Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
AMS 17/3610
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente Uithoorn moet een 19-jarige inwoonster voorlopig nog jeugdhulp in de vorm van pleegzorg en een bijbehorende vergoeding blijven bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/29.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3610

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2017 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats]

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn

(gemachtigde: C.H.L. Bakker).

Partijen worden hierna [verzoeker] en het college genoemd.

Procesverloop

Op 22 mei 2017 heeft het college de aanvraag van [verzoeker] van 5 mei 2017 om een pleegzorgindicatie met terugwerkende kracht tot 1 juli 2016 afgewezen (hierna: het besluit).

[verzoeker] heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een spoedmaatregel (een voorlopige voorziening) te treffen.

Het college heeft schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. [verzoeker] is vertegenwoordigd door [naam] . Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat er aan vooraf ging

1. [verzoeker] is op 9 februari 2016 18 jaar geworden. Tot die tijd was zij onder toezicht gesteld. [verzoeker] woont vanaf haar vijfde jaar in het pleeggezin van [naam] . Na de scheiding van de pleegouders is [verzoeker] samen met haar pleegmoeder [naam] verhuisd. Zij woont bij [naam] . Enkele maanden voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd is een plan van aanpak opgesteld door de gemeente Uithoorn, omdat beslissingen over de toekomst van [verzoeker] moeten worden genomen. In het plan van aanpak wordt geadviseerd:

- de pleegzorg door Spirit te verlengen totdat er een perspectief voor [verzoeker] is geregeld en

- een persoonsgebonden budget (pgb) van 16 uur voor begeleiding extra door de pleegmoeder [naam] toe te kennen. De einddatum van de toe te kennen verstrekking is gesteld op 31 augustus 2016. Dan is er voldoende tijd om met elkaar te kijken wat [verzoeker] na de zomervakantie gaat doen als zij haar diploma heeft gehaald. De klantmanager van de gemeente Uithoorn heeft [naam] bij email van 18 november 2015 hierover geïnformeerd. Het college heeft vervolgens, bij besluit van 1 januari 2016, [verzoeker] een (pgb) toegekend voor jeugdhulp voor de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 augustus 2016 ten bedrage van € 19.906,56. Het betreft pgb begeleiding extra. Per 1 april 2017 is Spirit gestopt met de pleegzorgvergoeding en hulpverlening aan [naam] .

Standpunt college

2. Op 5 mei 2017 heeft [verzoeker] een aanvraag ingediend voor een pleegzorgindicatie met terugwerkende kracht tot 1 juli 2016. Deze aanvraag is met het besluit afgewezen. Het college heeft als standpunt dat [verzoeker] hiervoor niet in aanmerking komt, omdat er geen noodzaak bestaat jeugdhulp te verlenen. Jeugdigen die al bepaalde jeugdhulp ontvingen voor ze achttien werden en waarvan is bepaald dat de voortzetting van deze jeugdhulp noodzakelijk is, kunnen deze tot hun 23ste levensjaar blijven ontvangen. [verzoeker] ontving tot haar achttiende pleegzorg. Dit is een vorm van jeugdhulp. Het college ziet geen noodzaak tot het verlengen hiervan. [verzoeker] heeft namelijk perspectief in de zin van werk. Zij ontvangt ook inkomsten uit dit werk. Ook ontvangt [verzoeker] pleegmoeder een pgb vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) om [verzoeker] individueel te begeleiden. Deze individuele begeleiding wordt niet verricht door een jeugdhulpinstantie. Verder heeft pleegmoeder [naam] aangegeven dat zij geen begeleiding meer nodig heeft en geen hulpvraag meer heeft. Wanneer bij [verzoeker] wel individuele begeleiding noodzakelijk is zou deze begeleiding, gelet op haar leeftijd, verstrekt moeten worden op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo).

Standpunt [verzoeker] / [naam]

3. [verzoeker] en [naam] zijn het niet eens met de afwijzing. Kort gezegd wordt aangevoerd dat [verzoeker] goed functioneert in haar beschermde en vertrouwde omgeving, maar dat zij sociaal-emotioneel erg jong is. [verzoeker] geeft aan dat ze er nog niet aan toe is om beschermd te gaan wonen en dat zij tijd en ruimte nodig heeft om in haar eigen tempo uit te vliegen. De pleegmoeder is de afgelopen periode samen met de jeugdbeschermer en pleegzorgwerker bezig geweest om dit te bewerkstelligen, maar het college vindt het financieel voordeliger dat [verzoeker] beschermd gaat wonen. Vanaf 1 april 2017 komen alle kosten ten laste van de pleegmoeder. [verzoeker] heeft een beperkt inkomen en kan in ieder geval tot haar 21ste niet zelfstandig in haar levensonderhoud voorzien. Daarom vraagt de pleegmoeder pleegzorg toe te kennen.

Beoordeling voorzieningenrechter

4.1.

De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van partijen. In dit geval maakt zij een afweging tussen aan de ene kant het belang van [verzoeker] en [naam] dat zo snel mogelijk weer pleegzorg toegekend wordt en aan de andere kant de belangen van het college bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Als algemeen uitgangpunt geldt dat er geen reden een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit rechtmatig acht.

4.2.

De voorzieningenrechter moet in deze zaak de vraag beantwoorden of in het geval van [verzoeker] sprake is van perspectief zodat er geen noodzaak is voor het verlengen van de pleegzorg.

4.3.

Het college stelt dat [verzoeker] niet onder de Jeugdwet valt, omdat zij inmiddels achttien is en niet valt onder de uitzondering voor voortgezette jeugdhulp voor meerderjarigen. De Jeugdwet bepaalt dat voortgezette jeugdhulp voor meerderjarigen aangewezen kan zijn als daartoe noodzaak bestaat. Om de noodzaak voor voortgezette jeugdhulp voor meerderjarigen te beoordelen, bekijkt het college (via daarvoor aangewezen deskundigen) of de aanvrager perspectief heeft. Op de zitting is duidelijk geworden dat partijen een andere invulling geven aan het begrip perspectief. Het college verstaat onder perspectief voornamelijk het kunnen genereren van een zelfstandig inkomen. [verzoeker] verstaat onder perspectief beschermd wonen. Volgens [verzoeker] is tijdens gesprekken met de gemeente ook steeds gesproken over beschermd wonen, niet over het kunnen verdienen van geld. Volgens [naam] is [verzoeker] nog niet toe aan beschermd wonen, zodat geen sprake is van perspectief, althans niet zoals de gemeente bedoelt.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college een te beperkte invulling geeft aan het begrip perspectief. Uit het dossier (vooral het plan van aanpak van het college) komt (samengevat) naar voren dat [verzoeker] functioneert en presteert op licht verstandelijk beperkt niveau, dat ontwikkelingsmijlpalen verlaat worden bereikt en dat [verzoeker] sociaal-emotioneel kwetsbaar overkomt. [verzoeker] laat ongepast en ongewenst sociaal gedrag zien en heeft behoefte aan een voorspelbare en veilige omgeving waar ze niet wordt overvraagd en waar voldoende aandacht en begeleiding is op sociaal-emotioneel vlak. [verzoeker] is kwetsbaar en beïnvloedbaar en daarom is toezicht belangrijk. Veranderingen zijn moeilijk voor [verzoeker] en zij vraagt veel van [naam] . [verzoeker] heeft ook behoefte aan [naam] en is het liefst bij haar. [verzoeker] geeft duidelijk aan dat zij nog niet toe is aan zelfstandig wonen. Op de zitting heeft [naam] nog toegelicht dat beschermd wonen op dit moment nog geen optie is, maar dat daar naartoe gewerkt wordt. Dit alles maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het enkele feit dat [verzoeker] na het afronden van school met een baan ongeveer € 400, - per maand verdient onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van perspectief en dat er dus geen noodzaak bestaat tot het voortzetten van pleegzorg.

4.5.

Het college zal beter moeten uitleggen waarom er geen noodzaak bestaat om [verzoeker] pleegzorg (tijdelijk) te verlengen nadat zij achttien is geworden. Daarbij moet het college op meer letten dan alleen het vermogen om geld te kunnen verdienen.

Conclusie

5.1.

Bij deze stand van zaken bestaat voor de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter schorst het besluit en bepaalt dat het college [verzoeker] met ingang van 19 juni 2017 (de datum waarop het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan) in aanmerking brengt voor jeugdhulp in de vorm van pleegzorg met bijbehorende vergoeding.

5.2.

Op de zitting bleek dat de Sociale Kamer van de Bezwaarschriftencommissie gemeente Uithoorn op 6 juli 2017 een advies heeft uitgebracht over het gemaakte bezwaar tegen het besluit. Het advies is het bezwaar ongegrond te verklaren. Het college gaf op de zitting aan dat adviezen doorgaans worden gevolgd en dat in dit geval dat vermoedelijk ook zo zal zijn. De motivering van het advies is verder niet wezenlijk anders dan die van het besluit. De te nemen beslissing op bezwaar zal daarom hoogstwaarschijnlijk niet anders zijn dan het besluit. Omdat de beslissing op bezwaar op korte termijn verwacht wordt, zal de voorzieningenrechter niet bepalen dat de voorlopige voorziening eindigt als op het bezwaar is beslist.

5.3.

De voorlopige voorziening eindigt dus alleen als de wet dat bepaalt.1 Dit betekent het volgende. Als [verzoeker] beroep instelt tegen de beslissing op bezwaar, dan blijft de voorlopige voorziening in deze uitspraak van kracht tot de rechtbank uitspraak doet in de beroepsprocedure. Als [verzoeker] dat niet doet, dan vervalt de voorlopige voorziening eerder, namelijk zodra de termijn voor het instellen van beroep tegen de beslissing op bezwaar ongebruikt is verstreken.

5.4.

De voorzieningenrechter benadrukt dat deze voorlopige voorziening een voorlopige maatregel is. De rechtbank is niet gebonden aan het oordeel van de voorzieningenrechter en kan in een eventuele beroepsprocedure dus tot een ander oordeel komen.

5.5.

Ten slotte bepaalt de voorzieningenrechter dat het college het betaalde griffierecht aan [verzoeker] moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het besluit;

  • -

    bepaalt dat het college [verzoeker] met ingang van 19 juni 2017 in aanmerking brengt voor jeugdhulp in de vorm van pleegzorg met bijbehorende vergoeding;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46, - (zegge: zesenveertig euro) aan [verzoeker] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.

de griffier de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

De beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening is definitief: daartegen kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Bijlage

De voorzieningenrechter heeft bij de beoordeling van deze zaak gelet op de volgende regelgeving.

Artikel 1.1 van de Jeugdwet

Onder jeugdige wordt verstaan de persoon die:

1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,

2°. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet:

is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;

vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of

is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 2.3 van de Jeugdwet

1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

2. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.

3. Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, aangewezen is op permanent toezicht en die jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1, onder 2° of 3°, of verpleging als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet ontvangt, treft het college indien naar zijn oordeel noodzakelijk, voorzieningen die de ouders in staat stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen.

4. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:

a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en

b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

5. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp.

6. Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige.

1 Zie artikel 8:85, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.