Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5389

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1226
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Eisers hebben bij de aanvraag alle gevraagde gegevens naar waarheid verstrekt en daarbij aangegeven dat eiseres een voltijd universitaire studie volgt en inkomen geniet. Eisers hebben vervolgens een bijstandsuitkering gekregen, maar verweerder had de uitkering op grond van de bekende feiten niet moeten toekennen. Naar het oordeel van de rechtbank hadden eisers op grond van de betreffende omstandigheden niet redelijkerwijs hoeven te begrijpen dat de behandelaar een fout heeft gemaakt bij de afhandeling van hun aanvraag. Verweerder heeft dan ook niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 58, tweede lid, onder e, van de Participatiewet de ten onrechte betaalde bijstand van eisers terug te vorderen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het nestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1226

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[eiseres] , eiseres
allen wonende te Amsterdam
gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. S. Ettalhaoui),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: H. van Golberdinge).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van
1 mei 2016 ingetrokken.

Bij besluit van 25 november 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder over de periode 1 mei 2016 tot en met 30 september 2016 een bedrag van € 2.650,26 aan ten onrechte betaalde bijstand van eisers teruggevorderd.

Bij besluit van 20 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eisers tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Eisers hebben op 16 juni 2016 een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering op grond van de Pw.

1.2

In de rapportage ‘Aanvraag bijstand voor levensonderhoud’ van 4 juli 2016 staat dat eiseres een contract van 15 uur heeft en een voltijd studie aan de universiteit volgt. De hoogte van haar inkomen was in mei € 743,33. Er wordt uitgegaan van een fictief inkomen van € 600,- per juni 2016.

1.3

Bij besluit van 4 juli 2016 heeft verweerder vervolgens medegedeeld dat eisers sinds 29 april 2016 een gezinsuitkering krijgen met een kostendelende medebewoner. Bij brief van 28 oktober 2016 heeft eiseres aangegeven dat zij in de zomer wegens de zomervakantie meer heeft verdiend en dat zij vanaf september 2016 weer voltijd onderwijs gaat volgen.

1.4

In het rapportage beëindigingsonderzoek van 18 november 2016 van verweerder staat dat de uitkering van eisers wordt ingetrokken per 1 mei 2016, omdat eisers ten onrechte een gezinsuitkering toegekend hebben gekregen. De reden hiervoor is dat eiseres inkomen en sinds 1 januari 2016 een studiefinanciering ontvangt op grond van de Wet op de Studiefinanciering (WSF).

1.5

In het rapportage beëindigingsonderzoek II van 23 november 2016 van verweerder staat voorts dat bij eisers ten aanzien van de ten onrechte betaalde bijstandsuitkering geen sprake is van verwijtbare schuld. De behandelaar van team intake had namelijk de uitkering op grond van de feiten al niet moeten toekennen.

1.6

In het primaire besluit I heeft verweerder dan ook de uitkering van eisers ingetrokken, omdat eiseres studiefinanciering ontvangt en eisers voldoende inkomsten uit werk hebben. In het primaire besluit II heeft verweerder over de periode 1 mei 2016 tot en met 30 september 2016 een bedrag van € 2.650,26 aan ten onrechte betaalde bijstand van eisers teruggevorderd. In dit besluit staat dat eiseres sinds 1 mei 2016 recht heeft op studiefinanciering. Deze inkomsten zijn hoger dan de voor eisers gestelde bijstandsnorm. Het recht op uitkering vervalt hierdoor. Omdat eiser samen met eiseres een gezamenlijke huishouding voerde, vordert verweerder de ten onrechte verstrekte uitkering van beiden terug.

1.7

In het bestreden besluit is dit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Pw ten tijde van de aanvraag al geen recht had op een bijstandsuitkering, omdat zij jonger is dan 27 jaar, onderwijs volgt en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering. Daarbij wordt de studerende een inkomen toegekend, die bestaat uit de basisbeurs, de maximale aanvullende beurs en de basislening. Het normbedrag waar rekening mee had moeten worden gehouden bij de bijstandsverlening bedraagt € 833,22. Daarnaast heeft eiseres wisselende inkomsten uit arbeid. In mei 2016 bedroeg het netto inkomen inclusief vakantiegeld € 742,89.

Standpunt eisers

2.1

Eisers zijn het niet eens met de terugvordering. Zij voeren daartoe aan dat verweerder ten tijde van de aanvraag op 16 juni 2016 op de hoogte was van het feit dat eiseres studiefinanciering ontving. Desondanks heeft verweerder toch bijstand uitgekeerd en is deze blijven uitkeren terwijl hij op de hoogte was van de situatie van eisers. Het achteraf terugvorderen van deze betalingen is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Oordeel rechtbank

2.2

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eisers over de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 september 2016 (de beoordelingsperiode) ten onrechte een bijstandskering hebben ontvangen, omdat eiseres over die periode ook studiefinanciering heeft ontvangen. In geschil tussen partijen is of verweerder in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

2.3

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Pw kan verweerder kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6779) is dit artikel geschreven voor de gevallen waarin (teveel) bijstand is verleend als gevolgd van een administratieve vergissing aan de zijde van het bestuursorgaan die bij de toekenning of bij de uitbetaling van de bijstand is begaan.

2.4

Verder moet de aanvrager volgens vaste jurisprudentie van de CRvB in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van de aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend bestuursorgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

2.5

Eisers hebben op 16 juni 2016 een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering. De rechtbank stelt vast dat eisers bij de aanvraag alle gevraagde gegevens hebben overgelegd en dat eiseres bij de aanvraag heeft aangegeven dat zij een voltijd studie volgt aan de universiteit en inkomen geniet. Uit het rapportage beëindigingsonderzoek II van 23 november 2016 blijkt dat eisers ten aanzien van de ten onrechte betaalde bijstandsuitkering geen verwijtbare schuld hebben. De behandelaar van het team intake had namelijk de uitkering op grond van de feiten al niet moeten toekennen, aldus verweerder. Het gaat hier niet om een administratieve vergissing aan de zijde van verweerder, maar om een fout. Eisers hebben immers bij de aanvraag alle gegevens naar waarheid verstrekt en daarbij vermeld dat eiseres jonger is dan 27 jaar en een studie volgt aan een universiteit. Eisers hadden naar het oordeel van de rechtbank op grond van voornoemde omstandigheden niet redelijkerwijs hoeven te begrijpen dat de behandelaar een fout heeft gemaakt bij de afhandeling van hun aanvraag door geen rekening te houden met het feit dat zij geen recht hebben op een bijstandsuitkering naar de norm van een gezin omdat eiseres studiefinanciering ontvangt. Tevens hadden eisers redelijkerwijs niet hoeven te begrijpen dat de behandelaar een fout heeft gemaakt door bij de bijstandsverlening geen rekening te houden met het normbedrag voor studiefinanciering ter hoogte van € 833,22. Verweerder heeft dan ook niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 58, tweede lid, onder e, van de Pw dat bedrag van eisers terug te vorderen.

3.
Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Immers, uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de terugvordering ook heeft gebaseerd op het feit dat eiseres in de beoordelingsperiode (wisselende) inkomsten uit arbeid heeft genoten. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

4. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.


5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.S. Abbing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.