Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5317

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
13.751.696-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overlevering. Vervolgings-EAB. Beroep op gelijkstelling met een Nederlander. Vereisten onderbouwing gelijkstelling. De rechtbank verwijst in het kader van de onderbouwing van de gelijkstelling onder meer naar haar uitspraak van 17 september 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5992).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.696-16

RK-nummer: 17/1404

Datum uitspraak: 25 juli 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 februari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 mei 2016 door de Rechter van de Regionale Rechtbank te Krakau, Afdeling III strafrecht (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22 OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aan tenuitvoerlegging onderworpen beslissing van de Districtsrechtbank te Oświęcim, afdeling II strafrecht over de tijdelijke arrestatie in het vooronderzoek van 14 december 2015 met zaaknummer II Kp 445/15.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vijf naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

Door de officier van justitie is ter zitting aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de omschrijving van de feiten 2, 4 en 5 nogal cryptisch is. De vraag is of de omschrijving van die feiten genoegzaam is, gelet op de toetsing van de dubbele strafbaarheid die moet plaatsvinden. Daarom wordt om aanhouding van de zaak verzocht, om een verduidelijking van de Poolse uitvaardigende autoriteit te verkrijgen met betrekking tot de verdenking van de feiten 2, 4 en 5. De verdenking moet als het ware wat verfeitelijkt worden. De officier refereert zich op dat punt aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft zich bij het verzoek van de officier van justitie aangesloten.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Gelet op de Nederlandse en de Engelse vertaling van het EAB, alsmede de inhoud van de relevante Poolse wetsartikelen die in het EAB zijn opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon ten aanzien van de feiten 2, 4 en 5 in het algemeen wordt verdacht van seksueel misbruik van twee minderjarigen, beiden jonger dan 15 jaar, in de periode van
27 tot 29 mei 2015 in Kęty en Bulowice.

Meer in het bijzonder zien de feiten 2 en 4 op het respectievelijk vier en drie keer prostitueren van de minderjarigen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en ziet feit 5 op het drie keer tonen van seksuele handelingen door de opgeëiste persoon ten overstaan van [naam slachtoffer 2] .

Naar het oordeeld van de rechtbank is de omschrijving genoegzaam en wordt hiermee de naleving van het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Het verzoek om aanhouding van het onderzoek zal niet worden ingewilligd.

5 Strafbaarheid

5.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten I, II en IV waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 4, te weten:

Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten III en V niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

III

Een afbeelding, voorwerp of gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de

vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar,

vertonen aan een minderjarige van wie hij weet dat hij jonger is dan zestien jaar

V

Met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren

nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen

6 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

7.1

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is verzocht om de behandeling van het onderzoek aan te houden teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om zijn beroep op gelijkstelling met een Nederlander nader te onderbouwen. Hij moet nog stukken over het jaar 2012 verzamelen teneinde zijn ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland gedurende de afgelopen vijf jaar te onderbouwen. De opgeëiste persoon woont en werkt sinds 2011 in Nederland en verblijft hier permanent. Alleen tijdens vakanties verblijft hij in Polen. Hij kan aldus met een Nederlander te worden gelijkgesteld ingevolge artikel 6, vijfde lid, OLW.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat het ter onderbouwing van het ononderbroken verblijf in Nederland noodzakelijk is dat nog informatie uit 2012 wordt overgelegd. Ten aanzien van de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland zouden nog de jaaropgaves over 2012 tot en met 2016 en de salarissspecificaties over 2017 moeten worden overgelegd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat hij intussen ruim vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft en daarom met een Nederlander moet worden gelijkgesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt zijn bij e-mail van 5 juli 2017 een aantal stukken overgelegd. De opgeëiste persoon dient het beroep op de gelijkstelling echter nog verder te onderbouwen en daarom wordt verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden om dit mogelijk te maken.

De rechtbank verwijst allereerst naar haar uitspraak van 17 september 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5992) waarin zij onder meer heeft geoordeeld dat

  • -

    stukken die ter onderbouwing dienen van het gestelde ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland voorafgaand aan de zitting moeten worden overgelegd,

  • -

    het tijdig en gedocumenteerd aantonen van de ononderbroken duur en de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon, de verantwoordelijkheid van de verdediging is en

  • -

    de rechtbank er zeer veel waarde aan hecht dat de stukken overzichtelijk geordend en op chronologische volgorde worden overgelegd.

In de onderhavige zaak zijn de overgelegde stukken die zien op de jaren 2012 en 2013 naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend om tot het oordeel te kunnen komen dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De vraag is of de opgeëiste persoon alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld deze stukken te vergaren en aan de rechtbank te overleggen.

De reden voor het ontbreken van stukken is volgens de raadsvrouw gelegen in het feit dat de opgeëiste persoon van advocaat is gewisseld en dat zijn administratie niet up-to-date was. Daarom beschikt hij (nog) niet over alle benodigde stukken.

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon na zijn aanhouding op grond van het overleveringsverzoek in overleveringsdetentie is gesteld en de detentie op 22 februari 2017 is geschorst.

Uit het dossier blijkt verder dat op 19 mei 2017 aan de raadsvrouw (die zich op 9 mei 2017 heeft gesteld) is meegedeeld dat de behandeling van de vordering ex artikel 23 OLW op
11 juli 2017 zou plaatsvinden.

Voorts heeft de opgeëiste persoon ter zitting geen concrete informatie verstrekt waaruit blijkt dat de ontbrekende gegevens over de jaren 2012 en 2013 op (korte) termijn voorhanden zullen zijn. Er is geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat er intussen stukken zijn opgevraagd, bijvoorbeeld bij voormalig werkgevers of de belastingdienst, dan wel dat op andere wijze wordt getracht de benodigde stukken te vergaren en dat de opgeëiste persoon in afwachting is van door hem verzochte informatie en deze zijnsondanks nog niet is ontvangen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw gedurende een aantal maanden de gelegenheid hebben gehad om de stukken ter onderbouwing van het beroep op de gelijkstelling te vergaren en te overleggen.

Nu de opgeëiste persoon voldoende tijd heeft gehad om de relevante stukken voor zijn beroep op gelijkstelling met een Nederlander te vergaren en aan de rechtbank te overleggen, in samenhang bezien met het ontbreken van concrete informatie ter zitting over het alsnog verstrekken van de gegevens, wijst de rechtbank het verzoek om het onderzoek aan te houden af.

De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, juncto 6, eerste lid, OLW is voorts niet aan de orde.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 240a en 248d Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëiste persoon] aan de Rechter van de Regionale Rechtbank te Krakau, Afdeling III strafrecht ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. W.A.J.P. van den Reek en J. Edgar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juli 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.