Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
13/679032-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige man is schuldig aan het veroorzaken van een ongeval met dodelijke afloop op de van Woustraat op 5 mei 2014. Ook wordt hij veroordeeld voor joyriding en het rijden zonder rijbewijs. Taakstraf van 240 uur, ontzegging rijbevoegdheid 18 maanden en voorwaardelijke hechtenis van 2 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/679032-15 (Promis)

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.H. Boersma, en van wat de door verdachte gemachtigde raadsman, mr. L. de Leon, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 5 mei 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de van Woustraat zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen daarvan op 7 mei 2014 is overleden,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de van Woustraat, komende uit de richting van de Amstelkade en gaande in de richting van de Stadhouderskade,

-terwijl verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs,

-terwijl hij, verdachte reed met een een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane snelheid,in ieder geval met een te hoge snelheid ter plaatse,

verdachte is, gekomen ter hoogte van (ongeveer) perceel [nummer] tegen een scooter aangereden en/of aangebotst en/of voor een scooter - die vanaf het trottoir de rijstrook opreed - uitgeweken de trambaan op en/of heeft verdachte (vervolgens) bij de kruising van de van Woustraat met de Rustenburgerstraat, teneinde een fietser te ontwijken, naar rechts gestuurd en/of gas bij gegeven, in elk geval is verdachte de macht over de door hem bestuurde personenauto verloren,

verdachte is vervolgens tegen deze fietser aangereden en/of aangebotst en/of is met de door hem bestuurde personenauto ter hoogte van de Rustenburgerstraat het trottoir opgereden en vervolgens tegen een verkeerspaal met bord aangereden en/of aangebotst waardoor deze verkeerspaal met bord knakte en tegen (het hoofd van) [slachtoffer] is aangekomen, waardoor [slachtoffer] zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen

daarvan is overleden;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair:

hij op of omstreeks 5 mei 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de van Woustraat zich zodanig heeft gedragen dat hierdoor gevaar op die weg werd veroorzaakt bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de van Woustraat, komende uit de richting van de Amstelkade en gaande in de richting van de Stadhouderskade,

-terwijl verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs,

-terwijl hij, verdachte reed met een een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane snelheid,in ieder geval met een te hoge snelheid ter plaatse,

verdachte is, gekomen ter hoogte van (ongeveer) perceel [nummer] tegen een scooter aangereden en/of aangebotst en/of en/of voor een scooter - die vanaf het trottoir de rijstrook opreed - uitgeweken de trambaan op en/of heeft verdachte (vervolgens) bij de kruising van de van Woustraat met de Rustenburgerstraat, teneinde een fietser te ontwijken, naar rechts gestuurd en/of gas bij gegeven, in elk geval is verdachte de macht over de door hem bestuurde personenauto verloren,

verdachte is vervolgens tegen deze fietser aangereden en/of aangebotst en/of is verdachte (vervolgens) met de door hem bestuurde personenauto ter hoogte van de Rustenburgerstraat het trottoir opgereden en vervolgens tegen een verkeerspaal met bord aangereden en/of aangebotst;

(artikel 5 Wegenverkeerswet)

2. hij te Amsterdam op of omstreeks 05 mei 2014 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [naam Stichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Van Woustraat, in elk geval op een weg;

(artikel 11 Wegenverkeerswet)

3. hij op of omstreeks 05 mei 2014 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Van Woustraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

(artikel 107 Wegenverkeerswet)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie rekwireert tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde, omdat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarnaast vordert hij bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, omdat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Ook voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde moet vrijspraak volgen. De verkeerssituatie die op 5 mei 2014 in de Van Woustraat bestond, was anders dan normaal. Vanwege het feit dat het een feestdag betrof, stonden er minder auto’s geparkeerd en was de weg ruimer en dus gemakkelijker om doorheen te rijden. Verdachte had weliswaar geen rijbewijs, maar niet is vastgesteld dat hij het autorijden an sich niet beheerste. Hij heeft met een snelheid tussen de 52 en 62 kilometer per uur gereden en heeft daarmee de toegestane maximumsnelheid slechts beperkt overschreden. Verdachte zou bovendien voor de scooter hebben afgeremd. Uit het dossier is niet gebleken dat hij door alle voornoemde gedragingen zodanig heeft gereden dat dit het verkeersongeval heeft veroorzaakt. Deze gedragingen kunnen daarom niet kwalificeren als een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten worden niet betwist door de verdediging.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Oordeel over het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie en de raadsman – op grond van de wettige bewijsmiddelen van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994

Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) 1994, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (Hoge Raad 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252). Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank stelt vast dat de Van Woustraat, waar verdachte reed, een drukke verkeersader is die wordt gebruikt om van en naar het centrum van Amsterdam te rijden. Ook voor verkeersdeelnemers die de stad niet kennen, is dit een evident drukke straat waar je met gepaste snelheid moet rijden om tijdig op het overige verkeer te kunnen anticiperen. De Van Woustraat bestaat uit één rijbaan. Deze rijbaan is onderverdeeld in vier rijstroken, bestemd voor twee richtingen, waarbij de middelste twee rijstroken worden gedeeld met een tram. Ook rijden aan beide kanten van de weg (snor)fietsers, vanwege het ontbreken van een apart fietspad. Dit brengt met zich dat met name autobestuurders goed op hun hoede dienen te zijn wanneer zij over de Van Woustraat rijden. Dat geldt in het bijzonder voor het tijdstip waarop verdachte zich in de straat bevond, een maandagavond omstreeks 18.15 uur op Bevrijdingsdag; een moment waarop die straat normaal gesproken druk is. In de Van Woustraat geldt een maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, maar dit betekent niet dat die snelheid in zo een drukke straat altijd gepast is, zelfs niet als de straat op de betreffende dag ruimer was, zoals de raadsman bepleit. Uit het rapport van Baan Hofman verkeersongevalsanalyse van 6 juli 2016, dat is opgemaakt met betrekking tot het onderhavige ongeval, volgt dat verdachte een maximum constructiesnelheid had van tussen de 52 en 60 kilometer per uur. Daarmee heeft hij de maximum toegestane snelheid overschreden. Dat hij te hard reed, wordt ook waargenomen door verschillende getuigen. Verdachte kende de omgeving niet en had ook daarom extra voorzichtig moeten zijn. Hij had bovendien geen rijbewijs en mocht dus in het geheel geen personenauto besturen, ongeacht of dit op een drukke of een rustige weg was. Hij heeft zijn bijrijdster, die wel over een rijbewijs beschikte, niet laten rijden omdat hij bang was dat zij de auto niet kon besturen. Hieruit blijkt dat hij zich bewust was van het risico dat zou intreden bij het besturen van een onbekende auto. Verdachte heeft de bewuste keuze gemaakt om deel te nemen aan het verkeer als sterkere weggebruiker in een drukke straat waar zwakkere verkeersdeelnemers zich bevonden, terwijl hij niet aantoonbaar beschikte over de kennis en vaardigheden om een dergelijk voertuig te besturen. Bovendien reed hij daarbij te hard in een voor hem onbekende omgeving. Toen de bestaande verkeerssituatie dit vereiste, heeft hij zijn snelheid niet aangepast, maar heeft hij juist gas bijgegeven om de fietser op de trambaan te ontwijken. Daarmee heeft hij er kennelijk bewust op vertrouwd dat het risico op een verkeersongeval zich niet zou voordoen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat niet is vastgesteld dat verdachte het autorijden an sich niet beheerste, zeker gezien de afstand die hij daarvoor had afgelegd. De rechtbank constateert dat volstrekt onduidelijk is of verdachte over voldoende rijcapaciteiten beschikte. Verdachte verklaart dat hij vaak en goed heeft gereden, maar zijn verklaring wordt op geen enkele wijze ondersteund. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid die verdachte kan worden verweten. Als gevolg van dit verwijtbare handelen heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. [slachtoffer] is aan de gevolgen daarvan op 7 mei 2014 overleden.

4.3.2

Oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie – op grond van de wettige bewijsmiddelen (waaronder de bekennende verklaring van verdachte) van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde joyriding.

4.3.3

Oordeel over het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie – op grond van de wettige bewijsmiddelen (waaronder de bekennende verklaring van verdachte) van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 3 ten laste besturen van een motorrijtuig, zonder dat hem daartoe een rijbewijs was afgegeven.

4.3.4

Bewijs

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte zich, op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen en de hierboven vervatte overwegingen, schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zoals in rubriek 5 weergegeven.

5 Bewezenverklaringen

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

op 5 mei 2014 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, rijdende over de van Woustraat zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, [slachtoffer] , zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen daarvan op 7 mei 2014 is overleden,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de van Woustraat, gaande in de richting van de Stadhouderskade,

-terwijl verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs,

-terwijl hij, verdachte, reed met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane snelheid,

verdachte is, gekomen ter hoogte van (ongeveer) perceel [nummer] tegen een scooter aangereden en/of aangebotst en/of voor een scooter - die vanaf het trottoir de rijstrook opreed - uitgeweken de trambaan op en/of heeft vervolgens bij de kruising van de van Woustraat met de Rustenburgerstraat, teneinde een fietser te ontwijken, naar rechts gestuurd en gas bij gegeven,

verdachte is vervolgens tegen deze fietser aangereden en is met de door hem bestuurde personenauto ter hoogte van de Rustenburgerstraat het trottoir opgereden en vervolgens tegen een verkeerspaal met bord aangebotst waardoor deze verkeerspaal met bord knakte en tegen het hoofd van [slachtoffer] is aangekomen, waardoor [slachtoffer] zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen

daarvan is overleden;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

te Amsterdam op 5 mei 2014 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, personenauto, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Van Woustraat;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 5 mei 2014 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, heeft gereden op de weg, de Van Woustraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder 1 subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 14 dagen, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 maanden. Voor het onder 2 bewezen geachte vordert hij een taakstraf van 32 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 16 dagen. Tot slot vordert hij voor het onder 3 bewezen geachte een hechtenis van 2 weken, met aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat het feit grote impact op verdachte heeft gehad. Voorts zijn ruim 3 jaar verstreken sinds het ten laste gelegde. De raadsman verzoekt de rechtbank met die omstandigheden rekening te houden bij de strafoplegging.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straffen laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig rijgedrag dat heeft geresulteerd in een verkeersongeval, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Hierbij heeft hij een scooter, een fietser en een voetganger, [slachtoffer] , geraakt. [slachtoffer] is aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden.

Het ongeval heeft, zoals blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen emotionele verklaring van de dochter van [slachtoffer] , veel leed bij haar en de andere nabestaanden veroorzaakt. Verdachte was tijdens het politieverhoor weliswaar hevig geëmotioneerd, maar heeft richting de nabestaanden op geen enkele wijze spijt betuigd. Hij lijkt hiermee geen verantwoordelijkheid te nemen voor het verwijt dat hem kan worden gemaakt en te erkennen dat zijn rijgedrag onvoorzichtig en onverantwoord was, zeker nu hij niet over een rijbewijs beschikte.

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde

De rechtbank houdt rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die voor soortgelijke feiten als uitgangspunt worden gehanteerd. Voor het verkeersongeval met een dodelijk slachtoffer, dat te wijten is aan de aanmerkelijke schuld van verdachte, is dit oriëntatiepunt een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.

Volgens zijn raadsman verblijft verdachte op het moment Roemenië, waardoor een mogelijke onvoorwaardelijke straf daarom niet of moeilijk executeerbaar zal zijn. Oplegging van een voorwaardelijke straf doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit en zij zal hiertoe dan ook niet overgaan. Gelet op de oriëntatiepunten zal de rechtbank daarom een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden opleggen. Het is belangrijk dat verdachte niet weer als bestuurder in het verkeer optreedt en de rechtbank hoopt hem met deze straf daar dan ook van te weerhouden. Indien hij dit wel doet in de periode dat de rijontzegging van kracht is, zal dit een misdrijf in de zin van artikel 9 WVW 1994 opleveren.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een hechtenis en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deelgenomen, zonder dat hem daartoe een rijbewijs was verstrekt. Uit zijn strafblad van 12 juni 2017 blijkt dat hij hiervoor al drie keer eerder is veroordeeld, waarvan één veroordeling voor het ten laste gelegde dateert. Hij heeft hiervoor telkens geldboetes opgelegd gekregen. Deze hebben hem er kennelijk niet van weerhouden wederom zonder rijbewijs als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen. Daarom moet een duidelijker signaal volgen. De rechtbank vindt de oplegging van een taakstraf niet wenselijk, gezien de strafoplegging voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Zij vindt een voorwaardelijke hechtenis van twee weken passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 11, 107, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde:

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 18 (achttien) maanden.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Veroordeelt verdachte tot een hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. A.M.F. Huigen en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2017.