Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5414

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
AMS 17/4192
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo.

Onmiddelijke sluiting/bestuursdwang seksinrichting op grond van de Opiumwet. Geen bijzondere omstandigheden. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4192

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2017 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [bedrijf], te Amsterdam

(gemachtigde: mr. D.J. Perquin),

en

de burgemeester van Amsterdam

(gemachtigde: mr. A.J. Wilschut).

Partijen worden hierna [bedrijf] en de burgemeester genoemd.

Procesverloop

Op 19 juli 2017 heeft de burgemeester met ingang van 21 juli 2017 de sluiting voor onbepaalde tijd bevolen van [bedrijf] (het sluitingsbevel).

[bedrijf] heeft tegen het sluitingsbevel bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een spoedmaatregel (een voorlopige voorziening) te treffen.

De burgemeester heeft de effectuering van het sluitingsbevel opgeschort tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2017. [bedrijf] is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [de persoon 1] , exploitante. [de persoon 2] is ook verschenen voor [bedrijf] . De burgemeester is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en P.J. van Slooten, beleidsadviseur.

Overwegingen

Besluitvorming

1.1.

Via een bestuurlijke rapportage heeft de politie op 30 juni 2017 de burgemeester laten weten dat er meldingen zijn van (onder meer) druggerelateerde misstanden in [bedrijf] , gelegen aan [adres] te Amsterdam. Het betreffen meldingen van januari 2013, 28 februari 2014, 24 februari 2016, 5 april 2016 en 29 juli 2016. In januari 2017 heeft een bezoeker van [bedrijf] aangifte gedaan van diefstal, oplichting, fraude en valsheid in geschrifte.

1.2.

Om de meldingen te ontkrachten of te bevestigen heeft de officier van justitie een pseudokoop ingezet. Op [datum] 2017 heeft het pseudokoopteam van de politie in [bedrijf] verdovende middelen aangekocht bij een leidinggevende. De rapportage meldt daarover het volgende:

“- Prostituee […] trok het bovenste deel van haar jurkje deels naar beneden. Tussen haar borsten zaten 2 à 3 wikkels en zij verklaarde: “Dat is voor mij, maar als wij boven in de kamer zijn kan het wel!”

- Prostituee […] verklaarde: “Je kan het ook gewoon aan de bar halen bij haar of bij hem (wijzende naar […] de NN beveiliger). Je moet dat dan aan de zijkant van de bar bestellen, als je cash betaalt kost het je ongeveer € 130, betaal je met kaart kost het je € 180.”

- De medewerker van het pseudokoopteam bestelde vervolgens een pakketje cocaïne bij […], die verklaarde: “120 per pakketje, 180 als je met een creditcard betaalt! Ik moet daarvoor wel eerst even naar boven, ik kom zo bij je terug.” De medewerker van het pseudokoopteam heeft € 150, - aan […] betaald.

- Prostituee […] vroeg aan de medewerker van het pseudokoop of het gelukt was en ze verontschuldigde zich. Ze was vergeten te zeggen dat hij moest vragen naar een portie kaviaar.

- Kort daarna had […] een zogenaamde St. Jacobsschelp in haar handen met daarop een potje kaviaar. Onder het potje kaviaar lag een wikkel coke. […] verklaarde: “Liever niet hier gebruiken, er hangen hier overal camera’s! Daar is het toilet en anders boven”.

1.3.

Hierop heeft de politie in de nacht van [datum] 2017 [bedrijf] en de woning van exploitante [de persoon 1] in [de persoon 1] doorzocht. Op beide locaties zijn meerdere verpakkingen met verdovende middelen aangetroffen. In [bedrijf] is het volgende aangetroffen: 6,37 gram cocaïne, 26,4 ml GHB, 2,67 gram brokjes cocaïne en 27 ml GHB. In de woning van [de persoon 1] is 4,79 gram cocaïne en 49 gram hasjiesj aangetroffen.

1.4.

Uit de afgenomen verhoren met zowel de sekswerkers als de leidinggevende van [bedrijf] komt naar voren dat er een klant is geweest die 24 uur op een kamer heeft verbleven met een sekswerker en gedrogeerd is door deze sekswerker. Verschillende sekswerkers hebben aangegeven dat het gebruik van verdovende middelen de enige manier is om het vol te houden. De leidinggevende heeft verklaard dat ze wel het vermoeden heeft dat de sekswerkers verdovende middelen gebruiken gezien de uren die sommige sekswerkers op de kamers doorbrengen met een klant, soms wel 2 of 3 dagen.

1.5.

De burgemeester heeft exploitant [de persoon 1] van [bedrijf] laten weten dat hij het voornemen heeft de sluiting voor onbepaalde tijd van [bedrijf] te bevelen. [bedrijf] heeft op 10 juli 2017 schriftelijk een zienswijze gegeven op het voornemen van de burgemeester. Het bestreden besluit is conform het voornemen.

Bestreden besluit en standpunt burgemeester

2. Blijkens de motivering van het bestreden besluit stelt de burgemeester zich op het volgende standpunt. Cocaïne staat op lijst I van de Opiumwet en het bewerken, verwerken, verkopen, verstrekken, daartoe aanwezig hebben of vervaardigen is strafbaar. Handel, gebruik en aanwezigheid van drugs heeft een nadelig effect op de openbare orde. Het kan leiden tot onveiligheid voor de omwonenden vanwege overlast, ripdeals, inbraken en de aanzuigende werking op criminele activiteiten. Ook is bekend dat organisaties die zich bezighouden met de handel in drugs geweld niet schuwen. Uit de verhoren en de anonieme verklaringen doemt een beeld op dat de drugs worden gebruikt om klanten te verdoven om vervolgens misbruik van de situatie te maken. Hierbij is een enorm risico genomen ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van de klanten. Ook is gebleken dat de sekswerkers ook zelf drugs gebruikten om het werk vol te kunnen houden. Omdat de leidinggevende hiervan op de hoogte was heeft zij bewust onaanvaardbare risico’s genomen met de gezondheid van de sekswerkers. Volgens de burgemeester levert het geopend blijven van [bedrijf] een ernstig gevaar voor de openbare orde op. De burgemeester wil voorkomen dat [bedrijf] in de toekomst een rol kan blijven spelen in het handelen in drugs. De sluiting ziet op het onmiddellijk en duurzame herstel van de openbare orde en dit belang weegt zwaarder dan de belangen van de exploitant van [bedrijf] .

Gronden [bedrijf]

3. [bedrijf] is het niet eens met het sluitingsbevel en vraagt de voorzieningenrechter het te schorsen. [bedrijf] voert samengevat aan dat de burgemeester ten onrechte star vasthoudt aan zijn beleid. Er zijn volgens [bedrijf] bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken. Zo wist [de persoon 1] niets van de aanwezige drugs, was de aanwezige drugs niet voor handel, maar alleen voor eigen gebruik en voert [de persoon 1] een zerotolerancebeleid als het gaat om drugs in [bedrijf] . Ook moet men om [bedrijf] binnen te kunnen komen, entreegeld betalen. [bedrijf] is dus niet voor iedereen zo maar toegankelijk. Van een daadwerkelijke verstoring van de openbare orde is daarom geen sprake. De burgemeester heeft bovendien niet deugdelijk gemotiveerd dat daarvan sprake is. Verder hoeft er geen ‘loop’ uit het pand gehaald te worden. De betrokkenen zijn inmiddels ontslagen en niet meer werkzaam voor [bedrijf] . De kans op herhaling is daarmee nihil geworden. Ook heeft [bedrijf] aangeboden vrijwillig te sluiten om in samenspraak met de gemeente nadere verbeteringen door te voeren en hiervoor een plan op te stellen. De burgemeester ziet ten onrechte geen noodzaak hiervoor. Verder vindt [bedrijf] dat het onderzoek naar de feiten onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Beoordeling voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van partijen. In dit geval maakt zij een afweging tussen aan de ene kant het belang van [bedrijf] dat het sluitingsbevel gedurende de bezwaarfase wordt geschorst en aan de andere kant de belangen van de burgemeester bij de onmiddellijke uitvoering van het sluitingsbevel. Als algemeen uitgangpunt geldt dat er geen reden een voorlopige voorziening te treffen als het bezwaar geen redelijke kans van slagen zal hebben.

5.1.

De burgemeester heeft [bedrijf] gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Hierin staat dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

5.2.

De (anonieme) meldingen daargelaten, onbetwist is gelaten en voor de voorzieningenrechter staat vast dat de politie in [bedrijf] een succesvolle pseudokoop heeft gedaan op [datum] 2017. Dit blijk uit de bestuurlijke rapportage. Daarbij is cocaïne aangekocht en in ieder geval zijn een sekswerker en een leidinggevende van [bedrijf] betrokken geweest bij die aankoop. Ook staat vast dat verschillende verboden middelen, waaronder cocaïne, zijn aangetroffen bij de doorzoeking van de politie in [bedrijf] en [de persoon 1] huis in [de persoon 1] in de nacht van [datum] 2017. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor twijfel aan deze bevindingen in het onderzoek van de politie.

5.3.

Voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen is de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking al voldoende. Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (www.raadvanstate.nl, 201601497/1/A3). Hiervan is in deze zaak, gelet op de bevindingen als genoemd onder 5.2. en de hoeveelheid drugs die blijkens het politierapport zijn aangetroffen, sprake. Voor de vraag of de burgemeester zijn bevoegdheid tot bestuursdwang kan inzetten is voorts niet relevant of dit al dan niet op grote schaal of stelselmatig gebeurt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat aan de bevoegdheidsvoorwaarden van artikel 13b van de Opiumwet tot het toepassen van bestuursdwang is voldaan.

6.1.

Het is beleid van de burgemeester om in gevallen als deze zonder meer over te gaan tot sluiting voor onbepaalde tijd.1 Het doel van het beleid is een onmiddellijk einde maken aan de handel in harddrugs, de loop van en naar de inrichting beëindigen en gedurende de periode van sluiting bekijken in hoeverre de exploitant maatregelen kan treffen om een en ander in de toekomst te voorkomen. [bedrijf] heeft het beleid als zodanig niet bestreden. De burgemeester heeft zich onder verwijzing naar zijn beleidsregel terecht op het standpunt gesteld dat er met het aantreffen van de hoeveelheid (hard)drugs in [bedrijf] sprake is van verstoring van de openbare orde en dat de loop uit het pand gehaald moet worden. De burgemeester hoeft dit in het bestreden besluit niet nader te motiveren. De grond dat er geen voldoende indicatie is gegeven van verstoring van de openbare orde en dat onbegrijpelijk is waarom de loop uit het pand moet, slaagt daarom niet.

6.2.

[bedrijf] betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en betoogt dat verweerder in deze zaak op grond daarvan van zijn beleidsregel had moeten afwijken. [bedrijf] wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 20162. Deze grond slaagt niet. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling is in zoverre juist dat de burgemeester niet meer alleen kan wijzen op zijn beleid en de omstandigheden die daarin zijn verdisconteerd, maar ook altijd moet beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat hij van het beleid moet afwijken. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de door [bedrijf] naar voren gebrachte omstandigheden voldoende in zijn besluitvorming betrokken. De burgemeester, zoals ook op de zitting naar voren is gebracht, ziet in wat [bedrijf] naar voren heeft gebracht geen bijzondere omstandigheden gelegen als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich op dit standpunt mocht stellen. De omstandigheden dat de exploitant niet wist en niet kon weten dat er drugs aanwezig waren in [bedrijf] en dat zij in dit verband een zerotolerancebeleid voert, zijn in deze zaak niet relevant. De burgemeester heeft terecht aangegeven dat eventuele verwijtbaarheid bij de bevoegdheidsuitoefening van artikel 13b van de Opiumwet geen rol speelt. Deze omstandigheden zijn ook geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Verder faalt het betoog van [bedrijf] dat [bedrijf] niet een voor publiek toegankelijke inrichting is, omdat entreegeld betaald moet worden, zonder meer. Het betalen van entreegeld maakt niet dat geen sprake is van een voor publiek toegankelijke inrichting. Verder heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat met een vrijwillige sluiting de doelen die gemoeid zijn met gedwongen sluiting, zoals herstel van de openbare orde en de loop uit het pand halen, niet verwezenlijkt zouden worden. Met een vrijwillige sluiting is er onvoldoende zekerheid dat het pand gesloten blijft en wordt voor de buitenwereld niet duidelijk dat ‘hier niets meer te halen valt’. Gelet daarop is ook de gestelde omstandigheid dat de betrokken medewerkers inmiddels zijn ontslagen dan wel elders werken onvoldoende zwaarwegend om van de beleidsregel af te wijken. De burgemeester heeft daarom terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht waardoor geoordeeld zou moeten worden dat de sluiting onevenredig is aan het doel van het beleid. De burgemeester heeft daarbij mogen betrekken dat de seksbranche een kwetsbare, extra gevoelige branche is wat hoge risico’s met zich meebrengt.

7. De voorzieningenrechter is tot slot van oordeel dat de burgemeester conform zijn beleid en in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, een sluiting voor onbepaalde tijd heeft kunnen bevelen.

Conclusie

8.1.

Het bezwaar tegen het sluitingsbevel zal naar verwachting geen redelijke kans van slagen hebben. Verder ziet de voorzieningenrechter ook in de door [bedrijf] gestelde belangen onvoldoende rechtvaardiging om het sluitingsbevel te schorsen.

8.2.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Dit betekent dat de burgemeester [bedrijf] voor onbepaalde tijd mag sluiten.

8.3.

Voor een proceskostenveroordeling of bepaling dat het griffierecht wordt vergoed bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De griffier heeft de uitspraak telefonisch bekendgemaakt aan partijen op 24 juli 2017, om 16.30 uur. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

1 Zie Notitie inzake het sluitings- en heropeningsbeleid met betrekking tot artikel 13b van de Opiumwet en artikel 2.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening.

2 ECLI:NL:RVS:2016:2840.