Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5241

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
AWB 16/5004
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:780, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersbesluit waarbij een nachtelijk parkeerverbod op het parkeerterrein bij Sportpark IJburg is ingesteld, blijft in stand. Verweerder heeft Eiseres II en III terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar, omdat zij geen belanghebbenden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5004

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2017 in de zaak tussen

de vereniging [naam vereniging 1] , te Amsterdam, eiseres I

de vereniging [naam werkgroep], te Amsterdam, eiseres II

de vereniging [naam vereniging 2] afdeling Amsterdam, te Amsterdam, eiseres III

hierna samen te noemen: eiseressen

(gemachtigden: [de persoon 1] en [de persoon 2] ).

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Haak).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2016 (het primaire besluit), gepubliceerd in de Staatscourant op 11 maart 2016, heeft verweerder het verkeersbesluit ‘Parkeerverbod dagelijks tussen 0.00 uur en 07.00 uur op het parkeerterrein bij Sportpark IJburg’ genomen.

Bij besluit van 30 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres II en III niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van eiseres I ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2017. Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Aan de kant van eiseres I is tevens verschenen [de persoon 3] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Sinds 30 juni 2010 is het Sportpark IJburg, gelegen aan het Dick Hilleniuspad in het Diemerpark geopend en in gebruik bij diverse sportverenigingen. In het bestemmingsplan “IJburg 1e fase” is een uitbreiding van dit sportpark naar zes sportvelden mogelijk gemaakt, alsmede het aanleggen van een parkeervoorziening met maximaal 42 parkeerplaatsen.

1.2.

Op 23 november 2015 heeft verweerder het verkeersbesluit ‘Sportpark IJburg’ genomen. In dit besluit is de parkeervoorziening aangewezen als parkeergelegenheid en zijn verschillende verkeersmaatregelen genomen om het beoogde parkeer- en verkeerregime te kunnen realiseren. In de overwegingen bij dit besluit staat onder andere vermeld dat de parkeervoorziening alleen wordt opengesteld op wedstrijdmomenten (zaterdag, zondag en op overige dagen in de avonduren alleen tijdens wedstrijden). Een verzinkbare paal bevordert op fysieke wijze dat er buiten de periode van openstelling van de parkeervoorziening geen gebruik wordt gemaakt van de parkeervoorziening. Het gemotoriseerd verkeer dat noodzakelijkerwijze het sportpark ook buiten de perioden van openstelling van de parkeervoorziening moet kunnen bereiken, bijvoorbeeld voor bevoorrading en voor het uitvoeren van beheertaken, zal een ontheffing van het parkeerverbod krijgen.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verkeersbesluit ‘Parkeerverbod dagelijks tussen 0.00 uur en 07.00 uur op het parkeerterrein bij Sportpark IJburg’ genomen. Hierbij is besloten om een parkeerverbod in te stellen, geldend dagelijks tussen 00.00 uur en 07.00 uur, op de parkeergelegenheid bij Sportpark IJburg, gelegen aan het Dick Hilleniuspad, inclusief de daarop aanwezige algemene gehandicaptenparkeerplaats. Tegen dit besluit hebben eiseressen bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen II en III niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende zijn. Het bezwaar van eiseres I heeft verweerder ongegrond verklaard. Volgens verweerder is het primaire besluit genomen teneinde te voorkomen dat op de parkeervoorziening auto’s blijven staan gedurende de nachtelijke uren, in afwachting van het daaropvolgende moment van openstelling. Er dient volgens verweerder onderscheid gemaakt te worden tussen de fysieke toegang tot de parkeervoorziening en de (juridische) mogelijkheid om te parkeren. De fysieke toegang tot de parkeervoorziening wordt geregeld met een verzinkbare paal. Dit betekent in de praktijk dat de parkeervoorziening feitelijk alleen toegankelijk is op het moment dat er wedstrijden worden gespeeld. Dit staat echter los van het parkeer- en verkeerregime. Het primaire besluit is dan ook niet bedoeld als dekkend regime zodat alleen een nachtelijk parkeerverbod geldt, maar hiermee wordt, los van wanneer verkeer op de parkeervoorziening wordt toegelaten, geregeld dat wordt voorkomen dat er ’s nachts wordt geparkeerd. Gelet hierop wordt aan het bezwaar tegemoetgekomen dat de parkeervoorziening is bedoeld voor de bezoekende sportteams en dat deze alleen opengesteld zou worden wanneer er op het sportterrein wedstrijden worden gespeeld, aldus verweerder.

1.5.

Hiertegen hebben eiseressen gemotiveerd beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader

2. De rechtbank gaat uit van het juridisch kader zoals is neergelegd in de bijlage bij deze uitspraak.

Het beroep van eiseressen II en III

3.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseressen II en III niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar omdat zij geen belanghebbenden bij het primaire besluit zijn.

3.2.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid van dat artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.3.

Het belang van eiseres II is blijkens haar statuten – samengevat weergegeven – het verbreiden van kennis van de ornithologie in het bijzonder en van de natuurlijke historie in het algemeen, en het tegengaan van ontwikkelingen en gebeurtenissen die een bedreiging voor vogels vormen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres II nader toegelicht dat het Diemerpark een belangrijk gebied is voor vogels. Het belang van eiseres III is blijkens haar statuten het vermeerderen van de kennis van de natuur in de ruimste zin en het verbreiden van deze kennis, het aankweken van de belangstelling voor en liefde tot de natuur en het bijdragen aan de natuur- en landschapsbescherming in de ruimste zin. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres III nader toegelicht dat het Diemerpark een belangrijk natuurgebied is.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat uit de statutaire doelstelling van eiseres I blijkt dat haar belang rechtstreeks is betroken bij de in het geding zijnde besluit. De rechtbank is van oordeel dat de statutaire doelen van eiseressen II en III zo veelomvattend zijn dat ze onvoldoende onderscheidend werken om op grond daarvan te kunnen aannemen dat hun belangen rechtstreeks betrokken zijn bij het in het geding zijnde verkeersbesluit. Dat het Diemerpark een belangrijk natuurgebied is voor vogels maakt dit niet anders. Zij kunnen dus niet aangemerkt worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Verweerder heeft eiseres II en III dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De rechtbank zal het beroep van eiseressen II en III ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht.

Het beroep van eiseres I

4.1.

Eiseres I heeft aangevoerd dat de verkeersbesluiten die zijn genomen onvoldoende rechtsbescherming bieden aan individuen en organisaties die gebaat zijn bij een zo beperkt mogelijk gebruikmaken van de parkeervoorziening. De periode waarin het parkeerverbod voor het parkeerterrein geldt, is niet gelijk aan de periode waarin de parkeervoorziening wordt opengesteld. Er bestaat verder geen duidelijkheid over de mogelijke momenten van openstelling van de parkeervoorziening. Eiseres I heeft ter zitting nader toegelicht dat het parkeerterrein ook is opengesteld als er wedstrijden worden ingehaald. Personen die een ontheffing hebben kunnen bovendien ook buiten de wedstrijden om gebruik maken van de parkeervoorziening. Ook bestaat geen duidelijk, transparant besluit over de moment van het omhoog of omlaag zijn van de verzinkbare paal in de [straat] . Ter zitting heeft eiseres tot slot aangevoerd dat er wel tijdens het nachtelijk parkeerverbod wordt geparkeerd en er niet dan wel onvoldoende handhavend wordt opgetreden.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat – hoewel eiseres I in haar beroepschrift spreekt over ‘verkeersbesluiten’ - in deze beroepsprocedure slechts het verkeersbesluit van 8 maart 2016 (het verkeerbesluit) ter beoordeling voorligt. Het verkeersbesluit van 23 november 2015 staat al in rechte vast en valt dus buiten de omvang van dit geding. De zaak gaat dus alleen over het door verweerder ingestelde verbod om dagelijks tussen 00.00 uur en 07.00 uur op het parkeerterrein bij Sportpark IJburg te parkeren.

4.3.

De rechtbank overweegt voorts dat het bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan het bestuursorgaan om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of de afweging van de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig is, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen (zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2650).

4.4.

De vraag die bij de rechtbank derhalve ter toetsing voorligt is of verweerder in redelijkheid het verkeersbesluit heeft kunnen nemen en of dat besluit is genomen met het oog op de in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WvW 1994) genoemde belangen.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Op 23 november 2015 heeft verweerder het verkeersbesluit ‘Sportpark IJburg’ genomen, waarbij de parkeervoorziening is aangewezen als parkeergelegenheid en zijn verschillende verkeersmaatregelen genomen om het beoogde parkeer- en verkeerregime te kunnen realiseren. Het primaire besluit waarbij het verbod is opgelegd om dagelijks tussen 00.00 uur en 07.00 uur te parkeren op het parkeerterrein bij Sportpark IJburg is een aanvulling op het verkeersbesluit van 23 november 2015. Aan het nachtelijk parkeerverbod ligt volgens verweerder een aantal belangen ten grondslag, te weten het instandhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan, alsmede het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden. Immers, zoals uit het dossier blijkt, is de doelstelling dat zo min mogelijk autoverkeer in het park wordt toegelaten en zijn de parkeerplaatsen bedoeld voor de bezoekende sportteams. Het verkeersbesluit is genomen om te voorkomen dat op de parkeervoorziening auto’s blijven staan gedurende de nachtelijke uren, in afwachting van het daaropvolgende moment van openstelling, zodat het gewenst is om op de parkeervoorziening voor bovengenoemd tijdvak een parkeerverbod in te stellen. Voorts heeft verweerder verduidelijkt dat het primaire besluit niet is bedoeld als dekkend regime zodat alleen een nachtelijk parkeerverbod geldt, maar wordt hiermee, los van wanneer verkeer op de parkeervoorziening wordt toegelaten, geregeld dat wordt voorkomen dat er ’s nachts wordt geparkeerd. De fysieke toegang tot de parkeervoorziening wordt voorts geregeld met een verzinkbare paal, die er voor zorgt dat in de praktijk de parkeervoorziening feitelijk alleen toegankelijk is op het moment dat er wedstrijden worden gespeeld. Ter zitting heeft verweerder tot slot toegelicht dat hij geen ruimer parkeerverbod – in die zin dat bepaald wordt dat er een parkeerverbod is buiten wedstrijddagen om – kan instellen, omdat dit volgens hem op grond van de WvW 1994 niet mogelijk is. Bovendien zou dan de sportbond – doordat hij regelt wanneer er wedstrijden zijn – bepalen wanneer er een parkeerverbod geldt. Dat is niet mogelijk, want dat is aan verweerder.

4.6.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bij het verkeersbesluit betrokken belangen zorgvuldig heeft afgewogen en in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het nachtelijk parkeerverbod. In dit verband overweegt de rechtbank dat het verkeersbesluit enkel een aanvulling en sluitstuk is op het eerder genomen verkeersbesluit van 23 november 2015. Met het nachtelijk parkeerverbod als aanvulling op de regulering van de openstelling van het parkeerterrein met de verzinkbare paal en de mogelijkheid tot ontheffingen voor gemotoriseerd verkeer dat noodzakelijkerwijze het sportpark ook buiten de perioden van openstelling van de parkeervoorziening moet kunnen bereiken, is verweerder voldoende tegemoet gekomen aan het belang van eiseres I dat zo min mogelijk autoverkeer in het park wordt toegelaten. Dat wellicht, zoals eiseres I wenst, een ruimer verkeersverbod ingesteld had kunnen worden, maakt niet dat sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn besluit kon komen. De duidelijkheid die eiseres I wenst, namelijk dat inzichtelijk is wanneer er wedstrijden worden gespeeld en wanneer het parkeerterrein is geopend, kan naar het oordeel van de rechtbank niet in het verkeersbesluit worden neergelegd.

4.7.

Met betrekking tot de stelling van eiseres I dat er niet handhavend wordt opgetreden tegen overtreding van het nachtelijk parkeerverbod, overweegt de rechtbank dat dat in deze zaak niet ter beoordeling voorligt. De rechtbank zal hier dan ook verder niet op ingaan. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien eiseres I meent dat sprake is van overtreding van het parkeerverbod, zij verweerder kan verzoeken om handhavend op te treden. Indien eiseres I meent dat verweerder onvoldoende toeziet op de handhaving van het verkeersverbod, dan staan daartegen rechtsmiddelen open voor eiseres I.

5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiseres I ongegrond verklaren. Dat betekent dat het primaire besluit waarbij het nachtelijk parkeerverbod is ingesteld, in stand blijft. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep van eiseressen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, voorzitter, mr. R.B. Kleiss en mr. P. Sloot, leden, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: juridisch kader

In artikel 21 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw) is bepaald dat de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval vermeld welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2,-eerste en tweede lid, van de Wvw van de genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen. Indien tevens andere dan de in artikel 2, eerste en tweede lid, van die wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wvw kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid van de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in standhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, Wvw kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade

alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieu beheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.