Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5458

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
13.751572-15
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.572-15

RK-nummer: 15/5196

Datum uitspraak: 27 juli 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 augustus 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd door the City of Westminster Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk). De uitvaardigingsdatum van het EAB is handgeschreven en aanvankelijk door de rechtbank gelezen als 6 april 2012. De rechtbank gaat er thans van uit dat deze datum gelezen moet worden als 6 april 2010. Het EAB strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëist persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres
[BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is voor de eerste maal behandeld op de openbare zitting van 9 oktober 2015.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman,
mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft op deze zitting de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank heeft de overleveringsdetentie geschorst met ingang van 9 oktober 2015.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van nadere informatie.

Op 29 december 2015 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Aanwezig zijn de officier van justitie mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
Nu de rechtbank er niet in is geslaagd om binnen de in artikel 22, derde lid OLW bedoelde termijn uitspraak te doen, heeft zij de termijn voor onbepaalde tijd verlengd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 12 januari 2016 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen. Daarbij is het onderzoek heropend en geschorst in afwachting van nadere informatie.

Ter zitting van 7 juni 2016 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Aanwezig zijn de officier van justitie mr. J. Asbroek, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van nadere informatie.

Tenslotte is het onderzoek ter zitting van 13 juli 2017 voortgezet. Aanwezig zijn de officier van justitie mr. U. Weitzel, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw mr. N.M.R. Slaghekke, advocaat te Alkmaar en waarnemend voor mr. E. Boskma. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard en op navolgende zittingen bevestigd dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant dated 10th February 2010 issued by City of Westminster Magistrates’ Court.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan één naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. De concrete verdenking waarvoor de overlevering wordt verzocht, luidt als volgt:

On 23/7/09 police were conducting observations on [naam persoon 1] and [naam persoon 2] at South

Mimms Services, Herts. These observations were supported by surveillance footage.

[naam persoon 1] was observed arriving in his black Mercedes [kenteken 1] and [naam persoon 2]

seen arriving in his black Lexus [kenteken 2] . [naam persoon 1] car was fitted

with a covert audio recording device.

Two (2) unknown males (later identified as [naam persoon 3] and [naam opgeëist persoon] ) were seen

waiting at the services in a blue Vauxhall Omega [kenteken 3] . On arrival of [naam persoon 1] and [naam persoon 2]

all parties were seen to enter the services. [naam opgeëist persoon] was seen to go to a

Polish registered lorry where was seen to remove a black suitcase on wheels (later

identified as BCY/1) and placed it into the rear of the Vauxhall Omega [kenteken 3] .

[namen persoon 1 en persoon 2] and [naam persoon 3] walked into the car park and are seen held in

conversation near their vehicles. [naam persoon 2] is seen to reposition his Lexus

[kenteken 2] . A short time later these three return to the services and then [naam persoon 3]

walks to the driver’s side of the Omega, alone. He is then seen to remove the suitcase

(BCY/1) from the boot and drag it across the car park to the Lexus [kenteken 2] and place it in

the boot.

In [naam persoon 2] police interview he stated that he gave the keys to his Lexus to one of

the unknown males they had met.

[naam persoon 3] was then seen to return to the services area where he met [naam persoon 1]

and both walked in the direction of toilets together, [naam persoon 3] was seen to be holding a set of keys. [naam persoon 1] is seen to exit the services, met [naam persoon 2] and both

leave in their respective vehicles, the suitcase (BCY/1) remaining in the boot of [kenteken 2] .

An uninterupted follow of both vehicles results in armed police intervening and stopping

both. [naam persoon 1] and [naam persoon 2] were arrested as the suitcase was found to contain 28

kilograms of heroin.

Surveillance footage is an exhibit (PAS/230709/1,2) served and the above sequence of

events is taken from surveillance log 229513 which forms part of the unused material,

scheduled on the MG6C.

Due to operational logistics on the 23/7/09 [naam persoon 3] and [naam opgeëist persoon] could not be

followed and/or arrested at the time or shortly after the offence. The lorry driver could not be properly identified and enquiries are still in hand.

Supporting evidenve to implicate [naam persoon 3] ans [naam opgeëist persoon] in this offence is the following. On 21st July 2009, they were seen to meet with [naam persoon 1] at the [naam supermarkt] Supermarket, Beckton, [naam persoon 3] and [naam opgeëist persoon] , driving the Vauxhall Omega [kenteken 3] . The following evening, the 22nd July, [naam persoon 1] and [naam persoon 2] travelled in convoy to the same [naam supermarkt] store in Beckton, where [naam persoon 1] was seen to meet with [naam persoon 3] and [naam opgeëist persoon] whilst they were again driving the Vauxhall Omega [kenteken 3] .

A PNC check on the Omega shows the registered keeper since 09/05/2009 as

[adres] .

The blue Omega VRM [kenteken 4] is shown as having two records of UK port transit in July

2009.

The last was a departure on 23/07/3009 [sic] (the day of the seizure) at 2205 hours from DOVER to DUNKIRK.

This vehicle has not returned to the UK.

The tickets for this trip were shown as being purchased in the UK on 06/06/2009 at 2220

hours reference [ticketnummer] va NORFOLK LINE SHIPPING CO. The two occupants of the

vehicle declared their details at time of sailing as follows :-

[naam persoon 3] (shown as lead passenger/driver)

dob 15/01/1980

Polish passport no. [paspoortnummer 1]

[adres]

[nummer]

[naam opgeëist persoon] (shown as passenger)

dob 30/04/1979

Polish passport no. [paspoortnummer 2]

The same vehicle went from DOVER to DUNKIRK on 15/07/2009 and returned on 17/07/2009 via NORFOLK LINE SHIPPING Co. On these transits, the roles of the above two suspects was reversed, ie. :-

[naam opgeëist persoon] (shown as lead passenger, possibly driver)

dob 30/04/1 979

Polish passport no. [paspoortnummer 2]

[adres]

No phone number declared

[naam persoon 3] (shown as passenger)

dob 16/0111980

Polish passport no. [paspoortnummer 1]

Statements and documentary exhibits in relation to the above travel are being obtained.

Enquiries with the Polish authorities have confirmed the identities of [naam persoon 3] and

[naam opgeëist persoon] , imagery of [naam persoon 3] has been obtained and compared with imagery

contained in exhibit PAS/230709/1,2, proving a positive identification of [naam persoon 3] .

Polish authorities have revealed that on Monday 12th of October 2009, [naam opgeëist persoon]

was seen driving the Vauxhall Omega registration [kenteken 3] .

Handles of the suitcase have been swabbed and contain the presence of a weak DNA

profile. This profile is not suitable for comparison at this stage however on arrest further

enhancement of this profile may provide evidential.

4 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Groot Brittannië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Beroep op de weigeringsrond van artikel 9, eerste lid aanhef en onder e OLW

Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op standpunt dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter zake van een feit waarvoor hij reeds in Polen is berecht en waarvoor hem een straf is opgelegd, te weten een vrijheidsstraf voor de duur van twee en een half jaar voorwaardelijk met een proeftijd van zes jaren. De opgeëiste persoon heeft in Polen een overeenkomst met het Openbaar ministerie gesloten en in dat kader een bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft er steeds op vertrouwd dat die overeenkomst niet alleen betrekking had op de enkele deelneming in de criminele organisatie waarvoor hij is veroordeeld, maar ook op het concrete transport naar Engeland, waarvoor nu zijn overlevering wordt gevraagd. Het transport naar Engeland is de enige concrete deelneming van de opgeëiste persoon in de criminele organisatie geweest. Indien de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk wordt overgeleverd, wordt het “ne bis in idem” beginsel geschonden. De verdediging wijst er in dit verband op dat overlevering aan Engeland op basis van hetzelfde EAB eerder door de Poolse uitvoerende autoriteit is geweigerd. Ter zitting van 13 juli 2017 heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat een kopie van de overeenkomst (“deal”) met het Poolse openbaar ministerie dient te worden opgevraagd en subsidiair dat de overlevering dient te worden geweigerd.

Standpunt officier van justitie

De weigeringsgrond is niet aan de orde.
Het primaire standpunt is dat het Poolse vonnis nog altijd voor tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is, het betreft hier immers een voorwaardelijke vrijheidsstraf en de proeftijd is nog niet verstreken.

Subsidiair heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat het Poolse vonnis en de Britse vervolging niet op dezelfde feiten betrekking hebben. De veroordeling in Polen voor deelname aan een criminele organisatie beschermt een ander rechtsgoed dan de vervolging voor vermeende betrokkenheid bij het transport van 28 kilo heroïne naar het Verenigd Koninkrijk. In zijn algemeenheid is een tenlastelegging betreffende deelname aan een criminele organisatie met als doel de handel in verdovende middelen en het plegen van andere (strafbare) feiten ruim. Een aparte vervolging voor betrokkenheid aan een transport verdovende middelen blijft daarnaast mogelijk en is niet ongebruikelijk, ook als dat transport binnen de criminele organisatie valt.

De officier van justitie gaat af op de mededeling van de uitvaardigende autoriteit dat het EAB eerder in Polen is geweigerd wegens “domestic problems”.

Ter zitting van 13 juli 2017 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de uit Polen verkregen informatie bevestigt dat geen sprake is van een “ne bis in idem”- situatie die aan overlevering in de weg zou staan. Verder is zij onder verwijzing naar het Mantello-arrest van het Europese Hof van Justitie (C-261/09) terug gekomen van het eerder door haar ambtgenoot verwoorde standpunt dat over deze casus prejudiciële vragen gesteld zouden kunnen worden.

Oordeel van de rechtbank

Blijkens artikel 3, punt 2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ dient de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te worden geweigerd in het geval dat uit de gegevens waarover de rechtbank beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat.

In artikel 9 OLW is uitvoering gegeven aan voornoemd artikel. Blijkens het eerste lid, aanhef en onder e wordt overlevering van een opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld, in gevallen waarin de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan (1o) of de opgelegde straf of maatregel niet meer voor tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is (2o).

Tegen deze achtergrond bezien dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken of sprake is van “dezelfde feiten” waaronder voor de toepassing van artikel 3 punt 2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ dient te worden verstaan “een geheel van feiten (…) die naar tijd, plaats en voorwerp één geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden opleveren, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang (HvJ EU 16 november 2010, NJ 2011/86 Mantello, punt 39).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het jegens de opgeëiste persoon gewezen vonnis van 12 maart 2012 van de arrondissementsrechtbank te Bydgoszcz, Polen, met kenmerk [referentienummer] . Bij dit vonnis is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden, en is de tenuitvoerlegging daarvan onder voorwaarden geschorst met een proeftijd van zes jaar. De rechtbank gaat er met partijen van uit dat tegen dit vonnis geen rechtsmiddelen meer openstaan en dat dit in die zin onherroepelijk is.

In de Nederlandse vertaling luidt de bewezenverklaring als volgt, dat ze (te weten [naam opgeëist persoon] , [naam persoon 3] , [naam persoon 4] , [naam persoon 5] en [naam persoon 6] ) in de periode van juli 2009 tot mei 2010 op het grondgebied van Polen, Spanje, Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland, samen en in vereniging en met andere niet nader bepaalde personen, deel hebben genomen aan een criminele organisatie van gewapende aard, aangestuurd door [naam persoon 7] en [naam persoon 8] met als doel hebbende misdrijven te plegen zoals moord/doodslag, mishandeling, illegale wapenhandel, handel in verdovende middelen en andere feiten, te weten een feit in de zin van artikel 258 § 2 Sr.

De rechtbank constateert dat de Engelse verdenking kort samengevat betrekking heeft op een transport van 28 kg heroïne naar Engeland, dat binnen het kader van een samenwerkingsverband werd uitgevoerd, en op 23 juli 2009 in Engeland is onderschept.

Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft het District Court in Bydgoszcs bij brief van 8 februari 2016 - samengevat – geantwoord:

The District Court in Bydgoszcs hereby informs that in case files reference number [referentienummer] , [naam opgeëist persoon] was sentenced for participation in an organized criminal group of an armed character (the article 258 paragraph 2 of the criminal code)(…). Article 258 paragraph 2 of the criminal code concerns only criminal liability for participation itself in the criminal group of an armed character. (…) If a given person is the member of such a criminal group of an armed character and additionally shall in that group commit an offence, for example smuggle drugs, then he shall be hold liable for two separate acts – one consisting only in the participation itself (…) and the second one consisting in smuggling drugs. In case files reference number [referentienummer] , [naam opgeëist persoon] was not sentenced for pushing 28 kilograms of heroin at the territory of the United Kingdom. (…)

No written justification of the judgment was made up, as the accused [naam opgeëist persoon] had not challenged the judgement. (…) It should be added that even if a judge passing the judgement in case of [naam opgeëist persoon] in case files reference number [referentienummer] had taken into account evidence pointing out at the fact that [naam opgeëist persoon] participated in smuggling of drugs from the territory of the Netherlands at the territory of the United Kingdom, it does not mean that sentencing him for the participation itself in the organized criminal group covers also the specific offence committed within the frames of such a criminal structure. (…)

Naar aanleiding van nadere vragen heeft de officier van justitie bij het parket te Bydgoszcz onder meer het volgende geantwoord:

In antwoord op de per mail van 06-10-2016 gestelde vraag met betrekking tot de veroordeelde [naam opgeëist persoon] deel ik u als volgt mede.

de veroordeling van [naam opgeëist persoon] in de zaak [referentienummer] (die eerder een verdachte was in de zaak [referntienummer 2] ) is gebaseerd op een deal met het openbaar ministerie; [naam opgeëist persoon] heeft verzocht om transactie volgens art. 335 Poolse Sv en om oplegging van straf van 2 jaar en 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 6 jaar;

het strafrechtelijk onderzoek in de zaak [referntienummer 2] tegen [naam opgeëist persoon] betrof diens deelneming op het grondgebied van Polen, Spanje, Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven waaronder handel in verdovende middelen en het in bezit hebben van vuurwapens, en had geen betrekking op de rol van betrokkene in smokkel van 28 kg drugs naar Groot-Brittannië.

[naam opgeëist persoon] bevestigde, toen hij als verdachte gehoord werd, dat hij lid was geweest van een criminele organisatie; hij verklaarde over de samenstelling van de organisatie, over de werkwijze en de activiteiten daarvan. Betrokkene heeft enkel zijn deelneming aan een criminele organisatie bevestigd, en hier had zijn verzoek om transactie betrekking op. Het transactieverzoek had geen betrekking op de rol van betrokkene in smokkel naar Groot-Brittannië van 28kg drugs.

Er is door het Arrondissementsparket Bydgoszcz geen afzonderlijk onderzoek gevoerd naar de rol van [naam opgeëist persoon] in smokkel van 28kg heroïne naar Groot-Brittannië.

De omschrijving van het delict ex art. 258 § 2 Pools Sr, waarvoor [naam opgeëist persoon] in de onderhavige zaak werd veroordeeld, ziet niet toe op de activiteit inhoudende de smokkel van 28 kg heroïne naar Groot Brittannië;

De rechtbank constateert dat volgens deze Poolse informatie het in het EAB omschreven feit geen rol heeft gespeeld bij de Poolse veroordeling. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat ook overigens onvoldoende aanwijzing dat de Engelse verdenking dezelfde feiten betreft als waarop het Poolse vonnis is gebaseerd in die zin dat sprake is van een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden. Immers betreft de Poolse veroordeling alleen het organisatieverband, terwijl de Engelse verdenking ziet op een concreet transport van 28 kg heroïne. Voorts komt weliswaar een van de andere personen die genoemd wordt in de Engelse feitsomschrijving eveneens voor in de Poolse veroordeling, echter kan op basis van de voorhanden informatie niet worden vastgesteld dat sprake is van een identiek organisatieverband.

Vervolgens is nog het volgende van belang. De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij in het kader van de “deal” ook met de Poolse officier van justitie heeft gesproken over het transport naar Engeland en dat hij er op vertrouwde dat hij daarvoor niet meer apart vervolgd zou worden. De vraag is of het Poolse vonnis om deze reden kan worden beschouwd als een onherroepelijk vonnis – in de zin van artikel 3, punt 2 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ – dat in de weg staat aan overlevering voor vervolging ten aanzien van het feit waarop de Engelse verdenking betrekking heeft.

De rechtbank constateert dat sprake is van een vergelijkbare situatie als aan de orde was in het eerder aangehaalde arrest Mantello.

In dat arrest heeft het Europese Hof overwogen (punt 47) dat een beslissing die, volgens het recht van de lidstaat die een strafprocedure tegen een persoon heeft ingeleid, de strafvervolging voor bepaalde feiten niet onherroepelijk beëindigt, in beginsel geen procedurele belemmering kan zijn voor de inleiding of de voortzetting van een strafprocedure wegens dezelfde feiten tegen deze persoon in een lidstaat van de Unie.

Voorts heeft het Europese Hof overwogen (punt 48) dat in een dergelijk geval aan de rechterlijke instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan de beslissing is genomen, kan worden verzocht om juridische informatie over de precieze aard van deze beslissing, teneinde vast te stellen of deze krachtens het nationale recht van die staat moet worden geacht de strafvordering op nationaal niveau te hebben beëindigd.

De rechtbank leidt uit de informatie van het District Court in Bydgoszcs, af dat de autoriteit die het Poolse vonnis heeft gewezen van oordeel is dat het door haar gewezen vonnis naar Pools recht geen vonnis was betreffende de in het EAB omschreven feiten en niet in de weg staat aan de in het EAB bedoelde vervolging, en voorts dat dit naar het oordeel van die autoriteit ook het geval is indien het feit waarop de Engelse verdenking ziet, ten tijde van de vonniswijzing bij de Poolse rechter bekend is geweest. De van de officier van justitie te Bydgoszcs verkregen informatie wijst niet in een andere richting.

Blijkens punten 49 en 50 van het Mantello-arrest dient op het oordeel van de Poolse autoriteit te worden afgegaan ook in de situatie waarin de Poolse autoriteiten beschikten over bepaalde feitelijke informatie betreffende het feit waarop de Engelse verdenking ziet.

Blijkens de punten 50 en 51 van het arrest bestaat gelet op dit oordeel van de Poolse autoriteit geen basis voor toepassing van de weigeringsgrond van artikel 3, punt 2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

Samenvattend leidt toetsing aan artikel 9 OLW, kaderbesluitconform geïnterpreteerd en gelezen in het licht van het Mantello-arrest, tot de conclusie dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat het EAB betrekking heeft op dezelfde feiten als waarvoor de opgeëiste persoon reeds onherroepelijk in Polen is berecht en evenmin dat het Poolse vonnis onherroepelijk is in die zin dat het om een andere reden aan overlevering voor het in het EAB omschreven feit in de weg staat.

Ten aanzien van de door de verdediging aangehaalde eerdere weigering van hetzelfde EAB in Polen overweegt de rechtbank nog het volgende. Uit de van de Poolse autoriteiten verkregen beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Lodz (Polen) blijkt dat in Polen voor die rechtbank vanaf 2010 een procedure heeft gelopen ter beslissing op het onderhavige EAB, dat bij beslissing van 26 mei 2010 de procedure is aangehouden in afwachting van de uitkomst van andere dan de bovengenoemde Poolse strafrechtelijke procedures, en dat de procedure ten aanzien van het EAB uiteindelijk bij beslissing van 27 mei 2015 is geseponeerd omdat de opgeëiste persoon niet in Polen (maar in Nederland) verbleef. De door de verdediging aangehaalde weigering van het EAB in Polen is dus op andere gronden dan “ne bis in idem” gebaseerd en niet met het bovenstaande in strijd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de verdediging is bepleit, een kopie op te vragen van de overeenkomst (“deal”) die de opgeëiste persoon voorafgaand aan het Poolse vonnis met de Poolse autoriteit heeft gesloten. De rechtbank gaat er vanuit dat de verklaring die ten grondslag lag aan de “deal” en het “transactieverzoek” is samengevat onder het derde gedachtestreepje in de bovenaangehaalde brief van de Poolse officier van justitie. De rechtbank dient er in het kader van de overleveringsprocedure op te vertrouwen dat die door de Poolse autoriteit verstrekte informatie correct is. Voorts brengen de hierboven aangehaalde punten 49 en 50 van het Mantello-arrest mee dat de letterlijke inhoud van de overeenkomst niet van belang is voor de in het kader van de overlevering te nemen beslissing.

De conclusie is dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW zich niet voordoet. Het verweer wordt verworpen

De rechtbank merkt nog op dat het bovenoverwogene betrekking heeft op de beoordeling van “ne bis in idem” in het kader van de overleveringsprocedure en (in overeenstemming met de tekst van artikel 3, aanhef en onder lid 2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ) gebaseerd is op de gegevens waarover de rechtbank beschikt. Het oordeel van de rechtbank dat de eerdere Poolse veroordeling niet aan zijn overlevering in de weg staat, belet op zichzelf niet dat de opgeëiste persoon, nadat overlevering is toegestaan, zijn standpunt omtrent ne bis in idem in de Engelse procedure naar voren brengt.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

Op de zitting van 13 juli 2017 heeft de officier van justitie overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    het strafrechtelijk onderzoek is reeds in het Verenigd Koninkrijk aangevangen;

  • -

    de medeverdachten zijn in het Verenigd Koninkrijk aangehouden en zijn terzake van soortgelijke feiten veroordeeld;

  • -

    de noodzakelijke bewijsmiddelen bevinden zich op het grondgebied van het verenigd Koninkrijk;

  • -

    de rechtsorde is aangetast in het Verenigd Koninkrijk.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Britse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëist persoon] aan the City of Westminster Magistrates’ Court ten behoeve van het in het Verenigd Koninkrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en M.J. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.