Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5455

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
13-751551-16 RK 17-3585
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Onafgebroken en rechtmatig verblijf niet aangetoond.

De rechtbank overweegt dat zij artikel 6, vijfde lid, OLW zo uitlegt, dat de onderdaan van een andere lidstaat niet aan de eerste – formele – voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW, te weten een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, behoeft te voldoen. In plaats daarvan moet hij aantonen dat hij vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Het is de verantwoordelijkheid van de verdediging om tijdig en door middel van stukken de ononderbroken duur en de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon aan te tonen (Rb. Amsterdam 17 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5992).

In het onderhavige geval is de opgeëiste persoon niet ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn noch omtrent de duur van zijn verblijf, noch omtrent de rechtmatigheid daarvan stukken overgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon door overmacht in het geheel niet in staat was het gestelde onafgebroken en rechtmatig verblijf aan te tonen, en evenmin dat hij hierin op korte termijn alsnog zal slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751551-16

RK nummer: 17/3585

Datum uitspraak: 27 juli 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2016 door the Regional Court in Bydgoszcz, Polen, 3rd Penal Division en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H.P.J. van der Eerden, advocaat te ‘s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen, beide gewezen door the District Court in Bydgoszcz, te weten:

  1. een vonnis van 16 februari 2011, referentienummer XVI K 4632/10
    waarbij is opgelegd een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden

  2. een vonnis van 23 februari 2011, referentienummer XVI K 3506/10
    waarbij is opgelegd een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van beide vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Vonnis A betreft het feit zoals dat als volgt is omschreven in onderdeel e) van het EAB:

On 28 October 2010, in [plaats] , at [adres 1] , contrary to the provisions of law,

he was in the possession of narcotic drugs in the form of cannabis herb other than fibrous, with the total weight of 0.34 gramme, and in the form of amphetamine, with the total weight of 0.99 gramme.

Vonnis B betreft de feiten zoals die als volgt zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB:

On 16 April 2010, in [plaats] , at [adres 2] , from the premises of “ [naam 1] ” company he took metal elements in the form of 4 steel bars, 3 meters long each, with the weight of 107 kilograms, and steel flats with the weight of 147 kilograms, causing loss of PLN 1177 to the detriment of [persoon 1] ;

On 09 June 2010, in [plaats] , at [adres 3] , acting jointly and in concert with [persoon 2] and [persoon 3] , he committed theft and burglary of the building of a petrol station that was being liquidated, from which, having first broken the window and entered inside, he took 4 steel try squares worth PLN 200 to the detriment of [naam olieraffinaderij] , [adres 4] , which constituted an act of smaller significance.

4 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

A:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod

B:
diefstal
en
diefstal waarbij de schuldige zich de plaats tot het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak , terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 Aanwezigheidsrecht bij Nederlandse strafzaak

De raadsman heeft weigering van de overlevering verzocht om de opgeëiste persoon in staat te stellen op 9 augustus 2017 de behandeling van een in Nederland tegen hem aanhangige strafzaak bij te wonen. Hij wil nadrukkelijk gebruik maken van zijn recht om daarbij aanwezig te zijn.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd niet kan leiden tot weigering van het verzoek om overlevering. De Nederlandse strafzaak kan aanleiding vormen om indien de overlevering wordt toegestaan, de feitelijke overlevering uit te stellen. De beslissing daarover is de bevoegdheid van de officier van justitie (artikel 35, tweede lid OLW).
Het verweer faalt.

6
6. Aanhoudingsverzoek

De raadsman heeft verzocht de behandeling aan te houden opdat de opgeëiste persoon de gelegenheid heeft aan te tonen dat hij al ruim vijf jaar in Nederland verblijft. Hij wil een beroep doen op de gelijkstelling als bedoeld in artikel 6, vijfde lid OLW maar heeft daarvoor op dit moment nog onvoldoende onderbouwing nadat zijn tas met documenten (waaronder bankafschriften) in het ongerede is geraakt. De broer van de opgeëiste persoon heeft een aantal jaaropgaven verzameld die hij bij enkele uitzendbureaus heeft opgevraagd. Ook die stukken kunnen thans niet worden overgelegd.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van dit verzoek. Jaaropgaven, ook als ze de volledige periode dekken, zijn op zichzelf onvoldoende om met succes een beroep op bedoelde weigeringsgrond te doen. Ook overigens zal het verweer geen kans van slagen hebben.

De rechtbank wijst het verzoek af.

De rechtbank overweegt dat zij artikel 6, vijfde lid, OLW zo uitlegt, dat de onderdaan van een andere lidstaat niet aan de eerste – formele – voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW, te weten een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, behoeft te voldoen. In plaats daarvan moet hij aantonen dat hij vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Het is de verantwoordelijkheid van de verdediging om tijdig en door middel van stukken de ononderbroken duur en de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon aan te tonen (Rb. Amsterdam 17 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5992).


In het onderhavige geval is de opgeëiste persoon niet ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn noch omtrent de duur van zijn verblijf, noch omtrent de rechtmatigheid daarvan stukken overgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon door overmacht in het geheel niet in staat was het gestelde onafgebroken en rechtmatig verblijf aan te tonen, en evenmin dat hij hierin op korte termijn alsnog zal slagen.

Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak aan te houden.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 Overleveringswet.

9 Beslissing

WIJST AF het aanhoudingsverzoek.

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, Polen, 3rd penal Division, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en M.J. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.