geen psychopathologie naar voren. Dit wordt evenmin beschreven door de primaire verzekeringsarts of door de psychiater. Er is daarom geen indicatie voor het geven van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een psychiatrische stoornis. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep betekent dit dat de primair aangenomen beperkingen kunnen komen te vervallen. Voor wat betreft de rugklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat bij diverse onderzoeken is aangetoond dat geen sprake is van radiculaire prikkeling. Bij afwezigheid van een radiculair syndroom dient de diagnose aspecfieke chronische rugklachten gesteld te worden. Het door eiser ervaren heftige pijngedrag past niet bij de gevonden afwijkingen. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat voor de beperkingen er rekening gehouden zal moeten worden met bovenmatige rugbelasting en factoren waarvan bekend is dat deze rugklachten kunnen provoceren, maar ook met factoren waarvan bekend is dat deze klachten doen afnemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen medische noodzaak gezien voor het vermijden van nachtdiensten en heeft evenmin een werktijdenbeperking noodzakelijk geacht, omdat er geen medicatie gebruik of stoornissen zijn in de cognities. De beperkingen van eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegd in de FML van 22 november 2016.

3.3

Met de aanvullende rapportage van 18 januari 2017 heeft dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de door eiser ingediende gronden gericht tegen het voornemen van verweerder van 28 november 2016 om zijn WIA-uitkering te beëindigen. Er is een telefonische hoorzitting gehouden op 18 januari 2017 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de door eiser ingebrachte medische informatie van i-psy van 27 juni 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien verdergaande beperkingen aan te nemen. Uit de informatie van de behandelend sector uit 2014 is naar voren gekomen dat sprake is van een bulging disc zonder wortelprikkeling. De diagnose HNP is onjuist, omdat geen sprake is van een radiculair syndroom. Dit is met het neurologisch onderzoek in bezwaar bevestigd. De primaire verzekeringsarts, die tijdens het onderzoek op 15 juni 2016 evenmin een radiculaire prikkeling heeft gevonden, heeft zich volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep laten leiden door de klachtenbeleving van eiser. De psychische klachten van eiser worden geduid als een pijnstoornis, hetgeen met de psychiatrische expertise is bevestigd. Er is geen sprake van ernstig psychopathologie met ernstige beperkingen. Er zijn geen afwijkingen of stoornissen gevonden in de cognities en ook i-psy beschrijft dergelijke stoornissen niet. Voor wat betreft de urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich op het standpunt gesteld dat in geen enkel stuk naar voren is gekomen dat er sprake is van een slaapstoornis of van een noodzakelijke extra recuperatie naast de nachtelijke bedrust.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat de aangehaalde rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn. Gelet op de onderzoeksactiviteiten, met name de in bezwaar verrichtte neurologische en psychiatrische expertise, is er geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij is relevant dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische informatie van de behandelend sector bij haar beoordeling heeft betrokken en heeft gemotiveerd waarom het standpunt van de primaire verzekeringsarts niet gevolgd kan worden. Bij de vaststelling van de belastbaarheid van eiser is rekening gehouden met klachten die medisch objectiveerbaar zijn. De beperkingen die het gevolg zijn van objectiveerbare stoornissen en afwijkingen zijn vervolgens neergelegd in de FML van 22 november 2016. De rechtbank stelt vast dat eiser geen medische informatie in beroep heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van objectiveerbare neurologische afwijkingen dan wel van ernstige psychopathologie. Uit de door eiser in beroep overgelegde brief van de neuroloog van [naam] van 2 juni 2017 volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor een aandoening op neurologisch vakgebied, maar dat er sprake is van aspecifieke lage rugklachten. Deze bevindingen komen overeen met de bevindingen uit de neurologische expertise. De beperkingen die daaruit voortvloeien zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep neergelegd in de FML van 22 november 2016. De rechtbank ziet geen aanleiding om het resultaat van de behandeling/begeleiding door het OCA af te wachten, omdat op voorhand niet valt in te zien dat een behandeling doorslaggevend is voor het vaststellen van beperkingen. Mocht een intensieve behandeling of begeleiding nodig blijken te zijn waardoor een werktijdenbeperking is geïndiceerd, dan kan eiser verweerder verzoeken om een herbeoordeling.

Conclusie

4.1

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportages naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd waarom de eerder aangenomen beperkingen thans niet zijn geïndiceerd en waarom er niet meer beperkingen hoeven te worden aangenomen dan reeds in de FML van 22 november 2016 zijn aangenomen. Gegeven de juistheid van deze FML is de rechtbank niet gebleken dat eiser de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies, zoals neergelegd in de rapportage van 25 november 2016, niet kan verrichten. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage voldoende onderbouwd waarom de geduide functies toch geschikt zijn voor eiser.

4.2

Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Dit betekent dat verweerder de WIA-uitkering van eiser op goede gronden heeft beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.