Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5159

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
AMS 16/5824
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:602, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam mocht de aanvraag voor een fietstaxivergunning van een ondernemer afwijzen. Volgens de fietstaxiondernemer was zijn aanvraag beoordeeld op basis van criteria die tijdens de aanvraagperiode onvoldoende bekend waren. Hierdoor zou hij geen eerlijke kans hebben gehad om een aanvraag op te stellen die aan de voorwaarden voldeed. De rechtbank oordeelt echter dat de beoordelingscriteria vooraf wel degelijk bekend waren en bovendien voldoende duidelijk door de gemeente waren omschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5824

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Ruijter).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van Alternatief personenvervoer, als bedoeld in artikel 2.51 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: de APV), afgewezen.

Bij uitspraak van 17 mei 20161 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder daarbij opgedragen om eiser toe te staan zijn fietstaxi met ingang van 1 april 2016 tot zes weken na het nemen van een beslissing op bezwaar te exploiteren.

Bij besluit van 29 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 14 oktober 20162 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder daarbij opgedragen om eiser toe staan zijn fietstaxi te exploiteren totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van 17 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen, de heer [naam] .

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Feiten

Voorgeschiedenis.

2. Eiser is sinds 2008/2009 actief als fietstaxichauffeur en exploiteert, onder de naam van het eenmansbedrijf [bedrijfsnaam] , een fietstaxi. Hij beschikte in de vergunningperiode van 1 april 2013 tot en met 31 maart 2016 over een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van Alternatief personenvervoer, als bedoeld in artikel 2.51 van de APV (hierna: een vergunning). Ook over de periode 2013 - 2016 bestond een vergunningenplafond en is de vergunning verleend na een vergelijkende toets.

Aanvraag eiser, het primaire besluit en het bestreden besluit

3.1.

Gedurende de periode van 1 december 2015 tot en met 15 januari 2016 stond de mogelijkheid open tot het indienen van een aanvraag om een fietstaxivergunning voor de vergunningperiode 1 april 2016 tot 1 april 2019 (hierna: de vergunningperiode). Op 1 januari 2016 heeft eiser een aanvraag om een enkelvoudige fietstaxivergunning voor de vergunningperiode ingediend (hierna: aanvraag). Bij deze aanvraag heeft eiser, naast een aanvraagformulier, een formulier ‘Vergelijkende toets: vergunningaanvraag APV

(1 voertuig)’ (hierna: VT-formulier) ingediend, waarop eiser verschillende onderwerpen, gecategoriseerd in onderdelen, schriftelijk heeft toegelicht.

3.2.

Bij het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat aan eisers aanvraag bij de vergelijkende toets onvoldoende punten zijn toegekend om, gelet op het vergunningenplafond, in aanmerking te komen voor een fietstaxivergunning.

3.3.

Voor de vergunningperiode zijn 132 aanvragen voor enkelvoudige en meervoudige fietstaxivergunningen ingediend voor in totaal 432 fietstaxi’s. Aan de aanvraag van eiser is een score van 235 van de 300 punten toegekend (78,33%), waardoor eisers aanvraag, na een vergelijking met de scores van de andere aanvragen, op nummer 45 van de ranglijst is geplaatst. De fietstaxivergunning voor de 100e fietstaxi is verleend aan de aanvrager op nummer 35 van de ranglijst. Aan die aanvraag is een score van 325 van de 400 punten toegekend (81,25%).

Beleidsdoelstellingen, vergunningenplafond en vergelijkende toets ten tijde van de vergunningperiode

4.1.

Op grond van artikel 2.51, derde lid, van de APV kan het college de vergunning weigeren (of intrekken) als het vervoer:

a. gevaar oplevert voor de veiligheid van de passagiers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer;

b. hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat;

c. een nadelige invloed heeft op het milieu;

d. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte of

e. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien daarvan.

4.2.

Voor de vergunningperiode 1 april 2016 tot 1 april 2019 is artikel 2.51 van de APV uitgewerkt in het Uitvoeringsbeleid Alternatief personenvervoer 2016 (hierna: het Uitvoeringsbeleid). Verweerder heeft een concept van dit Uitvoeringsbeleid op 7 april 2015 vrijgegeven voor inspraak, waarna van 8 april 2015 tot en met 19 mei 2015 inspraakreacties konden worden ingediend. Alle vergunninghouders uit de periode 2013 - 2016 zijn bij
e-mailbericht van 8 april 2015 en bij brief van 17 april 2015 van deze inspraakmogelijkheid op de hoogte gebracht. Verweerder is op de inspraakreacties ingegaan in de Nota van Beantwoording van 15 september 2015. Op dezelfde datum is het Uitvoeringsbeleid vastgesteld. Het Uitvoeringsbeleid is gepubliceerd, onder meer op de website van de gemeente Amsterdam, en is in werking getreden op 1 april 2016.

4.3.

Het college beoogt ten aanzien van het Alternatief personenvervoer een aantal beleidsdoelstellingen te bevorderen, namelijk: het aanbieden van milieuvriendelijke vormen van personenvervoer op korte afstand, continuïteit en kwaliteit in de dienstverlening voor vergunninghouders en gebruikers en het voorkomen van overlast.3 Het maximaal aantal te vergunnen fietstaxi’s (categorie ‘fietsen met of zonder trapondersteuning’) is vanaf

1 april 2016 vastgesteld op 100.4 Er worden maximaal 10 fietstaxi’s vergund aan de aanvrager van een meervoudige vergunning.5 Gelet op de toelichting van het beleid wordt met het vergunningenplafond beoogd de overlast van andere gebruikers van de openbare ruimte te voorkomen. Uit de evaluatie, die is uitgevoerd door Ecorys over de periode 2013 - 2015, is gebleken dat in de praktijk het Alternatief personenvervoer in de vorm van fietstaxi’s voor overlast zorgt.6

4.4.

Indien voor een type voertuig een vergunningenplafond geldt, wordt een vergelijkende toets uitgevoerd aan de hand van vastgestelde criteria.7 Deze vergelijkende toets bestaat uit drie onderdelen.8 In fase A wordt beoordeeld of de bij de aanvraag gevoegde bijlage, waarin de gegevens worden gevraagd voor het beoordelen van de vergelijkende toets, voldoet aan de indieningsvereisten. In fase B wordt aan de hand van de overgelegde gegevens en op basis van criteria uit Bijlage I van het Uitvoeringsbeleid (hierna: de Bijlage) aan een aanvraag om een enkelvoudige fietstaxivergunning een score van 0 tot 300 punten toegekend en aan een aanvraag om een meervoudige fietstaxivergunning een score van 0 tot 400 punten. In fase C wordt, afhankelijk van de ruimte die het vergunningenplafond biedt, aan de aanvraag die in fase B het hoogst heeft gescoord een vergunning verleend. De aanvragen die voldoen aan de minimale score zoals bedoeld in de Bijlage, maar als gevolg van schaarste worden afgewezen, worden geplaatst op een ranglijst (fase D). Bij een vrijgekomen plaats wordt aan de hoogst scorende aanvraag een vergunning verleend voor zover het vergunningenplafond hiervoor ruimte biedt.

4.5.

In de Bijlage wordt vermeld dat de vergelijkende toets er vooral op is gericht om de vergunningen voor maximaal 100 fietstaxi’s toe te kennen aan de aanvragers die het meest bijdragen aan de gemeentelijke doelstellingen, zoals neergelegd in het Uitvoeringsbeleid. Het VT-formulier is daarom opgebouwd uit vier onderdelen, namelijk:

A. Veiligheid en uitstraling;

B. Normen en waarden;

C. Kwaliteitspunten om de professionaliteit van de dienstverlening te waarborgen en

D. Borging, interne controle en klachtenafhandeling.

In de Bijlage zijn voor elk onderdeel op het VT-formulier het doel, de juridische basis, de criteria en de meetpunten benoemd. Per onderdeel zijn 100 punten te behalen, waarbij onderdeel D alleen van toepassing is op een aanvraag om een meervoudige fietstaxivergunning. Er is ook een toelichting bij het VT-formulier.

4.6.

De wijze waarop verweerder de aanvraag van eiser heeft beoordeeld is neergelegd in een beoordelingsformulier, dat als bijlage aan het primaire besluit is gehecht. De beoordeling is uitgevoerd door een ambtelijke commissie van verweerder. In het beoordelingsformulier is per onderdeel van het VT-formulier het aantal behaalde punten opgenomen, met daarbij een korte motivering indien niet het maximum te behalen punten is behaald.

De gronden van beroep en de beoordeling door de rechtbank

Zijn de beoordelingscriteria en -aspecten ten onrechte niet van tevoren bekend gemaakt?

5.1.

Eiser voert – samengevat – aan dat er in het beoordelingsformulier wordt verwezen naar (sub)onderdelen die niet specifiek in het Uitvoeringsbeleid of in het VT-formulier zijn neergelegd. Een normaal oplettende aanvrager mocht er volgens eiser van uitgaan dat alle voor de beoordeling van de aanvraag van belang zijnde (sub)criteria in het beleid van verweerder waren neergelegd. Nu voorafgaand aan de aanvraagperiode niet voldoende kenbaar was op welke wijze een aanvraag zou worden beoordeeld en aan de hand van welke (sub)criteria, heeft eiser naar eigen zeggen geen reële mededingingskans gekregen, omdat hij zijn aanvraag daar niet voldoende op heeft kunnen afstemmen.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een schaarse vergunning die tijdelijk wordt verleend. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 november 20169 volgt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan potentiële gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunningen mee te dingen. Met andere woorden is het bestuursorgaan verplicht om mededingingsruimte te bieden. Deze rechtsnorm is gebaseerd op het formele gelijkheidsbeginsel; het beginsel van gelijke kansen. Deze rechtsnorm sluit echter geen enkele verdelingsprocedure uit. De verplichting om mededingingsruimte te bieden, kan worden beperkt door het wettelijk voorschrift dat in de schaarse vergunning voorziet. Een zodanige beperking kan evenwel niet zover gaan dat iedere mededingingsruimte volledig wordt uitgesloten. Het bestuur moet ten einde het beginsel van gelijke kansen te realiseren wel een ‘passende mate van openbaarheid’ garanderen met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria. Dat brengt met zich dat het bestuur voorafgaand aan het begin van de aanvraagprocedure duidelijkheid moet scheppen over de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdeelprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria en dat de formulering van de verdeelregels zodanig moet zijn dat aanvragers hun aanvraag hier op kunnen afstemmen.

5.3.

De verplichting om mededingingsruimte te bieden is beperkt door het wettelijk voorschrift dat in de schaarse vergunning voorziet, in dit geval artikel 2.51 van de APV. Niet in geschil is dat verweerder voldoende duidelijkheid heeft gegeven over de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdeelprocedure en het aanvraagtijdvak. Het geschil richt zich in het bijzonder op de (sub)criteria, oftewel de meetpunten aan de hand waarvan de vergelijkende toets is uitgevoerd. De in de vergelijkende toets te beoordelen criteria zijn gegroepeerd in onderdelen en de daarbij behorende meetpunten (inclusief het totaal aantal per meetpunt te scoren punten) zijn neergelegd in de Bijlage. Eiser klaagt er echter over dat de daadwerkelijke beoordeling van de aanvraag en het VT-formulier is geschied aan de hand van een door verweerder toegepast beoordelingsstramien, dat weliswaar is opgenomen in het beoordelingsformulier, maar niet vooraf is gepubliceerd. Eiser kreeg deze pas te zien bij ontvangst van het primaire besluit en het bijgevoegde beoordelingsformulier.

5.4.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de beoordelingscriteria en -aspecten helder zijn geformuleerd in het voor de aanvraagperiode gepubliceerde Uitvoeringsbeleid en de Bijlage. De beoordelingscriteria zijn van een toelichting voorzien. Daar komt bij dat er voorlichtingsbijeenkomsten zijn georganiseerd en potentiële aanvragers op die bijeenkomsten vragen mochten stellen en inspraak hadden. Nu deze beoordelingscriteria voldoende duidelijk zijn omschreven en deze voorafgaand aan de aanvraagperiode kenbaar waren, kon eiser zijn aanvraag hier op afstemmen. Op het beoordelingsformulier zijn een aantal onderdelen onderverdeeld in subcriteria en zijn per subcriterium indicatoren opgenomen voor het toekennen van een bepaalde (maximale) score op dat betreffende subcriterium. Indien een aanvraag volgens verweerder op een bepaald subcriterium in voldoende mate voldeed aan de in het beoordelingsstramien opgenomen indicator, kon op dat subcriterium het volgens die indicator bepaalde (maximale) aantal punten worden gescoord. Het beoordelingsstramien dat is opgenomen in het beoordelingsformulier dient voor verweerder als hulpmiddel bij het beoordelen, in de zin van het waarderen in scores in welke mate een aanvraag aan de beoordelingscriteria voldoet.

5.5.

De rechtbank verwerpt de stelling van eiser dat verweerder achteraf ‘extra’ beoordelingscriteria heeft toegevoegd. De uitwerking van de beoordelingscriteria in het beoordelingsformulier vormt slechts een verfijning om de score nader te motiveren. De uitwerking leidt niet tot wijziging van criteria en bevat verder ook geen elementen die, waren zij bekend geweest bij de voorbereiding van de aanvragen, die voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden. De rechtbank vindt dan ook niet dat het beoordelingsstramien, zoals neergelegd in het beoordelingsformulier, vooraf bekend had moeten worden gemaakt. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in de uitspraak van de Afdeling van 24 april 201310 en in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 21 december 201111. Ook in meer recente juridische publicaties wordt de opvatting gehuldigd dat een verfijning van de beoordelingscriteria en -aspecten na de aanvraagprocedure niet is uitgesloten.12 Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat in dit geval de toepasselijke beoordelingscriteria voor eiser onvoldoende transparant zijn geweest. In het navolgende zal de rechtbank overigens nog op dit aspect ingaan naar aanleiding van specifieke bezwaren van eiser tegen de beoordeling van zijn aanvraag en de aan hem toegekende puntenscore.

Beoordeling beoordelingscriteria door verweerder in de vergelijkende toets

6.1.

Eiser voert voorts aan dat zijn aanvraag door verweerder op een aantal onderdelen op een onjuiste wijze is beoordeeld en dat verweerder de beoordeling, in de zin van het toekennen van punten, mede gelet op de beoordeling van andere aanvragen, niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling van de aanvragen aan de hand van de beoordelingscriteria en de waardering daarvan in een score ertoe leidt dat deze aanvragen onderling vergelijkbaar worden. Bij de beoordeling en waardering komt verweerder beoordelingsvrijheid toe. Dit brengt mee dat de toetsing van een besluit op een aanvraag om een fietstaxivergunning door de rechter met een zekere mate van terughoudendheid dient te worden verricht. Dit neemt niet weg dat een dergelijk besluit van een inzichtelijke motivering dient te worden voorzien, waarbij recht wordt gedaan aan de beoordelingscriteria, zoals die in dit geval voortvloeien uit het Uitvoeringsbeleid. Eerst op die wijze wordt inzicht verkregen in de beoordeling die aan de voorliggende besluitvorming ten grondslag ligt en is toetsing mogelijk van het standpunt van verweerder dat de aanvraag van eiser, na het uitvoeren van de vergelijkende toets, onvoldoende punten scoort om in aanmerking te komen voor een fietstaxivergunning.

6.3.

Verweerder heeft de aanvragen uitsluitend beoordeeld op basis van de inhoud van de VT-formulieren en eventueel daarbij gevoegde bijlagen, voor zover hiernaar expliciet in de VT-formulieren is verwezen. Deze wijze van beoordelen volgt uit het beoordelen van de aanvragen middels het uitvoeren van een vergelijkende toets. De rechtbank acht dit een juiste gang van zaken. De aanvrager is daarbij zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het in te dienen VT-formulier. In de toelichting op het VT-formulier is benadrukt dat de vragen in dat formulier door de aanvrager volledig moeten worden beantwoord en dat het ontbreken van gegevens tot een minder hoge score zal leiden.

De toegekende score op het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’

7.1.

Verweerder heeft beoordeeld of eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Veiligheid en uitstraling van het voertuig’. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat een aanvrager daarbij dient te beschrijven waarop onderhoud wordt gepleegd, de frequentie van het onderhoud, de verhouding groot versus periodiek onderhoud, de met betrekking tot het onderhoud gevoerde administratie en de schriftelijke vastlegging daarvan. Voor het beschreven onderhoudsplan is een score van 0 tot 50 punten voorzien.

7.2.

Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘A.1 Beschrijving onderhoudsplan’ het volgende vermeld: “Onderhoud doe ik zelf en ook Devi Comfort te Obdam. De fietstaxi of riksja is dagelijks controleert door mij voor het weg rijden. Nieuwe riksja onderdelen zijn anticipatief besteld, de facturen met data waarvan aan mijn administratie zijn toegevoegd.”

7.3.

Uit het beoordelingsformulier blijkt dat verweerder voor de maximale puntentoekenning van 50 punten het subcriterium heeft verdeeld in vijf onderdelen waarbij voor ieder onderdeel maximaal 10 punten kunnen worden toegekend, te weten:

A1a: Vermelden van de manier waarop het onderhoud georganiseerd is;

A1b: Vermelden hoe en hoe vaak het onderhoud op de fietstaxi’s wordt gecontroleerd;

A1c: Minimale frequentie; één keer per jaar groot onderhoud en daarnaast periodiek;

A1d: Vermelden hoe het onderhoud administratief wordt bijgehouden;

A1e: Schriftelijke vastlegging van het gepleegde onderhoud.

7.4.

Voor het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ is aan eiser een score van 15 van de 50 punten toegekend. Verweerder heeft deze score van 15 punten in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd:

A1a: 10 punten.

A1b: 0 punten omdat er niet is beschreven welke onderdelen van de fietstaxi gecontroleerd worden en hoe vaak dit plaatsvindt.

A1c: 5 punten omdat er niet is beschreven dat minimaal één keer per jaar groot onderhoud plaatsvindt.

A1d: 0 punten omdat er niet is beschreven waar het uitgevoerde onderhoud wordt genoteerd en geen voorbeeld is gegeven van de wijze waarop het onderhoud wordt geregistreerd (bv onderhoudskaart o.i.d.).

A1e: 0 punten omdat er niet is beschreven dat er sprake is van een schriftelijke (of elektronische) vastlegging van het gepleegde onderhoud.

7.5.

Eiser stelt dat ten onrechte aan hem voor dit subcriterium slechts een score van 15 van de 50 punten is toegekend, terwijl hij in het VT-formulier heeft beschreven dat hij het onderhoud zelf doet, dat Devi Comfort te Obdam hier ook een bijdrage aan levert, dat hij dagelijks een controle uitvoert, dat hij anticipatief onderdelen bestelt en dat hij in zijn administratie (middels facturen met data) bijhoudt welke onderdelen zijn vervangen. Van eiser kan niet worden verlangd dat hij in het VT-formulier elk onderdeel van zijn fietstaxi zou benoemen. Daarnaast voert eiser aan dat er op het onderdeel A1b in elk geval een score van 5 punten had moeten worden toegekend voor de door eiser beschreven frequentie. Eiser heeft immers op het VT-formulier ingevuld dat hij zijn fietstaxi dagelijks controleert. Tot slot voert eiser aan dat op de onderdelen A1d en A1e een score van 0 van de 20 punten is toegekend, terwijl eiser zijn onderhoud goed op orde heeft en uit de facturenadministratie blijkt dat er wel degelijk sprake is van een schriftelijke vastlegging van het gepleegde onderhoud. Volgens eiser valt bovendien niet in te zien wat het onderscheid is tussen noteren, registreren en schriftelijk vastleggen.

7.6.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op het VT-formulier voor dit subcriterium een te summiere en niet specifieke beschrijving heeft gegeven. Gelet op de in de Bijlage genoemde meetpunten had eiser volgens verweerder in ieder geval moeten beschrijven het onderhoudsplan, de frequentie van groot en periodiek onderhoud, de administratie en de schriftelijke vastlegging. Ten aanzien van onderdeel A1b stelt verweerder dat niet duidelijk is ten aanzien van welke onderdelen onderhoud plaatsvindt. De beschrijving dat onderhoud dagelijks plaatsvindt, is niet voldoende om voor de maximale puntenscore in aanmerking te komen, aldus verweerder. Ten aanzien van onderdeel A1c stelt verweerder dat eiser niet heeft beschreven dat minimaal één keer per jaar groot onderhoud plaatsvindt en dat eiser niet heeft geconcretiseerd hoe zijn onderhoud is georganiseerd, maar enkel heeft aangegeven dat hij zelf zijn fietstaxi controleert voor het wegrijden. Ten aanzien van onderdeel A1d stelt verweerder dat door het opnemen van facturen van onderdelen (die anticipatief zijn besteld) aan een administratie, onvoldoende geborgd is dat het algehele onderhoud van de fietstaxi op schriftelijke of digitale wijze is vastgelegd. Zo blijft op basis van een administratie van facturen onduidelijk welke onderdelen gecontroleerd zijn, aldus verweerder. Ten aanzien van onderdeel A1e stelt verweerder dat eiser niet heeft beschreven dat het gepleegde onderhoud schriftelijk is vastgelegd. Het toevoegen van facturen aan de administratie is volgens verweerder geen vorm van schriftelijke of digitale vastlegging van het onderhoud. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat de facturen van onderdelen niet per definitie over het onderhoud gaan, maar over het bestellen van onderdelen. Deze facturen van onderdelen behoren tot de totale onderhoudsadministratie, aldus verweerder ter zitting. In het algemeen heeft verweerder over het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ ter zitting nog toegelicht dat van een aanvrager werd verwacht dat deze met het invullen van het VT-formulier inzicht gaf in wanneer en hoe er onderhoud aan de fietstaxi werd gepleegd.

7.7.

Uit de Bijlage blijkt dat verweerder beoordeelt op frequentie van het onderhoud. Op basis van, onder meer, dit criterium vindt de vergelijking plaats. Van eiser, op wiens weg het ligt zijn aanvraag te onderbouwen, kon verwacht worden dat hij, gelet op de in de bijlage genoemde meetpunten, goed zou beschrijven waarop onderhoud wordt gepleegd, de frequentie van het onderhoud, de verhouding groot versus periodiek onderhoud, de met betrekking tot het onderhoud gevoerde administratie en de schriftelijke vastlegging daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 7.6. is opgenomen, in redelijkheid kunnen motiveren dat eiser op het VT-formulier onvoldoende specifiek en te summier heeft beschreven hoe (de controle op) het onderhoud plaatsvindt, op welke onderdelen (en met welke frequentie) onderhoud wordt gepleegd is en hoe het groot onderhoud plaatsvindt en wat de frequentie daarvan is. Ook de motivering van verweerder dat de beschrijving van eiser in het VT-formulier ten aanzien van de administratieve vastlegging van het gepleegde onderhoud (de onderdelen A1d en A1e) ontoereikend is, is niet onbegrijpelijk. Eiser heeft in het VT-formulier immers enkel beschreven dat hij de facturen van de anticipatief bestelde onderdelen aan zijn administratie toevoegt, waarmee eiser niet heeft beschreven hoe het totale onderhoud administratief wordt bijgehouden. Op basis van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder toereikend heeft gemotiveerd waarom aan eiser op voor het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ een score van 15 van de 50 punten is toegekend.

De toegekende score op het subcriterium ‘Veiligheid en uitstraling van voertuig en bestuurder(s)’

8.1.

Verweerder heeft beoordeeld of eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Beoordeling uiterlijk voertuig/representativiteit bestuurder'. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat de beoordeling daarbij zag op de elementen uniformiteit, schoon, schadevrij en representativiteit. In deze meetpunten worden de volgende beoordelingscategorieën en de daarbij behorende scores genoemd: uitstekend (25 punten), goed (15 punten), gemiddeld (10 punten) en onvoldoende (0 punten).

8.2.

Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘A.2 Veiligheid en uitstraling voertuig en bestuurder(s)’ het volgende vermeld: “Ik ben de enige chauffeur van deze fietstaxi sinds september 2009. Veiligheid: Devi Comfort in Obdam geeft garantie van hun onderdelen aangebracht aan mijn fietstaxi. Uitstraling: 4 foto’s van deze fietstaxi zijn per email aan apv@amsterdam.nl op 1 januari 2016 verstuurd. Verder is een video reportage gemaakt van deze fietstaxi en kan worden gezien op de grootste nieuws bron ter wereld, Reuters; [bedrijfsnaam] p.s./Update: zonnepanelen zijn inmiddels van deze fietstaxi weggehaald vanwege kortsluiting en worden niet meer opgeplaatst. De dak van deze fietstaxi is nu doorzichtig een geeft een panorama voor de passagiers.”

8.3.

Voor dit subcriterium is aan eiser een score van 20 van de 25 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: “Voertuig schoon (5) en schadevrij (5), professionele (vaste) verlichting voor- en achter (5), professionele tariefkaart / niet-handgeschreven (5). Geen bedrijfskleding op foto’s of omschreven.”

8.4.

Eiser voert aan dat nergens in het Uitvoeringbeleid of in het VT-formulier is genoemd dat voor het hebben van bedrijfskleding maximaal 5 punten wordt toegekend. Bovendien voert eiser dat bij een enkelvoudige vergunninghouder bedrijfskleding niet aan de orde kan zijn.

8.5.

Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat het kunnen toekennen van een score van 5 punten voor het hebben van bedrijfskleding geen wijziging van de beoordelingscriteria betreft, maar dat dit een precisering is van het beoordelingscriterium ‘beoordeling uiterlijk voertuig/representativiteit van bestuurder’. Voorts stelt verweerder dat het element ‘bedrijfskleding’ niet in de Bijlage is genoemd, maar dat in deze Bijlage wel het doel van de toetsing van het beoordelingscriterium ‘Beoordeling uiterlijk voertuig/representativiteit bestuurder’ is aangegeven, namelijk dat gekeken wordt naar de uitstraling van de fietstaxi’s en de representativiteit van de bestuurders als visitekaartje van de stad. Voor het hebben van bedrijfskleding, wat in dit kader niet verplicht is, kan een score van 5 punten worden toegekend, aldus verweerder. Indien op grond van het bij de aanvraag ingezonden fotomateriaal kan worden vastgesteld dat de bestuurder er representatief uitziet, kan dit volgens verweerder ook leiden tot het toekennen van een score van 5 punten.

8.6.

Verweerder heeft nader gemotiveerd dat de ondernemer in zijn aanvraag, behalve middels bedrijfskleding, ook op een andere wijze aan kan geven oog te hebben voor de representativiteit van de bestuurder en ook in dat geval in de categorie ‘uitstekend’ kan worden geplaatst. Deze nadere uitwerking vormt naar het oordeel van de rechtbank geen extra beoordelingscriterium, maar een nadere uitwerking van het beoordelingscriterium ‘Beoordeling uiterlijk voertuig/representativiteit bestuurder’. Van een normaal oplettende aanvrager, gelet op het betreffende beoordelingscriterium en de in de Bijlage genoemde meetpunten, kon verwacht worden deze uitwerking te begrijpen en op deze manier te interpreteren, zodat een aanvraag hier op afgestemd kon worden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de door eiser bij zijn aanvraag ingezonden foto’s (waarbij eiser op één foto als bestuurder van zijn fietstaxi staat afgebeeld), zonder nadere toelichting hieromtrent door eiser in het VT-formulier, in redelijkheid geen aanleiding geven om te oordelen dat eiser bedrijfskleding draagt of er zodanig representatief uitziet, dat plaatsing in de categorie ‘uitstekend’ op zijn plaats was. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 8.5. is vermeld, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd waarom voor het subcriterium ‘Veiligheid en uitstraling voertuig en bestuurder(s)’ een score van 20 van de 25 punten is toegekend.

De toegekende score op het subcriterium ‘Aanwezigheid reclame’

9.1.

Verweerder heeft beoordeeld of eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Beoordeling van (mogelijke) reclame op het voertuig’. In de in de Bijlage genoemde meetpunten worden de volgende beoordelingscategorieën en de daarbij behorende scores genoemd: geen reclame (15 punten), significant aanwezige reclame (5 punten) en overheersende reclame, bijvoorbeeld gehele achterzijde voertuig (0 punten).

9.2.

Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘A.4 Reclame’ het volgende vermeld: “In de praktijk is dit item niet echt van toepassing in mijn geval; omdat ik slechts 1 fietstaxi heb ben ik voor reclame niet benaderd. Ik doe reclame voor [bedrijf] te Amsterdam in wisseling voor eventuele gratis schade reparatie aan mijn fietstaxi met een jaarlijks gratis verse lak verf op de fietstaxi cabine maar het is nu onbekend of deze reclame in april 2016 verlengd wordt.”

9.3.

Voor dit subcriterium is door verweerder een score van 10 van de 15 punten toegekend omdat eiser is geplaatst in de categorie A4b “reclame op representatieve wijze aangebracht”. Ter motivering heeft verweerder verwezen naar hetgeen eiser over reclame op het VT formulier heeft vermeld.

9.4.

Eiser stelt dat er ten aanzien van dit subcriterium ten onrechte punten in mindering zijn gebracht in verband met toegestane reclame. Eiser voert hiertoe aan dat hij op het VT-formulier heeft beschreven dat reclame in de praktijk niet echt op hem van toepassing en dat nog niet bekend is of hij reclame voert vanaf 1 april 2016. Ter zitting stelt eiser dat uit het VT-formulier niet blijkt dat hij vanaf 1 april 2016 daadwerkelijk reclame gaat voeren. Daarnaast voert eiser aan dat het alleen toekennen van de maximale score bij totale afwezigheid van reclame onredelijk is, nu reclame kan bijdragen aan een gezonde bedrijfsvoering, zonder dat dit afbreuk doet aan de representativiteit of uitstraling van de fietstaxi. Bovendien heeft eiser naar eigen zeggen een uitzonderlijk nette fietstaxi en is er geen sprake van hindering of overheersing door de reclame op zijn fietstaxi. Eiser voert immers geen significant aanwezige, maar bescheiden reclame – zoals ook uit de door eiser bij zijn aanvraag ingezonden foto’s blijkt – waardoor de maximale score aan eiser had moeten worden toegekend. Tot slot voert eiser aan dat verweerder voorafgaand aan de aanvraagperiode onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de toekenning van punten voor dit subcriterium. Dit omdat in het beoordelingsformulier de beoordelingscategorie ‘Reclame op representatieve wijze aangebracht (10 punten)’ omvat, terwijl deze beoordelingscategorie niet in het Uitvoeringsbeleid is genoemd. Deze beoordelingscategorie is volgens eiser later – na afloop van de aanvraagperiode – bedacht.

9.5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de actuele situatie zoals blijkt uit het VT-formulier en de bij de aanvraag ingezonden foto’s is beoordeeld. De bij eisers aanvraag ingezonden foto’s tonen een beeltenis van [bedrijf] op de zijkant van de fietstaxi. Eiser stelt dan ook ten onrechte dat er ten aanzien van dit subcriterium ten onrechte punten in mindering zijn gebracht

9.6.

Verweerder heeft het subcriterium ‘Aanwezigheid reclame’ uitsluitend beoordeeld op basis van de inhoud van het VT-formulier en de daarbij gevoegde foto’s. Deze wijze van beoordeling is reeds in rechtsoverweging 6.3. door de rechtbank als juist bestempeld. Gelet hierop was verweerder bij de beoordeling van dit subcriterium dan ook niet gehouden rekening te houden met de door eiser in het VT-formulier beschreven onzekerheid aangaande de aanwezigheid van reclame op zijn fietstaxi vanaf 1 april 2016. De rechtbank stelt vast dat op één van de overgelegde foto’s de fietstaxi van eiser staat afgebeeld met daarop een beeltenis van [bedrijf] . Uit de Bijlage van het Uitvoeringsbeleid (welke vooraf is gepubliceerd) blijkt dat alleen de maximale score van 15 punten zou worden toegekend indien er sprake is van geen reclame. Bij ‘significante reclame’ vermeldt de Bijlage dat 5 punten worden toegekend. Verweerder heeft eiser voor het subcriterium ‘Aanwezigheid reclame’ een puntenscore toegekend, die niet voorafgaand aan de aanvraagperiode bekend was gemaakt in de Bijlage, namelijk een score van 10 omdat de reclame op een representatieve wijze is aangebracht. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt het door verweerder aan eiser toekennen van deze puntenscore van maatwerk bij de beoordeling van de situatie van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan eiser voor het subcriterium ‘Aanwezigheid reclame’ dan ook toereikend gemotiveerd waarom een score van 10 van de 15 punten aan eiser is toegekend.

De toegekende score op het subcriterium ‘Stratenkennis over Amsterdam’

10.1.

Verweerder heeft beoordeeld of eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Borging stratenkennis’. In dat kader heeft verweerder de stratenkennis van de bestuurder(s) beoordeeld. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat een aanvrager de stratenkennis van de bestuurder(s) dient te beschrijven.

10.2.

Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘C.3 Stratenkennis bestuurder’ het volgende vermeld: “Ik werk als fietstaxi chauffeur in Amsterdam zonder onderbreking sinds juni 2008 en heb altijd de weg kunnen vinden, of uit ervaring of door mede van google maps op mijn smart phone. Ook heb ik een landkaart in mijn fietstaxi koffer indien de smart phone niet werkt.”

10.3.

Voor dit subcriterium is aan eiser een score van 10 van de 20 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: “Geen beschrijving van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. (0 pt)” en “Meer dan 3 jaar ervaring”.

10.4.

Eiser voert aan dat het niet duidelijk is wat in het Uitvoeringsbeleid of in het
VT-formulier wordt bedoeld met stratenkennis, anders dan het beschrijven hoe deze kennis is opgedaan en hoe deze wordt geborgd. Eiser stelt hiertoe dat uit het Uitvoeringsbeleid of het VT-formulier niet de eis blijkt dat een aanvrager zijn stratenkennis etaleert door een opsomming te geven van de belangrijkste straten en hotspots, waardoor het ontbreken van een dergelijke opsomming hem niet kan worden tegengeworpen. Deze kennelijke eis draagt volgens eiser overigens op geen enkele wijze bij aan de kwaliteit van de dienstverlening. Hoe dan ook, eiser heeft naar eigen zeggen, gelet op zijn jarenlange ervaring, meer dan voldoende stratenkennis. Daarnaast voert eiser aan dat het onbegrijpelijk is dat hij wel een score van 10 punten ontvangt voor ‘Aantoonbare ervaring van Amsterdamse stratenkennis bij de bestuurder(s)’, maar dat aan hem geen punten zijn toegekend voor ‘ Beschrijving van de Amsterdamse stratenkennis bij de bestuurder(s)’.

10.5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ten aanzien van het subcriterium ‘Beschrijving van de Amsterdamse stratenkennis bij de bestuurder(s)’, in het licht van het beoordelingscriterium, op het VT-formulier een te summier antwoord heeft gegeven. Eiser heeft hiervoor volgens verweerder geen punten ontvangen, omdat hij enkel heeft aangegeven over stratenkennis te beschikken, maar geen beschrijving heeft gegeven van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. Verweerder licht dit toe door aan te geven dat de beoordeling van de beschrijving van de Amsterdamse stratenkennis als volgt is beoordeeld: “aantoonbare ervaring of uitgebreide toelichting van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. (10 pt), gemiddelde/summiere beschrijving van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. (5 pt) of geen inhoudelijk toelichting (0 pt)”. De essentie is dat het onderdeel ‘C.3 Stratenkennis bestuurder’ door de aanvrager op het VT-formulier volledig diende te worden beschreven om in aanmerking te komen voor de maximale score, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aanvragers die op dit subcriterium goed hebben gescoord, op het VT-formulier uitvoerig de hotspots van de stad hebben beschreven en hebben beschreven waar zij vaak rijden, waar zij actief zijn, hoe zij van ‘a naar b’ komen, wat volgens hen daarvoor de snelste wijze is, welke wegen/routes zij vermijden in verband met de (on)veiligheid en drukte en op welke plaatsen vaak potentiele klanten staan. Ten aanzien van het toekennen van een score voor ‘Aantoonbare ervaring van Amsterdamse stratenkennis bij de bestuurder(s)’ heeft verweerder ter zitting toegelicht dat voor drie jaar ervaring als fietstaxichauffeur een score van 5 van de 10 punten werd toegekend en voor meer dan drie jaar ervaring als fietstaxichauffeur een score van 10 van de 10 punten werd toegekend.

10.6.

Anders dan eiser betoogt, is het geven van een uitgebreide toelichting ten aanzien van ‘Beschrijving van de Amsterdamse stratenkennis bij de bestuurder(s)’ naar het oordeel van de rechtbank geen extra, na aanvang van de aanvraagperiode toegevoegd, beoordelingscriterium, maar is dit een nadere uitwerking van het beoordelingscriterium ‘Borging stratenkennis’ en het meetpunt ‘beschrijving van de stratenkennis bij de bestuurder(s)’. Naar het oordeel van de rechtbank kon van een oplettende aanvrager verwacht worden ook ten aanzien van dit beoordelingscriterium het beste beentje voor te zetten. Er wordt immers gevraagd om een ‘beschrijving’ van de stratenkennis en in de toelichting op het VT-formulier is benadrukt dat de vragen in dat formulier door de aanvrager volledig moeten worden beantwoord. De oplettende aanvrager kon daarom begrijpen dat hij in het VT-formulier zijn (objectiveerbare) stratenkennis, welke nodig is om als fietstaxibestuurder goed te functioneren, zo goed mogelijk moest beschrijven. De motivering van verweerder dat eisers beschrijving te summier is voor de maximale puntenscore, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft verweerder in zijn beoordeling op een redelijke wijze rekening gehouden met de ervaring van eiser. Dat aan eiser voor ‘Aantoonbare ervaring van Amsterdamse stratenkennis bij de bestuurder(s)’ de maximale score van 10 punten is toegekend, omdat eiser meer dan drie jaar ervaring als taxichauffeur heeft, ontslaat eiser naar het oordeel van de rechtbank overigens niet van de plicht om in het VT-formuleer zijn stratenkennis op de bovengenoemde wijze te beschrijven. De rechtbank acht dan ook de toekenning van de puntenscore voor het subcriterium ‘Stratenkennis over Amsterdam’ door verweerder voldoende gemotiveerd.

De toegekende score op het subcriterium: ‘Beschrijving van uw doelgroep’

11.1.

Verweerder heeft beoordeeld of eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Beschrijving doelgroep’. In dat kader heeft verweerder de beschrijving van de doelgroep beoordeeld. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat een aanvrager de doelgroep dient te beschrijven waarop hij/zij zijn dienstverlening richt. In deze meetpunten worden de volgende categorieën doelgroepen genoemd: toeristen, forenzen, bedrijven, Amsterdammers en overige categorieën.

11.2.

Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘C.5 Beschrijving doelgroep’ het volgende vermeld: “Mijn doelgroep is buitenlandse toeristen en Nederlandse toeristen vanuit buiten Amsterdam. Het gaat om spontane kort ritjes van 1 a 2,5 km meestal met vaak voorkomende bestemmingen zoals museumplein, Rembrandtplein, Dam of de Wallen. Soms worden sight seeing tours van 45 minuten gevraagd en deze doe ik ook.”

11.3.

Voor dit subcriterium is aan eiser een score van 10 van de 20 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: “Matige beschrijving van 2 of meer categorieën (10 pt)”.

11.4.

Eiser voert aan dat voor zover de wens bestond dat hij zich op een bredere doelgroep zou richten en als aanvrager mee zou denken over het verkennen van doelgroepen om het Alternatief personenvervoer te laten deelnemen in de markt, dit voorafgaand aan de aanvraagperiode niet kenbaar was en dat verweerder onvoldoende nauwkeurig en duidelijk heeft omschreven wat exact van hem werd verwacht. Deze wens blijkt immers niet uit het Uitvoeringsbeleid of uit het VT-formulier, aldus eiser. Bovendien is volgens eiser de beschrijving van zijn doelgroep op het VT-formulier ‘to-the-point’ en volledig, nu hij meerdere doelgroepen heeft genoemd en nader beschreven. Niet valt in te zien hoe en waarom hij deze doelgroepen uitgebreider had moeten omschrijven en ook in het beoordelingsformulier staat niet dat eiser te weinig doelgroepen heeft beschreven, zo stelt eiser. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat zijn doelgroep bestaat uit iedereen die voor zijn diensten wil betalen.

11.5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op het VT-formulier zijn doelgroep matig/summier heeft beschreven. Verder blijkt volgens verweerder onvoldoende hoe eiser zijn dienstverlening richt op de beschreven doelgroep. Hetgeen eiser op dit onderdeel op het VT-formulier heeft vermeld, geeft volgens verweerder geen blijk van het meedenken over het verkennen van doelgroepen die mogelijk benaderd kunnen worden om het Alternatief personenvervoer volwaardig deel te laten nemen in de markt voor personenvervoer voor korte ritten. Deze beleidsdoelstelling is kenbaar gemaakt in de Nota van Beantwoording van 15 september 2015. Verweerder acht dit onderdeel van belang, omdat uit een evaluatie van Ecorys is gebleken dat de fietstaxi nog steeds niet een normale vorm van dienstverlening is, in vergelijking tot een reguliere taxi of het openbaar vervoer. Verweerder heeft toegelicht dat de gevraagde beschrijving op dit onderdeel in het VT-formulier betrekking heeft op de beleidsdoelstelling: het faciliteren van milieuvriendelijke vormen van personenvervoer voor de korte afstand, een vorm van personenvervoer voor niet alleen toeristen en bezoekers, maar ook Amsterdammers.

11.6.

Uit de Bijlage blijkt dat verweerder de beschrijving van de doelgroep waarop eiser zijn dienstverlening richt beoordeelt. Op basis van, onder meer, dit subcriterium vindt de vergelijking plaats. Van eiser, op wiens weg het ligt zijn aanvraag te onderbouwen, kon verwacht worden dat hij goed zou beschrijven wat zijn doelgroep is. Dat verweerder in zijn beoordeling rekening houdt met de wijze waarop de aanvrager meedenkt over het verkennen van (nieuwe) doelgroepen die mogelijk benaderd kunnen worden om het Alternatief personenvervoer volwaardig deel te laten nemen in de markt voor personenvervoer voor korte ritten acht de rechtbank geen nader beoordelingscriterium. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een normaal oplettende aanvrager verwacht worden deze uitwerking te begrijpen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat deze uitwerking kenbaar is gemaakt in de Nota van Beantwoording van 15 september 2015, waarin het volgende staat “Door het toevoegen van een beschrijving van de doelgroep waarop vergunninghouders hun dienstverlening gaan richten, is de intentie van het college om ondernemers te verleiden tot het verbreden van hun dienstverlening aan nieuwe doelgroepen die nu nog onvoldoende worden bediend door het vervoer per fietstaxi.” Gelet op het voorgaande heeft verweerder de puntenscore voor het subcriterium ‘Beschrijving van uw doelgroep’ toereikend gemotiveerd.


Beroep op het gelijkheidsbeginsel, verbod op willekeur en transparantiebeginsel

12.1.

Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en op het verbod op willekeur. Hij stelt hiertoe dat uit de – door hem overgelegde – geanonimiseerde beoordelingsformulieren van andere aanvragers blijkt dat er een verschil is ten aanzien van de toegekende punten, terwijl aan deze puntenscore eenzelfde motivering van verweerder ten grondslag ligt. Er zijn dus sterke aanwijzingen dat andere aanvragers met gelijke of mindere antwoorden meer punten hebben gekregen dan eiser, althans dergelijke (onbewuste) willekeur is niet uit te sluiten. Het is verder strijdig met het transparantiebeginsel dat verweerder de aanvragen van de andere aanvragers niet heeft overgelegd, aldus eiser.

12.2.

In een beoordelingsformulier staan de punten die een aanvrager heeft gehaald met daarbij een korte motivering indien niet het maximum te behalen punten is behaald. De rechtbank is van oordeel dat de beoordelingen van de aanvragen niet enkel aan de hand van het beoordelingsformulier met elkaar vergeleken kunnen worden. Om deze vergelijking te maken zijn de onderliggende aanvragen nodig waarin de antwoorden staan die de andere aanvragers hebben gegeven. Alleen aan de hand van deze antwoorden kan de motivering en de puntentelling in het beoordelingsformulier geïnterpreteerd worden en kunnen de beoordelingen van de aanvragen met elkaar vergeleken worden. Het enkele feit dat in situaties met eenzelfde motivering een andere puntentelling is gegeven vormt geen aanwijzing dat de beschrijvingen op het VT-formulier van andere aanvragers ook hetzelfde waren. Hiermee heeft eiser niet aangetoond dat er sprake is van vergelijkbare gevallen of dat het verbod van willekeur is geschonden.

12.3.

Voor zover eiser stelt dat met zijn stellingen over de verschillen in puntentoekenning een begin van bewijs is geleverd dat er sprake is van vergelijkbare gevallen en het op de weg van verweerder ligt om in die situaties de aanvragen over te leggen, overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan eiser stelt is het niet in strijd met het transparantiebeginsel dat verweerder de aanvragen van de andere aanvragers niet heeft overgelegd. Verweerder heeft toegelicht dat de antwoorden op de vergelijkende toetsen op hun eigen merites beoordeeld zijn aan de hand van de op voorhand kenbaar gemaakte beoordelingscriteria. Zo is de regeling ook opgebouwd. Het transparantiebeginsel gaat niet zo ver dat verweerder in deze procedure ten behoeve van eiser ook alle VT-formulieren van concurrerende aanvragers met de daarin door hen aan verweerder verstrekte informatie over hun bedrijfsvoering moet overleggen. Aan de hand van het beoordelingsformulier van eiser kan de eigen score worden nagegaan en op basis van welke elementen deze is berekend. Hiermee kan dus voldoende inzicht worden verkregen in de wijze waarop de aanvraag van eiser door verweerder is beoordeeld, zodat er geen sprake is van strijdigheid met het transparantiebeginsel.

Verzoek om overlegging processtukken

13. Eiser verzoekt de rechtbank verweerder op te dragen in elk geval de VT-formulieren die zijn ingediend door andere aanvragers aan wie een (enkelvoudige of meervoudige) fietstaxivergunning is verleend voor de vergunningperiode van 1 april 2016 tot 1 april 2019 over te leggen. De rechtbank overweegt dat eiser reeds een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft ingediend, wat heeft geleid tot openbaarmaking van alle beoordelingsformulieren, zij het geanonimiseerd. De vraag of verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat de VT-formulieren niet openbaar worden gemaakt, hoort thuis in de bezwaar- of beroepsprocedure met betrekking tot die beslissing van verweerder. De conclusie hiervan is dan ook dat de rechtbank het verzoek van eiser afwijst.

Verzoek om schade

14. Het verzoek van eiser om vergoeding van de door hem gestelde geleden (eventueel nader te onderbouwen) schade, komt niet voor toewijzing in aanmerking nu het bestreden niet rechtens onjuist is.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzitter, en mr. P. Vrugt en

mr. L.Z. Achouak el Idrissi, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Algemene Plaatselijke Verordening 2008

Artikel 2.51 (Personenvervoer)

1. Het is verboden zonder vergunning van het college als ondernemer op of aan de weg met een voertuig tegen betaling personenvervoer aan te bieden.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet personenvervoer.

3. Het college kan de vergunning weigeren of intrekken als het vervoer:

a. gevaar oplevert voor de veiligheid van de passagiers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer;

b. hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat;

c. een nadelige invloed heeft op het milieu;

d. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte of

e. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien daarvan.

4. Het is verboden om personenvervoer als bedoeld in het eerste lid aan te bieden op door het college aangewezen wegen.

Uitvoeringsbeleid Alternatief personenvervoer 2016 ex art 2.51 APV

Artikel 1.1 (Definities)

(…)

3. Alternatief personenvervoer: het met een vergunning van het college als ondernemer met een voertuig tegen betaling personenvervoer aan te bieden aan de weg (met één van de type voertuigen zoals genoemd in artikel 2.2 vervoersdiensten);

(…)

9. enkelvoudige vergunning: een vergunning of de aanvraag daarvan waarbij de vergunninghouder tevens de enige bestuurder van het voertuig is waarvoor vergunning is verkregen of wordt gevraagd;

10. meervoudige vergunning: een vergunning of de aanvraag daarvan waarbij de vergunninghouder derden (handelend onder de naam van de vergunninghouder) de voertuigen waarvoor vergunning is verkregen of wordt gevraagd, laat besturen;

(…).

Artikel 1.3 (Beleidsdoelstellingen Alternatief personenvervoer)

Het college beoogt ten aanzien van het Alternatief personenvervoer de volgende (beleids)doelstellingen te bevorderen:

1. Het aanbieden van milieuvriendelijke vormen van personenvervoer voor de korte afstand;

2. Continuïteit en kwaliteit in de dienstverlening voor de vergunninghouders en de gebruikers;

3. Voorkomen van overlast als bedoeld in artikel 2.51, derde lid van de APV.

Artikel 2.3 (Maximering en vergunningenplafond)

1. Per categorie kan het college besluiten een vergunningenplafond in te stellen indien er sprake is of dreigt van belangen die het derde lid van artikel 2.51 van de APV beoogt te voorkomen.

2. Indien voor een type voertuig een vergunningenplafond geldt, wordt aan de hand van vastgestelde criteria een vergelijkende toets uitgevoerd om te bepalen welke aanvrager een vergunning wordt gegund. (Zie ook artikel 2.5)

Maximering categorie ‘fiets met of zonder trapondersteuning’

3. Voor de categorie ‘fietsen met of zonder trapondersteuning’ geldt gelet op het bepaalde in artikel 2.51, derde lid, sub a. en d. van de APV een vergunningenplafond van maximaal 100 te vergunnen voertuigen.

4. Gelet op het bepaalde in artikel 2.51, derde lid, sub b. van de APV wordt per aanvrager een vergunning voor maximaal tien ‘fietsen met of zonder trapondersteuning’ toegekend.

Artikel 2.4 (Indieningsvereisten aanvraag)

Artikel 2.5 (Vergelijkende toets)

1. De vergelijkende toets bestaat uit drie onderdelen:

a. In fase A wordt beoordeeld of de bij de aanvraag gevoegde bijlagen waarin de gegevens worden gevraagd voor het beoordelen van de vergelijkende toets voldoet aan de indieningsvereisten (zoals beschreven in 2.4);

b. In fase B wordt aan de hand van de overgelegde gegevens en op basis van criteria uit bijlage I aan de aanvraag een score van 0 tot 400 punten toegekend;

c. In fase C wordt afhankelijk van de ruimte die het ingestelde vergunningenplafond biedt en het aantal voertuigen dat per aanvrager maximaal is toegestaan, aan de aanvraag die het hoogste heeft gescoord in fase B een vergunning verleend;

d. Indien twee of meer aanvragen in fase B gelijk scoren, heeft de eerst ingediende aanvraag voorrang;

e. Bij aanvragen die voldoen aan de minimale score zoals bedoeld in bijlage I, maar als gevolg van schaarste niet worden vergund, worden geplaatst op een ranglijst (fase D). Bij een vrijgekomen plaats wordt aan de hoogst scorende aanvraag een vergunning verleend voor zover het ingestelde vergunningenplafond hiertoe de ruimte biedt.

f. Bij een volgend door het college te bepalen selectiemoment vervallen alle op de ranglijst geplaatste aanvragen en start een nieuwe aanvraagprocedure.

2. Voor de vergelijkende toets zoals bedoeld in het eerste lid stelt het college een formulier ter beschikking dat bij de aanvraag volledig naar waarheid moet worden ingevuld. Het formulier bevat de criteria als bedoeld in bijlage I op basis waarvan de vergelijkende toets plaatsvindt. Het formulier is beschikbaar op www.amsterdam.nl/apv.

Bijlage I (Vergelijkende toets)

De vergelijkende toets is bedoeld om de vergunningen voor maximaal 100 fietstaxi’s toe te kennen aan de aanvragers die het meeste bijdragen aan de gemeentelijke doelstellingen conform artikel 1.3.

De vergelijkende toets is vooral gericht op het toetsen van de 2e en 3e (beleids)doelstelling en is opgebouwd uit vier onderdelen:

A. Veiligheid en uitstraling;

B. Normen en waarden;

C. Kwaliteitspunten om de professionaliteit van de dienstverlening te waarborgen.

D. Borging, interne controle en klachtenafhandeling (alleen bij meervoudige vergunningen).

Per onderdeel zijn de doelen, de juridische basis, criteria en de meetpunten benoemd. Ondernemers kunnen per onderdeel 100 punten halen. Minimum aantal punten per onderdeel om in aanmerking te komen voor een vergunning is 55 punten. Elk van de onderdelen weegt even zwaar mee.

Per meetonderdeel is aangegeven hoeveel punten maximaal behaald kunnen worden.

De beoordeling van de aanvragen wordt gedaan door een commissie die samengesteld is uit een vertegenwoordiger vanuit Politie, stadsdeel Centrum en namens het college, de Resultaat Verantwoordelijke Eenheid Verkeer & Openbare Ruimte.

Toetsing

A Veiligheid en uitstraling

Omschrijving

Score

Doel

De verkeerskundige effecten en veiligheid hebben als doel de deelname aan het verkeer te beoordelen op belemmering en veiligheid van het voertuig. Tenslotte wordt gekeken naar de uitstraling van de fietstaxi’s en de representativiteit van de bestuurders als visitekaartje van de stad.

Juridische basis

1. voorkomen van gevaar (aan de openbare weg) -art. 2.51, lid 3, sub a. APV.

2. voorkomen van hinder (in het openbaar leefklimaat) - art. 2.51, lid 3, sub b. APV.

3. veiligheid van passagiers - art. 2.51, lid 3, sub a. APV.

4. milieubelangen - art. 2.51, lid 3, sub c. APV.

5. voorkomen van verkeerskundige problemen - art. 2.51, lid 3, sub a. APV.

Criteria

- Veiligheid en uitstraling van het voertuig;

- Beoordeling uiterlijk voertuig / representativiteit bestuurder;

- Beoordeling naamsvermelding op het voertuig;

- Beoordeling van (mogelijke) reclame op het voertuig;

Toetsen aan beleid op de onderdelen:

Onderhoudsplan:

- beschrijf het onderhoudsplan voor uw fietstaxi's (waarop wordt onderhoud gepleegd frequentie, groot versus periodiek onderhoud, administratie, schriftelijke vastlegging

0 tot 50

Veiligheid en uitstraling van het voertuig en bestuurder (uniformiteit, schoon, schadevrij, representativiteit):

o Uitstekend

25

o Goed

15

o Gemiddeld

10

o Onvoldoende

0

Naamsvermelding:

o Weersbestendig, niet-handgeschreven, zichtbaar aan de achter en/of voorzijde van het voertuig.

10

o Niet aanwezig of niet conform de voorschriften

0

Reclame:

o Geen reclame

15

o Significant aanwezige reclame

5

o Overheersende reclame, bijvoorbeeld gehele achterzijde voertuig

0

Totaal

100

B Integriteit

Omschrijving

Score

Doel

De normen en waarden hebben als doel het gewenst gedrag van de ondernemer te toetsen op basis van ervaringen uit het verleden.

Juridische basis

1. voorkomen van gevaar (aan de openbare weg) - art. 2.51, lid 3, sub a. APV.

2. veiligheid van passagiers - art. 2.51, lid 3, sub a. APV.

3. het beslag op de openbare ruimte in het algemeen - art. 2.51, lid 3, sub d. APV.

Criteria

o Meldingen van overlast/klachten in het verleden (tot maximaal 3 jaar voor aanvraagdatum);

o Aantal verbalen / bestuurlijke maatregelen in het verleden (tot maximaal 3 jaar voor aanvraagdatum);

o Bekendheid (goede naam) van aanvrager bij het bevoegd gezag;

o Oordeel/advies Handhaving / Politie over gedrag van de aanvrager in de openbare ruimte;

o Administratieve verplichtingen.

Meten

Toetsen aan beleid op de onderdelen:

0 tot 60

Voor aanvragen voor een meervoudige vergunning:

Licht toe wat de visie op werkgeverschap is.

Hoe gaat uw onderneming om met de bestuurders? Wat is de beoordelingssystematiek? Wanneer wordt de werkrelatie met een bestuurder beëindigd?

Voor aanvragen voor een enkelvoudige vergunning:

Gaan ook anderen gebruik maken van uw fietstaxi? En zo ja, hoe gaat u om met de andere bestuurder(-s)? En hoe denkt u om te gaan met het handhavingsbeleid?

0 tot 60

Bestaande vergunninghouders: beoordeling door gemeente / handhaving / Politie:

o Uitstekend

40

o Goed

30

o Gemiddeld

20

o Onvoldoende

10

Nieuwe / onbekende aanvrager:

o Neutraal

30

Totaal

100

C Dienstverlening

Omschrijving

Score

Doel

De kwaliteitspunten hebben tot doel de professionaliteit van de dienstverlening te waarborgen.

Juridische basis

1. voorkomen van hinder (in het openbaar leefklimaat) - art. 2.51, lid 3, sub b. APV.

2. kwaliteit en duurzaamheid van de dienstverlening - art. 2.51, lid 3, sub b./c. APV.

Criteria

- Tariefstructuur;

- Borging van talenkennis;

- Borging Stratenkennis;

- Borging historische kennis over de stad Amsterdam;

- Beschrijving doelgroep.

Meten

Toetsen aan beleid op de onderdelen:

Tariefstructuur?

o Geen vast tarief

0

o Gedeeltelijk vast tarief

10

o Vast tarief

20

Taalvaardigheid; spreekt de bestuurder de volgende talen?

o Nederlands én Engels

20

o Nederlands óf Engels

10

o Geen van beiden

0

Stratenkennis

- Beschrijving van de stratenkennis bij de bestuurder(s)

0 tot 20

Historische kennis over de stad Amsterdam

- Beschrijving van de historische kennis over de stad Amsterdam bij de bestuurder(s)

0 tot 20

Beschrijving van uw doelgroep waarop u uw dienstverlening richt?

- Toeristen, forenzen, bedrijven, Amsterdammers en overige categorieën

0 tot 20

- Totaal

100

D Borging, interne controle en klachtenafhandeling ( alleen bij meervoudige vergunningen )

Omschrijving

Score

Doel

De borging, interne controle en klachten hebben tot doel duidelijk te maken wat er van ondernemers wordt verwacht ten aanzien van de kwaliteit van de bedrijfsvoering.

Juridische basis

1. voorkomen van gevaar (aan de openbare weg)- art. 2.51, lid 3, sub a. APV.

2. voorkomen van hinder (in het openbaar leefklimaat)- art. 2.51, lid 3, sub b. APV.

Criteria

- Opleidingsprogramma/training voertuigbestuurders gericht op een professionele dienstverlening;

- Controle op gedrag van bestuurders in de openbare ruimte;

- Onderneming is 24 uur per dag bereikbaar voor calamiteiten;

- Beoordeling klachtenprocedure, verwijzing naar www.taxiklacht.nl;

- Beoordeling ondernemersplan (bij een meervoudige vergunning).

Meten

Toetsen aan beleid op de onderdelen:

Zorgplicht van de ondernemer om bestuurders zich gedragen conform voorschriften. Beschrijf de bedrijfsvoering met daarin in ieder geval aandacht voor:

- Opleidingsprogramma voor (nieuwe) bestuurders (denk hierbij bijvoorbeeld aan verkeersregels, vergunningsvoorschriften, gewenst gedrag, kennis van de stad);

0 tot 40

- Check op bestuurderspas, registratieplaat fietstaxi en overige verplichte documenten

0 tot 20

- Telefonische bereikbaarheid bij calamiteiten;

0 tot 10

- Klachtenprocedure (o.a. instructie bestuurder, zichtbaarheid klachtenprocedure voor klanten);

0 tot 15

- Overige voorzorgsmaatregelen (denk hierbij aan EHBO trainingen en/of het instellen van toezichthouders / stewards).

0 tot 15

Totaal

100

1 ECLI:NL:RBAMS:2016:2931.

2 ECLI:NL:RBAMS:2016:6557.

3 Artikel 1.3 van het Uitvoeringsbeleid.

4 Artikel 2.3, derde lid, van het Uitvoeringsbeleid.

5 Artikel 2.51, derde lid, aanhef en onder b, van de APV.

6 Toelichting Uitvoeringsbeleid pag. 23.

7 Artikel 2.3, tweede lid, van het Uitvoeringsbeleid.

8 Artikel 2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbeleid.

9 ECLI:NL:RVS:2016:2927.

10 ECLI:NL:RVS:2013:BZ8429.

11 ECLI:NL:CBB:2011:BU9729.

12 Mr. dr. C.J. Wolswinkel, “Volwassen verdelingsrecht? Rechtsontwikkeling en rechtseenheid bij de verdeling van schaarse vergunningen”, JB Plus, 19 afl. 1, 10 maart 2017, par. 4.2.1.