Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5459

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
13/751409-17 RK-nummer: 17/3381
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het verzoek om een in Nederland verblijvende persoon over te leveren aan België, is voorlopig aangehouden. Er moet eerst meer informatie komen over de detentieomstandigheden in de Belgische gevangenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751409-17

RK-nummer: 17/3381

Datum uitspraak: 1 augustus 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2017 door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Italiaanse nationaliteit heeft.

3 Verweer persoonsverwisseling

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat er sprake is van een persoonsverwisseling. In het dossier staat dat een bedrag van € 7.200,- bij de opgeëiste persoon in beslag zou zijn genomen. Dat klopt niet. Onder verwijzing naar een brief van advocaat mr. Malik van 28 juni 2017 blijkt dat in 2011 een zelfde geldbedrag in beslag is genomen bij iemand met dezelfde naam, [naam] , maar geboren in 1967. Er is ofwel sprake van een persoonsverwisseling, een vergissing van de Belgische autoriteiten, met als gevolg dat er evident onjuiste informatie in het dossier staat. Of de Belgische autoriteiten vergissen zich niet en dichten bewust dingen toe aan de opgeëiste persoon die niet kloppen. Dan wordt het vertrouwensbeginsel geschonden, aldus de raadsman.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De in het EAB vermelde personalia – inclusief de voornamen, geboortedatum en het (vermoedelijke) adres – komen overeen met de gegevens van de opgeëiste persoon. De vraag of de opgeëiste persoon schuldig is aan de in het EAB omschreven feiten, inclusief de vraag of de opgeëiste persoon betrokken is geweest bij het genoemde geldbedrag van € 7.200,-- zijn kwesties die na een eventuele overlevering door de Belgische rechter beoordeeld kunnen en moeten worden. Het verweer wordt verworpen.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van – en is aangehecht – een Aanhoudingsbevel bij verstek van 5 mei 2017, uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen, met referenties: 2015/183 en 60.98.4824/15.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en voornoemd Aanhoudingsbevel bij verstek van 5 mei 2017.

5 Genoegzaamheid van het EAB

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd nu het EAB ongenoegzaam is. Het eerste feit uit april 2016 zou zien op een niet geslaagde verscheping van een testtas terwijl onduidelijk is wat er in deze testlading zou hebben gezeten. Deze omschrijving kan daarom onmogelijk leiden tot een strafbaar feit. Bij de feiten die worden omschreven vanaf februari 2017 wordt de naam van de opgeëiste persoon niet meer genoemd zodat van enige betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij die omschrijving niets blijkt. Feit één en feit twee zijn bovendien niet aan elkaar te koppelen, aldus de raadsman.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank overweegt daartoe dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van betrokkenheid vanaf april 2016 bij een criminele organisatie die zich actief bezig houdt met het invoeren van cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Europa, onder meer naar de haven van Antwerpen. De opgeeiste persoon zou praktische besprekingen voeren met mede-leidinggevenden van de criminele organisatie en vermoedelijke uitvoerders over de invoer van cocaïne, meer concreet over de te hanteren werkwijze en de taakverdeling met betrekking tot de invoer van een testlading vanuit Colombia, in het kader waarvan de opgeeiste persoon een verkennende rondrit op de kaai van de Antwerpse haven zou hebben gemaakt.

Mede in aanmerking genomen dat het EAB strekt tot (verder) strafrechtelijk onderzoek in België, is de rechtbank van oordeel dat de omschrijving van de feiten voldoet aan de hiervoor genoemde vereisten, zodat geen sprake is van ongenoegzaamheid van het EAB. Het verweer wordt verworpen.

6 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1 en 5, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie

en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot de genoegzaamheid van het EAB – zoals hiervoor zakelijk weergegeven onder punt 5 – leidt er volgens de raadsman toe dat voornoemde lijstfeiten niet in redelijkheid kunnen worden aangekruist.

De rechtbank overweegt als volgt. Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is. Het verweer wordt verworpen.

7 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Procureur des Konings te Antwerpen, afdeling Turnhout heeft op 29 juni 2017 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5§3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ..

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot de genoegzaamheid van het EAB – zoals hiervoor zakelijk weergegeven onder punt 5 – leidt er volgens de raadsman toe dat van strafbare feiten geen sprake is.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De verdenking van – kort gezegd – betrokkenheid vanaf april 2016 bij een criminele organisatie die zich actief bezig houdt met het invoeren van cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Europa, is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden of te bevorderen, zich inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De raadsman heeft betoogd dat de terugkeergarantie niet voldoet omdat die te stellig is geformuleerd zodat er geen keuzemogelijkheid is voor de opgeeiste persoon. Dit kan mogelijk nadelig zijn voor de opgeeiste persoon na een eventuele veroordeling in België, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de garantie voldoet; het gaat er immers om dat als de opgeëiste persoon wil dat de straf in Nederland wordt uitgezeten, dit op basis van deze garantie kan.

De rechtbank overweegt als volgt. Het verweer van de raadsman steunt op de gedachte dat de opgeëiste persoon de keuze moet hebben om wel of geen gebruik te maken van de mogelijkheid van het in Nederland ondergaan van een eventueel in België op te leggen vrijheidsstraf. Gelet op artikel 6 van het Kaderbesluit van de Raad van 27 november 20081, gaat dit niet op voor (onder andere) een Nederlands onderdaan die tevens in Nederland woont. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang:

Artikel 6

Mening van en kennisgeving aan de gevonniste persoon

1. Onverminderd lid 2, kan een vonnis, samen met een certificaat, ter fine van erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie, alleen aan de tenuitvoerleggingsstaat worden toegezonden, voor zover de gevonniste persoon daarmee overeenkomstig het recht van de beslissingsstaat heeft ingestemd.

2. De instemming van de gevonniste persoon is niet vereist indien het vonnis, samen met het certificaat, wordt toegezonden aan:

a) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij tevens woont;

Nu de opgeëiste persoon Nederlands onderdaan is en ook in Nerland woont, is zijn instemming dus niet vereist. Het verweer wordt daarom verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

8 Detentieomstandigheden

De raadsman heeft verwezen naar de Openbare verklaring betreffende België van 13 juli 2017 van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) en betoogd dat op basis van deze Openbare verklaring het overleveringsverzoek moet worden geweigerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ondanks de forse kritiek in de Openbare verklaring, op dit moment geen sprake is van een reëel gevaar voor een onmenselijke behandeling in Belgische detentiecentra.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is ambtshalve bekend met:

- de Openbare verklaring betreffende België van 13 juli 2017 van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) inclusief de stukken waar in deze Openbare verklaring naar wordt verwezen, zoals onder andere de pilot judgment van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 6 september 2016 in de zaak [naam 1] (73548/13) en het EHRM-arrest van 16 mei 2017 in de zaken [naam 2] en [naam 3] (37768/13 en 36467/14);

- de reactie op deze CPT-verklaring van de Belgische Directeur-generaal van het Directoraat-Generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden van 17 juli 2017 alsmede de reactie van de Belgische Minister van Justitie Geens waar naar wordt verwezen;2

- recente berichten in Belgische media over de detentieomstandigheden – met name over de overbevolking – in Belgische gevangenissen.

Enerzijds rechtvaardigt een en ander vooralsnog niet de conclusie dat gedetineerden in Belgische gevangenissen in het algemeen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling lopen, laat staan dat voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering een dergelijk reëel gevaar bestaat.3 Anderzijds vormt een en ander wel voldoende aanleiding om ambtshalve nader te onderzoeken of zich een reëel gevaar als hierboven bedoeld voor doet (vgl. Rb. Amsterdam 7 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3409).

De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen navraag te doen naar de detentieomstandigheden van en de (gevolgen van) eventuele overbevolking voor:

- gedetineerden in het Belgische gevangenissen in het algemeen en

- gedetineerden die door Nederland aan België worden overgeleverd in het bijzonder (vgl. Rb. Amsterdam 23 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3943).

9 Beslissing tot heropening

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Belgische autoriteit de hiervoor onder punt 8 weergegeven vragen aan de Belgische justitiële autoriteit voor te leggen.

Beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen zitting.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en F.A.N.J. Goudappel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 1 augustus 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Kaderbesluit 2008/909/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.

2 https://www.koengeens.be/news/2017/07/17/geens-iedereen-beseft-dat-deze-situatie-niet-kan-duren

3 HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 ( [naam 4] ) en C-659/15 PPU ( [naam 5] ), ECLI:EU:C:2016:198.