Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5381

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3830
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

8:81 Awb, overtreding sluitingstijden Koningsdag, stappenplan, sluiting horeca bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3830

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kramer).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester de aan verzoeker verleende exploitatievergunning ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en tevens om een voorlopige voorziening verzocht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De regelgeving waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

1.2

Het gaat in deze zaak om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de bezwaarprocedure. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Verzoeker exploiteert horecabedrijf [bedrijf] . De sluitingstijden voor het horecabedrijf van verzoeker zijn 3.00 uur door de week en 4.00 uur in het weekend. Ten aanzien van verzoekers bedrijf zijn diverse malen overtredingen van de sluitingstijdenregelgeving geconstateerd. De burgemeester heeft in verband daarmee diverse bestuurlijke maatregelen genomen. Zo is verzoeker eerst gewaarschuwd op 14 april 2016 (stap 0). Vervolgens heeft de burgemeester bij besluit van 5 augustus 2016 de maatregel op opgelegd (stap 1) het horecabedrijf gedurende een week één uur eerder te sluiten. Daarna heeft de burgemeester (stap 2) bij besluit van 9 december 2016 verzoeker opgedragen zijn horecabedrijf gedurende één week te sluiten.

2.2

Op 28 april 2017 heeft de politie van wijkteam Centrum-Jordaan geconstateerd dat om 3.15 uur het licht in de zaak nog aan was, de deur nog open was, er nog een klant in de zaak aanwezig was en nog eten werd bereid. Het betrof hier een vierde overtreding van de sluitingstijd, daarom heeft de burgemeester bij het bestreden besluit de verleende exploitatievergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken. De burgemeester heeft verzoeker opgedragen zijn bedrijf te sluiten met ingang van 10 juli 2017, onder aanzegging van bestuursdwang. De burgemeester heeft daarbij verwezen naar artikel 3.24, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening 2008 (APV) en het in de “Handhavingsstrategie Horeca en slijterijen (inclusief winkels) Drank- en Horecawet, Amsterdam 2013” neergelegde beleid.

2.3

Het beleid van verweerder komt er - voor zover hier van belang - op neer dat bij een overtreding van de sluitingstijden een bestuurlijke waarschuwing volgt na een eerste overtreding van de openings- en sluitingstijden (stap 0) en dat na een eerstvolgende overtreding binnen een jaar de sluitingstijd voor een periode van een week wordt vervroegd met een uur (stap 1). Bij een volgende overtreding wordt de exploitatievergunning voor één week ingetrokken (stap 2). Indien nogmaals een overtreding wordt begaan wordt de exploratievergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken (stap 3).

De gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening

3. Verzoeker voert aan dat het Koningsdag was en hij dat als weekend heeft begrepen en dus meende tot 4.00 uur open te mogen zijn. Hij heeft daarom niet bewust de sluitingstijden overtreden. Daarbij komt volgens verzoeker dat er sprake is van een onevenredige hardheid. De horecazaak is zijn enige bron van inkomsten, terwijl hij maandelijks al € 1.338,02 aan hypotheeklasten heeft. Hij kan onmogelijk op andere wijze inkomsten genereren, waardoor hij een beroep op bijstand zal moeten doen. Dit alles treft ook zijn echtgenote en drie kinderen. Ook heeft verweerder bij het nemen van het besluit - buiten de schuld van verzoeker - geen rekening gehouden met de door hem ingezonden zienswijze. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter daarom het bestreden besluit te schorsen tot op het bezwaar zal zijn beslist.

De beoordeling van het verzoek door de voorzieningenrechter

4.1

Vast staat dat er sprake is van een vierde overtreding van de sluitingstijden binnen een jaar. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker de geconstateerde overtredingen niet bestrijdt en evenmin het onder 3 weergegeven handhavingsbeleid van de burgemeester. Vast staat verder dat de burgemeester in overeenstemming met zijn onder 3 genoemde beleid heeft gehandeld.

4.2

Verzoekers gronden komen er op neer dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan de burgemeester van zijn handhavingsbeleid had moeten afwijken. Verzoeker betoogt met zoveel woorden dat de gevolgen van de intrekking voor onbepaalde tijd wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dit betoog slaagt niet.

4.3

Verzoeker stelt dat hij er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij op Koningsdag langer open mocht zijn en dat hij dit niet wist en ook niet kon weten. Dit betoog slaagt niet. De burgemeester heeft de Richtlijnen vergunningverlening Koningsdag gepubliceerd en daar blijkt duidelijk uit dat op Koningsdag de doordeweekse openingstijden gelden. Verzoeker had dit dan ook kunnen en moeten weten. Dat hij dit niet wist komt voor zijn risico. Hij had zich van regels rondom Koningsdag op de hoogte moeten en kunnen stellen. Dat hij zonder opzet de openingstijden heeft overtreden is evenmin een reden waarom de burgemeester had moeten afzien van het intrekken van de exploitatievergunning. Opzet is, gelet op het beleid, geen voorwaarde om de exploitatievergunning in te trekken. Ook ligt hierin geen bijzondere omstandigheid besloten als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

4.4

De financiële gevolgen die verzoeker aanvoert als gevolg van de gedwongen sluiting kunnen evenmin leiden tot de conclusie dat de burgemeester van handhaving had moeten afzien. In het stappenplan is steeds een zwaardere maatregel opgenomen, die uiteindelijk leidt tot intrekken van de exploitatievergunning, waardoor het horecabedrijf moet sluiten. Dat dit financiële gevolgen heeft (in de zin van het missen van inkomsten uit de exploitatie) is dan ook in het beleid verdisconteerd. Verder heeft verzoeker niet onderbouwd welke financiële gevolgen het missen van die inkomsten voor hem betekenen. Voor zover hierin al een bijzondere omstandigheid zou zijn gelegen als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, heeft verzoeker de gestelde financiële gevolgen op geen enkele wijze onderbouwd, zodat dit betoog reeds daarom niet slaagt.

4.5

De burgemeester heeft inderdaad de zienswijze van verzoeker niet meegenomen bij het nemen van het bestreden besluit. Dit gebrek leidt op zichzelf echter niet tot toewijzing van het verzoek, omdat het nog kan worden hersteld in de bezwaarfase. Bovendien is de burgemeester in de brief van 26 juni 2017 ingegaan op de zienswijze van verzoeker, maar heeft de burgemeester daarin geen reden gezien om een andere beslissing te nemen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden die verzoeker naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten dat het bestreden besluit niet in bezwaar stand zal kunnen houden.

Conclusie

5. Op grond van wat hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat

het bezwaar tegen het intrekken van de exploitatievergunning weinig kans van slagen heeft. Er is daarom - ondanks het door verzoeker gestelde belang - geen reden om een voorlopige voorziening te treffen zoals is verzocht. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

Proceskosten en het griffierecht

6. Voor een proceskostenveroordeling of een teruggave van het griffierecht door

het college bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

27 juli 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Coll: HB

Bijlage:

Regelgeving

Artikel 3.12 van de APV

Openingstijden alcoholverstrekkende bedrijven

1. Het is verboden een alcoholverstrekkend bedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan

(…) b. van 09.00 tot 03.00 uur en in het weekeinde van 09.00 tot 04.00 uur als het bedrijf een avondzaak is;

(…)

Artikel 3.24 van de APV

Bijzondere gronden voor wijziging of intrekking

De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als:

a.de exploitant of leidinggevende het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde overtreedt;

(…)