Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5358

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
AWB 16/6606
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen geluidsvoorschriften heeft verbonden aan de exploitatievergunning. De beroepsgrond faalt. Verweerder is niet bevoegd in het kader van de toepassing van artikel 3:11 van de APV regels te stellen inzake de toelaatbaarheid van het niveau van het geluid, nu het inrichtinggebonden geluid, sluitend wordt gereguleerd door het Activiteitenbesluit. Verweerder kan daarom deze normen ook niet als voorschriften aan de vergunning verbinden.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2017/2937
AR 2017/5030
JOM 2017/1029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6606

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J.M. Smits),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Smit).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] ., gevestigd te Amsterdam, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 (hierna: het primaire besluit) heeft het verweerder aan vergunninghouder een exploitatievergunning verleend voor een alcoholschenkend horecabedrijf met terras.

Bij besluit van 14 september 2016 (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 juli 2017 heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is niet verschenen. Tevens is namens verweerder [de persoon] verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1.

Bij het primaire besluit van 13 mei 2015 heeft verweerder aan vergunninghouder ten behoeve van het [adres] te Amsterdam, een exploitatievergunning verleend voor een alcoholschenkend horecabedrijf met terras, geldig tot 1 december 2017, voor het [bedrijf 2] . In verband met de herinrichting [adres] en de verplaatsing van de [markt] is er een tijdelijke terrasvergunning verleend tot 1 augustus 2015. Hiertegen heeft onder andere eiseres, woonachtig op [straatnaam] te Amsterdam, op 15 juni 2015 bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 15 juli 2015 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor verlenging van de terrasvergunning behorende bij het primaire besluit.

1.3.

Vervolgens heeft de commissie bezwaarschriften een (ongedateerd) advies uitgebracht. Daarin heeft zij geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Volgens de commissie dient onder andere alsnog te worden beoordeeld of de komst van [bedrijf 2] aanvaardbaar is voor het woon- en leefklimaat.

1.4.

Naar aanleiding van de aanvraag van 15 juli 2015, heeft verweerder op 13 september 2016 aan vergunninghouder een gewijzigde exploitatievergunning verleend voor een alcoholschenkend horecabedrijf met terras, voor het [bedrijf 2] . De vergunning is geldig tot 1 december 2017.

1.5.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder – in overeenstemming met het advies van de commissie bezwaarschriften – het bezwaar gegrond verklaard. Onder aanvulling van de motivering heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten. Verweerder concludeert op grond van het horecabeleid en het bestemmingsplan dat [bedrijf 2] de woon- en leefklimaattoets doorstaat.

1.6.

Hiertegen heeft eiseres gemotiveerd beroep ingesteld.

1.7.

Bij het besluit van 3 juli 2017, verzonden op 7 juli 2017, heeft verweerder aan vergunninghouder opnieuw een gewijzigde exploitatievergunning verleend voor een alcoholschenkend horecabedrijf met terras, geldig tot 1 december 2017, voor het [bedrijf 2] .

2. Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het bestreden besluit I

2.1.

De rechtbank merkt het besluit van 3 juli 2017 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op dit artikel dient het beroep te worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit van 3 juli 2017 (hierna te noemen: het bestreden besluit II). Omdat niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I, wordt het beroep van eiseres voor zover gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. Verweerder dient voorts het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Het beroep tegen het bestreden besluit II

2.2.

Zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft bevestigd, voert eiseres in beroep slechts nog aan dat verweerder ten onrechte geen geluidsvoorschriften heeft verbonden aan de exploitatievergunning. Eiseres stelt dat de geluidsnormen en technische eisen zoals vervat in het Activiteitenbesluit en de Bijlage als voorschriften aan de vergunning verbonden moeten worden zodat verweerder zelfstandig handhavend kan optreden.

2.3.

De rechtbank overweegt dat inrichtinggebonden geluidshinder, zoals in deze zaak aan de orde, sluitend wordt gereguleerd door het Activiteitenbesluit en de Bijlage. Daarin is bepaald wat het ten hoogste toegelaten niveau is van het geluid dat door de horeca-inrichting (in deze zaak [bedrijf 2] ) wordt veroorzaakt. Verweerder dient in het kader van artikel 3:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (APV) een beoordeling te maken van de invloed van de horeca-inrichting op het woon-leefklimaat ter plekke. Daarbij moet er van worden uitgegaan dat het terras en de horeca-inrichting voldoen aan de geluidsnormen die in het Activiteitenbesluit zijn vervat. Handhaving van die normen vindt plaats door het college van burgemeester en wethouders. Daarbij stelt de rechtbank vast dat die geluidsnormen in een apart besluit maatwerkvoorschrift aan vergunninghouder zijn opgelegd. De burgemeester – verweerder – is niet bevoegd in het kader van de toepassing van artikel 3:11 van de APV regels te stellen inzake de toelaatbaarheid van het niveau van dat geluid, nu het inrichtinggebonden geluid, zoals overwogen, sluitend wordt gereguleerd door het Activiteitenbesluit (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2006:AW4000). Verweerder kan daarom deze normen ook niet als voorschriften aan de vergunning verbinden. Gelet hierop faalt de beroepsgrond van eiseres.

2.4.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaren.

Proceskosten in bezwaar

2.5.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten. Verweerder heeft immers het primaire besluit herroepen en op 3 juli 2017 een gewijzigde exploitatievergunning verleend.

Totale proceskosten

2.6.

De rechtbank stelt de proceskosten in bezwaar en beroep op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting op 8 oktober 2015, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting , met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.980,- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter, en mr. P. Sloot en mr. E.J. Otten leden, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.