Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5134

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
13/997078-15 (A) en 13/997079-16 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring medeplegen van poging tot moord in opdracht op klaarlichte dag in een woonwijk, verdachte was chauffeur van de vluchtauto van de schutters en heeft cruciale bijdragen geleverd. Verder is bewezenverklaard het voorhanden hebben van (semi-)automatische vuurwapens, twee kilo springstof, een grote hoeveelheid munitie en (vuur)wapens en verdovende middelen, heling van gestolen voertuigen, het vervalsen van een politie-legitimatiebewijs, heling van politie-uniformen en rijden zonder geldig rijbewijs. NFI heeft wachtwoorden achterhaald van PGP-telefoons, en daarmee de communicatie tussen de verdachten over de ten laste gelegde feiten. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/997078-15 (A) en 13/997079-16 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

[detentie plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 10, 11, 13, 14 en 18 april 2017 en 6 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. J. Plooij en A. Bijleveld (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsvrouw

mr. A.D. van Koningsveld naar voren hebben gebracht.

Dit vonnis betreft het onderzoek 26Tandem. Er zijn meerdere verdachten in dit onderzoek. Ten aanzien van vijf verdachten, waaronder verdachte [verdachte] , wordt gelijktijdig vonnis gewezen. Verdachte wordt in het navolgende aangeduid als ‘verdachte’ dan wel ‘ [verdachte] ’. De medeverdachten worden in het navolgende aangeduid bij hun namen, te weten: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]

2 Tenlasteleggingen

Zaak A

Verdachte wordt, kort samengevat, verweten dat hij op 5 november 2015 in Diemen samen met anderen heeft gepoogd [slachtoffer 1] te vermoorden (feit 1) en dat hij (semi-)automatische vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad (feit 2). Ook wordt hem verweten dat hij op 5 november 2015 in [plaats 1] samen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan heling van twee personenauto’s, een motorscooter en een scooter (feit 3) en dat hij daarnaast voorhanden heeft gehad 2,2 kilogram springstof, vijf elektrische slagpijpjes en een elektronische constructie, bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing (feit 4). Tot slot wordt hem verweten dat hij op 5 november 2015 in zijn woning in Amsterdam wapens en munitie voorhanden heeft gehad (feit 5 en feit 6).

Zaak B

Verdachte wordt verder, kort samengevat, verweten dat hij op 5 november 2015 in zijn woning in Amsterdam MDMA en cocaïne aanwezig heeft gehad (feit 1), een vals politielegitimatiebewijs voorhanden heeft gehad (feit 2) en zich schuldig heeft gemaakt aan heling van politie-uniformen (feit 3). Ook wordt hem verweten dat hij op 5 november 2015 in Diemen zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan vernieling/beschadiging van een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 2] (feit 4). Tot slot wordt hem verweten dat hij in de periode van 15 juni 2015 tot en met 5 november 2015 zonder geldig rijbewijs een auto heeft bestuurd (feit 5).

De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bespreking van de vormverzuimverweren

4.1.

De raadsvrouw heeft – kort gezegd – aangevoerd dat in het opsporingsonderzoek 26Tandem sprake is van vormverzuimen bij de start van het onderzoek en de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.

Meer in het bijzonder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [verdachte] op 28 augustus 2015 onrechtmatig is aangehouden, dat de telefoon die [verdachte] in gebruik had in de dagen daarna onrechtmatig is afgeluisterd en dat bijzondere opsporingsbevoegdheden tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] – zoals het peilbaken onder en de afluisterapparatuur in de Fiat 500 in gebruik bij [medeverdachte 1] – onrechtmatig zijn aangewend.

4.2.

De officier van justitie heeft het standpunt van de verdediging gemotiveerd bestreden.

4.3.

De aanhouding van verdachte op 28 augustus 2015

In het proces-verbaal van verdenking van 28 augustus 2015 heeft verbalisant [nummer verbalisant] , inspecteur en generalist tactische opsporing en werkzaam bij de eenheid Amsterdam, gesteld dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] mogelijk betrokken zijn bij de voorbereidende handelingen voor het plegen van een liquidatie.1 Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd het afschermproces-verbaal met nummer 782-0362/2015, waarin is gerelateerd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich zeer waarschijnlijk bezig houden met het voorbereiden van een aanslag op het leven van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ).2

Verder wordt in het proces-verbaal van verdenking verwezen naar de politieregistratie (BHV) 2015193476, waaruit blijkt dat op 27 augustus 2015, omstreeks 22:00 uur en ter hoogte van de [adres 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in het voertuig Fiat 500, voorzien van met kenteken [auto] , staande zijn gehouden en gecontroleerd. Het voertuig is doorzocht en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn op basis van vrijwilligheid gefouilleerd. Bij [medeverdachte 2] zijn twee paar dunne zwarte handschoenen en een dunne zwarte halsdoek aangetroffen. In het voertuig lagen drie witte plastic tassen gevuld met drie zwarte groot model lege sporttassen, twee nieuwe regenpakken, een zwarte pet, een paar zwarte handschoenen en een bromfietskentekenplaat met kenteken [bromfiets] . Nadat later die avond bleek dat die kentekenplaat van diefstal afkomstig was, is de Fiat 500 met kenteken [auto] opgespoord en omstreeks 00:45 uur aangetroffen. De inzittenden zijn vervolgens aangehouden op verdenking van heling en het voertuig is in beslag genomen. De inzittenden bleken te zijn: [medeverdachte 1] en [verdachte] .

Oordeel rechtbank rechtmatigheid aanhouding

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van [verdachte] geen redelijk vermoeden van schuld aan heling van de gestolen kentekenplaat bestond, nu vaststaat dat [verdachte] niet in de Fiat 500 zat toen de kentekenplaat werd aangetroffen op 27 augustus 2015. Bovendien blijkt niet uit het dossier dat de kentekenplaat op 28 augustus 2015 nog steeds in de Fiat 500 aanwezig was, laat staan dat [verdachte] , als passagier, weet had van de aanwezigheid van een gestolen kentekenplaat in de auto. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank evenwel van oordeel dat dit geen vormverzuim oplevert dat in het onderzoek naar de betrokkenheid van [verdachte] bij de voorbereiding van een moord tot het door de raadsvrouw gestelde nadeel voor [verdachte] heeft geleid. Gelet op wat hieronder wordt overwogen, bestaat er immers geen verband tussen de aanhouding van [verdachte] en het afluisteren van de telefoon die hij daarna in gebruik heeft gehad.

4.4.

Oordeel rechtbank inzet opsporingsbevoegdheden tegen [verdachte]

Na de aanhouding van [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn twee telefoons in beslag genomen. Eén met het IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer 1] die bij [medeverdachte 1] is aangetroffen en een ander met het IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer 2] die in de Fiat 500 is aangetroffen. Voor beide telefoons zijn mondeling (spoed)tapmachtigingen aangevraagd. Uit de schriftelijke bevestiging van de mondelinge aanvraag blijkt dat de tapmachtigingen zijn aangevraagd in de zaak tegen [medeverdachte 1] (op verdenking van voorbereiding van moord) en dat het toestel [IMEI-nummer 2] werd toegeschreven aan één van de recente inzittenden van de Fiat 500.3 [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn op 28 augustus 2015 rond 15:00 uur heengezonden, waarna het toestel [IMEI-nummer 2] om 15:38 werd gebeld. Uit het transcript van dat gesprek blijkt dat toen al het vermoeden bestond dat [verdachte] de gebruiker van dat toestel was.4 Echter, op dat moment bestond ten aanzien van [verdachte] geen redelijk vermoeden van schuld voor de voorbereiding van moord. Dit vermoeden kan immers niet worden gegrond op het enkele feit dat [verdachte] bij [medeverdachte 1] in de auto zat, terwijl het [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren die eerder die avond [slachtoffer 3] hadden achtervolgd.

Uit de aanvraag tot verlenging van het bevel tot tappen van deze telefoon blijkt dat al drie dagen na 28 augustus 2015 het – naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd –vermoeden was gerezen dat [verdachte] zich bezighield met drugshandel en informeerde naar een tweede loods om auto’s in kwijt te kunnen.5 Het had op de weg van politie en de officier van justitie gelegen om in overleg met de rechter-commissaris het tapbevel op deze telefoon op naam van [verdachte] te zetten en de verdenking tegen [verdachte] te preciseren en niet daarmee te wachten tot de verlenging van dat tapbevel na vier weken.

Daarnaast heeft de rechtbank ambtshalve acht geslagen op het feit dat op 28 augustus 2015 spoedbevelen tot stelselmatige observatie zijn afgegeven tegen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op verdenking van voorbereiding van moord. De rechtbank acht het bevel tegen [verdachte]6 onrechtmatig, nu op 28 augustus 2015 geen verdenking jegens [verdachte] kon bestaan dat hij betrokken was bij voorbereiding van moord.

Er is dan ook sprake van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. De vraag is of, en zo ja welk, gevolg hieraan dient te worden verbonden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het belang van de geschonden voorschriften, de ernst van de verzuimen en het nadeel dat door de verzuimen werd veroorzaakt. Het belang dat de geschonden voorschriften dienen is de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van – in dit geval – [verdachte] . Hierop is inbreuk gemaakt doordat zijn telefoon gedurende drie dagen ten onrechte is afgeluisterd en dat ten onrechte een bevel tot stelselmatige observatie tegen hem is uitgevaardigd. Het nadeel dat voor [verdachte] werd veroorzaakt is echter beperkt te noemen. De uitvoering van het bevel tot stelselmatige observatie heeft zich aanvankelijk beperkt tot het met een peilbaken volgen van de Fiat 500 die bij [medeverdachte 1] in gebruik was. Het belang van [verdachte] dat een door hem gepleegd feit niet wordt ontdekt kan niet als een rechtens te respecteren belang worden aangemerkt (ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145). Nu het nadeel voor [verdachte] klein is te noemen, afgezet tegen de ernst van de ontstane verdenking (overtreding van de Opiumwet en later betrokkenheid bij het voorbereiden van moord), volstaat de rechtbank in dit geval met de constatering van de verzuimen, en verbindt hieraan geen rechtsgevolg.

4.5.

Oordeel rechtbank peilbaken en opnemen vertrouwelijke communicatie (OVC) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat de onrechtmatig aangewende bijzondere opsporingsbevoegdheden tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] moeten leiden tot het oordeel dat sprake is van vormverzuimen in het opsporingsonderzoek tegen [verdachte] , is de rechtbank van oordeel dat dit geen hout snijdt. Daargelaten of sprake is van enig vormverzuim vanwege onrechtmatig aangewende bijzondere opsporingsbevoegdheden ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , is de rechtbank van oordeel dat het niet [verdachte] is die is getroffen door de (eventuele) niet-naleving van de voorschriften voor stelselmatige observatie dan wel het opnemen van vertrouwelijke communicatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zodat geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan die (eventuele) verzuimen (zie onder meer ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

4.6.

Conclusie rechtbank

De geconstateerde vormverzuimen leiden niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte, ook niet wanneer zij in samenhang en onderling verband worden bezien. De rechtbank volstaat met de constatering van de verzuimen en verbindt hieraan geen rechtsvervolg. Gelet hierop, verklaart de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

5 Zaak A: vaststelling feiten en omstandigheden

Ten aanzien van zaak A gaat de rechtbank op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.7

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4:

5.1

Op 5 november 2015 omstreeks 12:37 uur komt bij de meldkamer van de politie Amsterdam de melding binnen dat er een schietpartij heeft plaatsgevonden op het [straatnaam] in Diemen.8

5.2

Uit getuigenverklaringen en de camerabeelden die een getuige met zijn telefoon heeft gemaakt volgt dat ter hoogte van een appartementencomplex aan het [straatnaam] in Diemen een zilverkleurige Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [nummer 1] (hierna: de Volkswagen Golf), stopt en dat twee personen uitstappen. Deze personen hebben zwarte (regen)jassen aan met een horizontale witte streep over de borst. Eén van hen draagt een zwarte pet en heeft voor zijn gezicht een zwarte zakdoek geknoopt. De ander draagt een bivakmuts. Een derde persoon, de bestuurder, blijft in de Volkswagen Golf zitten. De twee personen die zijn uitgestapt, lopen de parkeerplaats op en beginnen allebei met grote vuurwapens op een aldaar geparkeerde Opel te schieten. In reactie daarop rijdt de Opel rechtdoor, over het trottoir en door de bosjes, in de richting van de sloot achter het appartementencomplex. Een of beide schutters achtervolgen de Opel en blijven schieten. De schutters rennen kort daarna terug naar de gereedstaande Volkswagen Golf, stappen in waarna de Volkswagen Golf met grote snelheid wegrijdt.9

5.3

De Opel is in de sloot achter het appartementencomplex aangetroffen. In de Opel zitten op meerdere plaatsen in- en doorschoten. Aan de achterzijde van de Opel wordt [slachtoffer 1] aangetroffen.10 [slachtoffer 1] wordt naar het ziekenhuis gebracht en daar blijkt dat hij door meerdere kogels is getroffen. [slachtoffer 1] heeft schotverwondingen ter hoogte van zijn rechter schouderblad, bij de ruimte links naast zijn wervelkolom, ter hoogte van zijn nieren, in de holte van zijn linker bovenbuik en in de rechter onderbuik. Ook heeft hij een schampschot op zijn linker bovenbeen en een schotwond aan zijn linker bil.11

5.4

Op de rijbaan, het trottoir naast het appartementencomplex en de parkeerplaats zijn in totaal 34 hulzen aangetroffen. Verder zijn in het dijklichaam bij de sloot twee kogels aangetroffen.12 De hulzen vertonen systeemsporen die sterke gelijkenis vertonen met die van een aanvalsgeweren van het merk Ceska Zbrojovka (CZ), model Vz58 en hebben het kaliber 7,62x39mm. Uit het forensisch onderzoek volgt dat, gelet op de richting van de in- en doorschoten van de Opel, met twee volautomatische (categorie II van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM)) dan wel semi-automatische vuurwapens (categorie III WWM) is geschoten en dat ook tijdens de vlucht van de Opel is geschoten.13

5.5

De Volkswagen Golf blijkt al onderwerp van onderzoek in het lopend onderzoek 26Tandem. Omstreeks 14:35 uur is de Volkswagen Golf aangetroffen in een parkeergarage gelegen aan het [straatnaam 18] te [Amsterdam] en in observatie genomen. Omstreeks 19:00 uur wordt gezien dat een negroïde man, geheel in het zwart gekleed, de Volkswagen Golf nadert op een afstand van ongeveer tien meter. Nadat hij de daar aanwezige verbalisanten ziet, loopt hij in versnelde pas terug naar de uitgang van de parkeergarage.14 De man wordt om 19:10 uur aangehouden en blijkt de verdachte [medeverdachte 3] te zijn.15 Later op de dag, om 20:47 uur, worden de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] in en nabij de Fiat 500 – die bij [medeverdachte 1] in gebruik is en onder welk voertuig zich een door de politie, eveneens in het onderzoek 26Tandem, aangebracht peilbaken bevond – aangehouden.16 De verdachte [medeverdachte 2] wordt om 23:20 uur in de woning gelegen aan de [adres 1] in [plaats 3] aangehouden.17 Op 19 januari 2016 wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, de verdachte [medeverdachte 4] aangehouden.18

Aantreffen Pretty Good Privacy (PGP) telefoons

5.6

Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn zogenoemde PGP-telefoons bij hen aangetroffen.19 Daarnaast is bij [medeverdachte 3] een iPhone in beslag genomen.20 Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] werd op de bank in de woonkamer een mobiele telefoon van het merk en type BlackBerry 9720 aangetroffen.21 Dit bleek ook een PGP-telefoon te zijn. Het NFI heeft de onder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] in beslag genomen PGP-telefoons geopend, waarna de inhoud hiervan door het opsporingsteam is onderzocht.

5.7

Bij RIM (de producent van telefoons met de marktnaam BlackBerry) is informatie opgevraagd over de aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] toegeschreven IMEI-nummers. Uit de van RIM ontvangen gegevens volgt dat de gebruiker van de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon gebruik maakte van het e-mailadres [e-mailadres 1].22 In de contactenlijst in de telefoon staan de e-mailadressen [e-mailadres 2]onder de naam [bijnaam 1] , [e-mailadres 3] onder de naam [bijnaam 2] , [e-mailadres 4] onder de naam [bijnaam 3] en [e-mailadres 5] onder de naam [bijnaam 4] .23

Dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van de bij hem inbeslaggenomen PGP-telefoon leidt de rechtbank, naast de contacten en inhoud van de berichten in de telefoon zoals die hieronder zullen worden weergegeven, ook af uit onderzoek naar de historische telecomgegevens van de PGP-telefoon waaruit blijkt dat deze vaak zendmasten heeft aangestraald in de directe omgeving van het verblijfadres van [medeverdachte 1] .24 Uit de naam waaronder het e-mailadres [e-mailadres 1] voorkomt in de PGP-telefoons van andere verdachten, kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] de bijnamen [bijnaam 5] en [bijnaam 6] heeft.

5.8

De gebruiker van de telefoon die bij [medeverdachte 3] in beslag is genomen maakte gebruik van het e-mailadres [e-mailadres 2]. In de contactenlijst komen voor de e-mailadressen [e-mailadres 1] onder de naam [bijnaam 5] , [e-mailadres 4] onder de naam [bijnaam 3] , [e-mailadres 5] onder de naam [bijnaam 7] .25 Dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van de bij hem inbeslaggenomen PGP-telefoon leidt de rechtbank, naast de contacten en inhoud van de berichten in de telefoon zoals die hieronder zullen worden weergegeven, ook af uit onderzoek naar de historische gegevens van de PGP-telefoon waaruit is gebleken dat deze vaak zendmasten heeft aangestraald in de directe omgeving van het verblijfadres van [medeverdachte 3] .26 Uit de naam waaronder het e-mailadres [e-mailadres 2] voorkomt in de PGP-telefoons van de andere verdachten kan worden afgeleid dat [medeverdachte 3] de bijnaam [bijnaam 1] heeft.27

5.9

Met het e-mailadres [e-mailadres 3] is gebruik gemaakt van de PGP-telefoon die in de woning van [verdachte] is aangetroffen.28 In de contactenlijst van die telefoon komen voor de e-mailadressen [e-mailadres 1] onder naam [bijnaam 6] , [e-mailadres 5] onder de naam [bijnaam 8] en [e-mailadres 4] onder de naam [bijnaam 9] .29 Uit de inhoud van de berichten zoals die hieronder nog zullen worden weergegeven, en de contacten in de telefoon, kan worden afgeleid dat [verdachte] de gebruiker van die telefoon is geweest.

5.10

Verder is tijdens het opsporingsonderzoek, middels de inzet van een IMSI-catcher, een telefoon met IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer 3] geïdentificeerd. Het betreft een BlackBerry 9720, met daarin een simkaart met IMSI-nummer [nummer simkaart] . Tijdens de doorzoeking van de [adres 1] in Diemen, de verblijfplaats van [medeverdachte 2] , is een BlackBerry 9720 aangetroffen. De sticker met het IMEI-nummer was verwijderd, maar het IMSI-nummer komt overeen met voornoemd IMSI-nummer. Uit historische telecomgegevens blijkt dat dit IMSI-nummer exclusief is gebruikt met IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer 3] en dat met grote regelmaat de telefoonmast op de [adres 1] in Diemen is aangestraald. Tot slot blijkt uit de historische telecomgegevens dat de telefoon op 20 oktober 2015, 30 oktober 2015 en 3 november 2015 specifieke telefoonmasten heeft aangestraald en dat tijdens observaties is gezien dat [medeverdachte 2] zich in de omgeving van deze telefoonmasten bevond.30 Ook dit IMEI-nummer is bevraagd bij RIM en uit de ontvangen gegevens volgt dat de gebruiker van dit IMEI-nummer gebruik maakte van het e-mailadres [e-mailadres 4]. In de telefoon van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] is dit e-mailadres opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 3] ’.31

De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van voornoemde Blackberry 9720 en het e-mailadres [e-mailadres 4] en dat een bijnaam van hem ‘ [bijnaam 3] ’ is.

5.11

Onder [medeverdachte 4] is geen telefoon in beslag genomen. Wel is middels een IMSI-catcher het IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer 4] achterhaald. Uit historische telecomgegevens blijkt dat voornoemd IMEI-nummer op 20 oktober 2015 tussen 19:00 uur en 21:31 uur een drietal telefoonmasten heeft aangestraald en dat tijdens observaties is gezien dat [medeverdachte 4] zich in de directe omgeving van deze telefoonmasten bevond. Eén van deze telefoonmasten bevindt zich aan de [straatnaam 1] in Almere, alwaar de (toenmalige) vriendin van [medeverdachte 4] woonachtig is en [medeverdachte 4] regelmatig verbleef.32 Het IMEI-nummer is bevraagd bij RIM en uit de ontvangen gegevens volgt dat de gebruiker van dit IMEI-nummer gebruik maakte van het e-mailadres [e-mailadres 5] . In de telefoon van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] is dit e-mailadres opgeslagen onder respectievelijk de naam ‘ [bijnaam 4] ’ en ‘ [bijnaam 7] ’.33 [medeverdachte 4] is de neef van [medeverdachte 2] .34

De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 4] de gebruiker is geweest van voornoemd IMEI-nummer en het e-mailadres [e-mailadres 5] en dat bijnamen van hem ‘ [bijnaam 4] ’ en ‘ [bijnaam 7] ’ zijn.

5.12

In [medeverdachte 1] telefoon staat de naam [bijnaam 5] opgeslagen onder het e-mailadres [e-mailadres 6]. Dit e-mailadres komt ook voor in contacten in de telefoon van [medeverdachte 3] . Daar is de naam [bijnaam 10] aan dit e-mailadres gekoppeld.35

Aantreffen Peilbaken Opel en Samsung

5.13

Tijdens het onderzoek aan de Opel van [slachtoffer 1] is een peilbaken aangetroffen.36 Uit analyse van de peilbakengegevens blijkt dat het peilbaken is voorzien van een IMEI-nummer dat eindigt op [IMEI-nummer 5] . Het peilbaken is op 21 oktober 2015 geactiveerd op de [straatnaam 2] in [Amsterdam] – nabij het [adres 2] – en tot 5 november 2015 12:46 uur, kort na de schietpartij, actief geweest. Aan de hand van GPS-locaties van het peilbaken is vastgesteld dat in de periode van 24 oktober 2015 tot en met 5 november 2015 locaties zijn geregistreerd die aansluiten bij waar het voertuig van [slachtoffer 1] zich volgens wegverkeersgegevens van Vialis en ARS bevond en bij locaties waarvan bekend was dat [slachtoffer 1] daar verbleef.37

De rechtbank leidt uit het onderzoek af dat het peilbaken onder de Opel van [slachtoffer 1] was bevestigd van 24 oktober 2015 om 3:59 uur tot en met de poging tot liquidatie, met uitzondering van de periode 26 oktober 2015 van 16:11 uur tot 29 oktober 2015 om 1:47 uur.

5.14

Op 6 november 2015 is uit een sloot aan de [straatnaam 3] een mobiele telefoon van het merk Samsung type SM-G355HN Galaxy Core 2 opgedoken.38 Deze telefoon is van hetzelfde type als waarmee is ingelogd op het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] .39 Daarnaast blijkt uit de historische telecomgegevens van deze Samsung met IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer 6] en de historische telecomgegevens van het peilbaken, dat de Samsung op 3 oktober 2015 twaalf minuten na activering van het baken voor het eerst in gebruik is genomen en daarbij dezelfde telefoonmast als het peilbaken heeft aangestraald. Ook op 21, 24, 28 en 31 oktober 2015 stralen de Samsung en het peilbaken in een tijdsbestek van twee minuten dezelfde telefoonmast aan.40

Geconcludeerd kan worden dat de opgedoken Samsung de telefoon is waarmee is ingelogd op het peilbaken dat onder de Opel van [slachtoffer 1] is aangetroffen.

Onderzoeksbevindingen voorafgaand aan 5 november 2015

5.15

Aan de hand van historische telecomgegevens van de (PGP-)telefoons van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , de peilbakengegevens van zowel de Fiat 500 als de Opel van [slachtoffer 1] , historische wegverkeersgegevens, observaties, camerabeelden, OVC-gesprekken en e-mailberichten uit de PGP-telefoons van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] , is gekeken wie zich waar bevond in de periode voorafgaand aan de schietpartij en op de dag van de schietpartij zelf. Deze bevindingen worden hierna besproken.

5.16

Op 28 augustus 2015 is de Fiat 500, in gebruik bij [medeverdachte 1] , voorzien van plaatsbepalingsapparatuur. Na analyse van de peilbakengegevens blijkt dat de Fiat 500 meermalen wordt geparkeerd in de omgeving van de verblijfplaatsen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] en bij of op een loodsenterrein aan de [straatnaam 4] in [plaats 1] .41 [naam 1] , eigenaar van meerdere loodsen in [plaats 1] , heeft verklaard dat hij loods 4 aan [verdachte] heeft verhuurd en dat [verdachte] altijd in het gezelschap was van een man die hij herkent als [medeverdachte 1] .42

5.17

Op 20 oktober 2015 om 14:27 uur wordt gezien dat de Fiat 500 op de [straatnaam 4] in [plaats 1] staat geparkeerd. Het observatieteam neemt waar dat een Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [nummer 2] (hierna: de Volkswagen Polo), naast de Fiat 500 parkeert en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] uit de Volkswagen Polo stappen. [medeverdachte 1] pakt een jas uit de Fiat 500, waarna hij en [verdachte] weer in de Volkswagen Polo plaatsnemen. In de Volkswagen Polo zitten naast [medeverdachte 1] en [verdachte] , ook [medeverdachte 4] (als bestuurder) en [medeverdachte 2] (als bijrijder).43 [medeverdachte 4] is volgens zijn vriendin feitelijk de eigenaar van de Volkswagen Polo. Hij gebruikte deze auto altijd.44

5.18

Uit de bakengegevens van de Fiat 500 blijkt dat deze op 20 oktober 2015 om 19:23 uur vertrekt vanaf de [straatnaam 4] in [plaats 1] om via Amsterdam naar Diemen te rijden. Omstreeks 19:47 uur rijdt de Fiat met geringe snelheid over het [straatnaam] in Diemen, alwaar de moeder van [slachtoffer 1] woonachtig is. Vervolgens rijdt de Fiat naar de [adres 1] in Diemen (verblijfplaats [medeverdachte 2] ) en tot slot naar de [straatnaam 5] in Diemen (nabij de verblijfplaats van [medeverdachte 1] ).45

5.19

In de periode van 21 oktober tot en met 5 november 2015 parkeert de Fiat 500 veelvuldig op of nabij het loodsenterrein in [plaats 1] en in de directe omgeving van de verblijfplaatsen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , zo blijkt uit observaties en de peilbakengegevens.46 Op 22 oktober 2015 worden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als inzittenden van de Fiat 500 herkend en is gezien dat zij uit de richting van de verblijfplaats van [verdachte] aan de [straatnaam 6] te Amsterdam lopen. Ook is gezien dat de Volkswagen Polo, met [medeverdachte 4] als bestuurder, nabij de [straatnaam 8] in [Amsterdam] wordt geparkeerd, waar ook de Fiat 500 staat geparkeerd. Kort daarop wordt waargenomen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] met elkaar in gesprek zijn.47

5.20

Uit analyse van de peilbakengegevens van het voertuig van [slachtoffer 1] , de historische telecomgegevens van de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en de (later op 6 november 2015 aangetroffen) Samsung telefoon waarmee het peilbaken onder het voertuig van [slachtoffer 1] is gevolgd en historische wegverkeergegevens, blijkt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in de periode van 24 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015 zich veelvuldig in de directe omgeving hebben opgehouden van waar het voertuig van [slachtoffer 1] zich bevond:

- in de avond van 25 oktober 2015: het baken staat stil bij de verblijfplaats van [slachtoffer 1] in [Amsterdam] . De telefoons van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] stralen zendmasten aan in [Amsterdam] ;

- in de middag van 26 oktober 2015: het baken bevindt zich in Nieuw-Vennep, rijdt van daaruit naar een verblijfplaats van [slachtoffer 1] in de omgeving van het [straatnaam 11] , vervolgens naar het [straatnaam] in Diemen en daarna naar het AMC in Amsterdam. Rond dezelfde tijd peilen de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] uit in Nieuw-Vennep, bij het [straatnaam 11] in Amsterdam, in Diemen en vervolgens de telefoon van [medeverdachte 4] ook nabij het AMC.

- in de avond van 30 oktober 2015: het baken staat stil bij de verblijfplaats van [slachtoffer 1] in [Amsterdam] . De telefoon van [medeverdachte 3] peilt rond 18.00 uur uit in de omgeving van deze verblijfplaats en de Volkwagen Polo in gebruik bij [medeverdachte 4] wordt rond dat tijdstip geregistreerd door Vialis in dezelfde omgeving48

5.21

Op 30 oktober 2015 om 07:46 uur staat de Fiat 500 (zonder inzittenden) op de [straatnaam 4] in [plaats 1] geparkeerd. Omstreeks 07:54 uur rijdt de Volkswagen Golf over de [straatnaam 9] in [plaats 1] , met [verdachte] als bestuurder en twee inzittenden. De Volkswagen Golf wordt om 08:16 uur op het [straatnaam 7] in [Amsterdam] geparkeerd, waarna [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] uitstappen. Zij betreden vervolgens het portiek [adres 3] te [Amsterdam] . Om 09:23 uur wordt de Volkswagen Polo geparkeerd op het [adres 3] , waarna de twee inzittenden eveneens voornoemd portiek betreden.49

5.22

Uit historische telecomgegevens en berichtenwisselingen tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] volgt dat [slachtoffer 1] vanaf 1 november 2015 tot aan de schietpartij intensief in de gaten wordt gehouden.50 Op 1 november 2015 om 18:26 uur stuurt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] : “Bro ben je ready we zijn voor 7 uur bij jou ik kom met waki (de rechtbank begrijpt: auto)”, waarop [medeverdachte 3] antwoordt: “bij die albert heijn je weet tok waar die zit”. [medeverdachte 1] reageert met het bericht: “Nee ik weet niet waar je bedoelt leg [bijnaam 3] uit ben aan het rijden”. Daarna hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] contact over waar zij gaan afspreken. Omstreeks 18:46 uur treffen zij elkaar.51 Tussen 18:59 uur en 19:17 uur rijdt de Fiat 500 in gebruik bij [medeverdachte 1] , over de [straatnaam 10] , [straatnaam 11] en [straatnaam 12] in Amsterdam. Dit is in de directe omgeving van de verblijfplaats van [slachtoffer 1] .52 Later die avond stuurt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] : “morgen gaan we vroeg staan is beter dat [bijnaam 7] je half 9 oppikt want volgens mij gaat die man naar noord”. Op 2 november 2015 om 01:36 uur stuurt [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 3] : “Hoelaat zie ik je morgen bro” waarop [medeverdachte 3] reageert: “Half 9”. Omstreeks 08:59 uur treffen zij elkaar in de omgeving van het station Amsterdam Zuid, waarna [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] het PGP-bericht stuurt: “we zijn samen”. [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 3] : “wat geeft die teli (de rechtbank begrijpt: telefoon). [medeverdachte 3] antwoordt: “Dat gaan we nu kijek ik mail je zo”. Kort daarna stuurt hij het PGP-bericht: “Yo die waggie (de rechtbank begrijpt: auto) staat in noord”.53

Om 13:32 uur vraagt de persoon die [medeverdachte 3] ‘ [bijnaam 10] ’ noemt: “Wat is gaande [bijnaam 1] ” waarop [medeverdachte 3] , samengevat, antwoordt dat ‘hij’ (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) naar de Ikea in de Bijlmer was gereden omdat hij daar waarschijnlijk een afspraak had. Daarna is [slachtoffer 1] naar zijn woning in [plaats 2] gereden. Nu waren ze aan het wachten dat hij naar zijn woning in [plaats 3] zou gaan. Om 18:29 uur vraagt deze [bijnaam 10] weer naar de stand van zaken, waarop [medeverdachte 3] antwoordt dat ‘hij’ helemaal niet meer heeft bewogen, terwijl hij normaal op dinsdag naar zijn woning in [plaats 3] gaat. Om 18:43 uur stuurt [bijnaam 10] aan [medeverdachte 3] : “Maar van ikea waarom toen niet waarom” en “waar w8en jullie op dat is een x een wijland in rijd dan pas actie???”.

5.23

Op 2 november 2015 rond 16:40 uur parkeert de Volkswagen Polo op het parkeerterrein van het [straatnaam 7] en stapt de passagier van de Volkswagen Polo uit en loopt richting het [adres 3] . Kort daarna, om 17:30 uur, wordt gezien dat [medeverdachte 4] als passagier van de Volkswagen Polo instapt, waarna de Volkswagen Polo wegrijdt. Om 17:48 uur stapt [medeverdachte 4] en een onbekend persoon uit de Volkswagen Polo en betreedt [medeverdachte 4] met de onbekende persoon een belwinkel gelegen aan de [straatnaam 13] in [Amsterdam] . Om 18:03 staat de Volkswagen Polo, met daarin [medeverdachte 4] en de onbekende persoon, geparkeerd op het [straatnaam 7] in [Amsterdam] . [medeverdachte 4] en de onbekende persoon stappen om 18:28 uur uit de Volkswagen Polo.54

5.24

Uit onderzoek blijkt dat op 2 november 2015 om 18:14 uur met de later aangetroffen Samsung telefoon waarmee het peilbaken onder het voertuig van [slachtoffer 1] is gevolgd, is gebeld naar het telefoonnummer van Lebara voor het opwaarderen van een prepaid simkaart. De Samsung maakt voor deze oproep gebruik van een telefoonmast gelegen aan het [straatnaam 14] in [Amsterdam] , nabij het [straatnaam 7] in [Amsterdam] . De opwaardeerkaart is vermoedelijk gekocht bij de belwinkel aan de [straatnaam 13] in [Amsterdam] .55 Op 2 november 2015, om 18:16 uur, is met de Samsung ingelogd op het peilbaken dat is aangetroffen onder het voertuig van [slachtoffer 1] .56

5.25

Op 2 november 2015 tussen 21.55 en 22.18 uur stuurt [medeverdachte 1] naar [verdachte] de PGP-berichten: “… morgen waar we hem ook treffen gaat ie eraan gab…” en “ja ouwe moet nu afgelopen zijn, ik zie je 7 uur…” waarop [verdachte] om 22.21 uur reageert: “zo is dat man ok is goed ouwe…doen we ouwe morgen moet t m worden zie je straks.”57 Uit de PGP-berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] blijkt dat zij op 2 november 2015 voor de volgende dag om 08:45 uur afspreken.58

5.26

Tijdens een observatie op 3 november 2015 om 07:30 uur is gezien dat de Fiat 500 naar het loodsenterrein in [plaats 1] rijdt en dat kort daarna [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] het terrein betreden. [medeverdachte 1] en [verdachte] openen vervolgens de deur van loods 4 , waarna [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] de loods betreden. Vervolgens wordt gezien dat een Volkswagen Golf de loods uitrijdt en dat een persoon op de achterbank zit. Nadat [medeverdachte 1] en [verdachte] de loods weer hebben afgesloten, stappen zij in de Volkswagen Golf, waarbij [verdachte] als bestuurder optreedt. De Volkswagen Golf is op dat moment voorzien van het vervallen handelaarskenteken [nummer 3] . Om 08:37 rijdt de Volkswagen Golf, dan voorzien van het kenteken [nummer 1] , het [straatnaam 7] op en parkeert uiteindelijk op het [adres 3] . [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] stappen uit de Volkswagen Golf en lopen het portiek van de [adres 3] binnen.59 De handelaarskentekenplaten zijn later in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen.60

Om 08:03 uur laat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] weten: “met [bijnaam 7] om kwart voor afgesproken bro”. Om 9.18 uur stuurt hij aan [medeverdachte 1] : “We zijn samen” en om 10:58 uur stuurt hij [medeverdachte 1] het bericht: “Bro hij beweegt”.61 Om 10:53 uur vertrekt het baken vanaf de verblijfplaats van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben vervolgens die dag meermalen contact over waar het baken zich bevindt.62

5.27

Uit het PGP-berichtenverkeer van 3 november 2015 tussen 18.00 en 19.00 uur tussen [medeverdachte 3] en de persoon die hij [bijnaam 10] noemt, blijkt dat [medeverdachte 3] [bijnaam 10] verslag doet van het mislukte plan om op 3 november 2015 [slachtoffer 1] een stopteken te geven (alsof zij van de politie waren) en hem vervolgens te liquideren. Dit mislukte omdat [slachtoffer 1] onverwacht een andere kant opreed.63

5.28

[medeverdachte 3] ontvangt op 4 november 2015 om 20:16 uur van [medeverdachte 4] het PGP-bericht: “Hoelaat spreken we morgen af?” waarop hij antwoordt: “Kwart voor 9 ben ik bij je”. Uit de PGP-berichtenwisseling tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] om 21:42 uur volgt dat hij [medeverdachte 1] vertelt dat hij en [medeverdachte 4] de volgend dag om 08:45 uur met elkaar hebben afgesproken.64

Onderzoeksbevindingen met betrekking tot 5 november 2015

5.29

De Fiat 500 rijdt op 5 november 2015 – de dag van de schietpartij – vanaf de verblijfplaats van [medeverdachte 1] naar de [adres 1] in Diemen (verblijfplaats van [medeverdachte 2] ), waar deze om 07:05 uur parkeert. Uit camerabeelden van ‘ [verblijfplaats 1] ’, alwaar [medeverdachte 2] verblijft, blijkt dat hij om 07:05 uur de [verblijfplaats 1] verlaat.65 De Fiat 500 rijdt daarna naar de [straatnaam 6] in Amsterdam om [verdachte] op te halen, om vervolgens naar het loodsenterrein in [plaats 1] te rijden.66

5.30

Op camerabeelden van 5 november 2015 van het loodsenterrein in [plaats 1] is te zien dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] om 07:41 uur het terrein betreden en naar loods 4 lopen. Kort daarna rijdt uit deze loods de Volkswagen Golf, met [verdachte] als bestuurder en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als passagiers. De Volkswagen Golf is voorzien van kartonnen kentekenplaten die kort nadat de Volkswagen Golf het loodsenterrein verlaat worden verwijderd.67 Om 08:18 uur wordt de Volkswagen Golf ter hoogte van het [adres 3] te [Amsterdam] geparkeerd. De inzittenden stappen uit en zij worden herkend als [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Vervolgens lopen zij naar het portiek [adres 3] en gaan naar binnen.68

5.31

Zoals hiervoor is besproken, volgt uit de PGP-berichten dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 5 november 2015 om 08:45 uur met elkaar hebben afgesproken. De Volkswagen Polo van [medeverdachte 4] is omstreeks 09:03 uur geregistreerd op de [autoweg 3] in [naam wijk] en rijdt in de richting van Amsterdam Zuid. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] treffen elkaar uiteindelijk omstreeks 09:08 uur op Station Zuid in Amsterdam, zo volgt uit de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 3] om 09:08 uur: “is ie bewogen?” waarop [medeverdachte 3] ontkennend antwoordt. [medeverdachte 1] zegt daarna: “Ok jullie komen deze op tog ff” waarna [medeverdachte 3] stuurt: “ [naam 4] bro”. Om 9:56 uur stuurt [medeverdachte 3] naar [bijnaam 10] het bericht dat ‘zij’ met elkaar zijn. Kort daarna (09:59 uur en 10:02 uur) stuurt [medeverdachte 3] berichten aan [bijnaam 10] waaruit volgt dat ‘zij’ weggegaan zijn, ergens gaan parkeren en dan ‘die tellie’ aangooien.69 Uit onderzoek blijkt dat op 5 november 2015 van 10:05 uur tot en met 12:46 uur is ingelogd via My GPS Tracker (waarop de locatiegegevens van het peilbaken onder het voertuig van [slachtoffer 1] zijn bekeken) met een Samsung Galaxy Core 2 Smartphone.70

5.32

Op 5 november 2015 om 10:25 uur komt het voertuig van [slachtoffer 1] in beweging. Aan de hand van de peilbakengegevens, de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , historische telecomgegevens, camerabeelden en historische wegverkeergegevens is vastgesteld dat [medeverdachte 3] met behulp van de Samsung het voertuig van [slachtoffer 1] volgt en de positie van het voertuig doorgeeft aan [medeverdachte 1] . De Volkswagen Golf kiest ondertussen positie in [Amsterdam] , nabij de oprit naar de A10 richting [Diemen] . Ook de telefoon van [medeverdachte 2] is in die omgeving. Nadat het voertuig van [slachtoffer 1] omstreeks 11:55 uur deze oprit passeert, passeert ook de Volkswagen Golf deze oprit en rijdt naar het [straatnaam] in [plaats 3] . Om 12:04 uur stuurt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] : “Hij moet nu aankomen bij die osso”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “We zien hem al”. Uit de peilbakengegevens van de Opel blijkt dat het voertuig om 12:06 uur op het [straatnaam] in [plaats 3] aankomt. [slachtoffer 1] verklaart hierover dat hij zijn moeder, waarmee hij daarvoor naar het ziekenhuis in Volendam was geweest, naar boven heeft gebracht, ongeveer twintig minuten in haar woning is geweest, daarna naar beneden is gegaan en naar de Opel is gelopen. Op het moment dat hij de autosleutel in het contact stopte, zag hij een auto komen aanrijden en iemand met een bivakmuts uitstappen, waarna rond 12.35 uur op hem werd geschoten.71

5.33

Op camerabeelden van de parkeergarage aan de [straatnaam 18] waar de Volkswagen Golf op 5 november 2015 om 14.35 uur is aangetroffen, is te zien dat om 12:41 uur – kort na de schietpartij – de Volkswagen Golf de garage inrijdt en dat kort daarna drie personen de garage uitrennen. De uiterlijke kenmerken van deze drie personen zijn vergeleken met die van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , die op camerabeelden van het loodsenterrein in [plaats 1] zijn te zien, en camerabeelden van een getuige, waarop één van de schutters is te zien. Uit de bevindingen volgt dat de broek en schoenen die [medeverdachte 1] die ochtend in [plaats 1] draagt, overeenkomsten vertonen met die van één van de schutters. Op de camerabeelden van de garage is bovendien te zien dat de persoon die als eerste de garage uitrent, net als de schutter een zwart petje, een zwarte doek voor het gezicht en een zwarte jas met een horizontale witte streep over de borst draagt. De kleding die [medeverdachte 2] (een spijkerbroek met witte vlekken) en [verdachte] (een vest met capuchon en een blauwe spijkerbroek) dragen, zoals is te zien op de camerabeelden van het loodsenterrein in [plaats 1] , komt overeen met de kleding van de tweede en derde persoon die de garage uitrennen. De persoon die als tweede de parkeergarage uitrent heeft, net als de eerste persoon en overeenkomstig getuigenverklaringen over de twee schutters, een zwarte jas aan met daarop een lichtkleurige horizontale streep over de borst. Bij de doorzoeking van het [adres 2] zijn twee verpakkingen van regenpakken aangetroffen. In deze verpakking zaten alleen twee regenbroeken, de bijbehorende regenjassen ontbraken. Gezien de afbeelding op de verpakking komen de bijbehorende regenjassen overeen met de zwarte jassen met horizontale streep over de borst die de schutters droegen.72

5.34

Om 12:44 uur stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] het volgende bericht: “Bro laat hem einde halte [naam halte] komen snel aub” waarop [medeverdachte 3] antwoordt: “Ja hij is al onderweg ik ben uitgestapt”.73 De metro(eind)halte [naam halte] ligt in de directe omgeving van de parkeergarage gelegen aan het [straatnaam 18] . De Volkswagen Polo is om 12:51 uur geregistreerd op de [autoweg 1] , rijdend in de richting van het [autoweg 2] . Het [autoweg 2] ligt in de directe omgeving van de parkeergarage gelegen aan het [straatnaam 18] . Uit de historische telecomgegevens van de telefoon van [medeverdachte 4] blijkt dat deze telefoon tussen 10:45 uur en 12:49 uur een paallocatie aanstraalt niet ver van waar de Volkswagen Polo om 12:51 uur is geregistreerd en dat de telefoon tussen 12:49 uur en 12:59 uur gebruik maakt van dezelfde paallocaties als de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Om 20:15 uur stuurt [medeverdachte 1] naar de persoon die hij [bijnaam 5] noemt (en [medeverdachte 3] [bijnaam 10] ) het bericht dat zij niet meteen konden flammen, omdat zij geen overstap hadden en moesten wachten tot [bijnaam 7] hen zou oppikken, dat hadden ze met zijn allen afgesproken.74

5.35

Kort na de schietpartij is het portiek [adres 3] (weer) in observatie genomen. Om 13:05 uur is gezien dat een Volkswagen Polo het [adres 3] oprijdt en dat er één persoon in de Volkswagen Polo zit. Direct daarna lopen [medeverdachte 2] en [verdachte] over het [adres 3] , waarbij zij constant om zich heen kijken. Zij gaan vervolgens het portiek [adres 3] binnen. Vlak daarna loopt [medeverdachte 1] op het [adres 3] , ook constant om zich heen kijkend, en ook hij betreedt vervolgens voornoemd portiek. De Volkswagen Polo staat in een parkeervak op het [adres 3] en is leeg.75

5.36

De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel is komen vast staan dat degenen die geschoten hebben op [slachtoffer 1] samen met hun chauffeur rennend te zien zijn op de camerabeelden van 12:41 uur van de parkeergarage aan de [straatnaam 18] . Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de eerste twee personen degenen zijn die [slachtoffer 1] hebben beschoten en de derde persoon de chauffeur van de Volkswagen Golf was. Eveneens staat op basis van die feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel vast dat [medeverdachte 1] de eerste persoon, [medeverdachte 2] de tweede persoon en [verdachte] de derde persoon is die op die camerabeelden zijn te zien. Bevestiging van de daaruit volgende conclusie dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het slachtoffer [slachtoffer 1] hebben neergeschoten en [verdachte] de vluchtauto van deze schutters heeft bestuurd, ziet de rechtbank bovendien in de inhoud van de PGP-berichten en de vertrouwelijke communicatie zoals die hierna nog worden besproken.

Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachten met alle onderzoeksresultaten zijn geconfronteerd en meermalen de gelegenheid hebben gehad een verklaring daarover te geven. Zij hebben zich echter op nagenoeg alle punten op hun zwijgrecht beroepen.

5.37

Tussen 13:13 uur en 13:57 uur sturen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] elkaar meerdere berichten, waaruit volgt dat [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] zegt dat hij richting [naam 2] ’ moet komen ( [naam 2] is de bijnaam van vermoedelijk [eigenaar] , degene die staat ingeschreven op het adres [adres 2] ) en geen verdacht gedrag moet vertonen. Ook stuurt hij naar [medeverdachte 3] : “maak die teli van die trekker (de rechtbank begrijpt: tracker) uit en haal die sim eruit”. In de tussentijd stuurt [medeverdachte 3] aan [bijnaam 10] om 13:57 uur het bericht: “ik ga die andere zo zien ze zijn in die osso in bijlmer maar [bijnaam 7] had me afgezet. Is kk heet op straat ze hebben hem wel gepopt maar ik weet niet of hij slaapt.”76 De rechtbank begrijpt uit dit bericht dat er veel politie op straat is, dat ze hem wel hebben geschoten maar dat hij niet weet of hij dood is.

5.38

De rechtbank leidt uit de feiten en omstandigheden zoals genoemd in 5.34 tot en met 5.37 af dat [medeverdachte 3] vóór 12.44 uur uit de Volkswagen Polo van [medeverdachte 4] is gestapt en dat [medeverdachte 4] met zijn Volkswagen Polo [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] heeft opgehaald in de omgeving van de garage aan de [straatnaam 18] en hen naar de [adres 3] heeft gebracht. [medeverdachte 3] komt even later op verzoek van [medeverdachte 1] ook naar het [adres 2] .

5.39

Om 14:05 uur wordt gezien dat [medeverdachte 4] het portiek [adres 3] uitloopt, op een scooter stapt en wegrijdt, kort daarna terugkomt, handelingen verricht bij de aldaar geparkeerde Volkswagen Polo en uiteindelijk als bijrijder van de scooter vertrekt in de richting van het [straatnaam 16] . Om 14:33 uur wordt [medeverdachte 4] op het [straatnaam 16] in [Amsterdam] gezien. Uit berichtenverkeer tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] volgt dat zij hebben afgesproken op de parkeerplaats van het [straatnaam 17] in [Amsterdam] . Het [straatnaam 17] is gelegen naast het [straatnaam 16] . Om 14:47 uur stuurt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] het volgende bericht: “Heb et (de rechtbank begrijpt: zijn telefoon) al die tijd gewoon uitgelaten had puur bij me om [bijnaam 7] te bereiken we rijden nu naar jullie.” Om 14:49 uur is gezien dat [medeverdachte 4] het portiek [adres 3] weer binnengaat. Om 15:01 uur wordt gezien dat [medeverdachte 2] uit het portiek van het [adres 3] komt, als bijrijder op een scooter stapt en wegrijdt.77

5.40

Om 15:01 uur stappen [medeverdachte 4] , als bestuurder, en een man met een negroïde uiterlijk met donker gekleurde kleding aan, in de Volkswagen Polo. Om 15:12 uur staat de Volkswagen Polo leeg geparkeerd op de [straatnaam 8] in [Amsterdam] . Dit betreft een zijstraat van de [straatnaam 3] . Om 15:17 uur is gezien dat [medeverdachte 4] op de [straatnaam 3] staat en in de richting van de aldaar gelegen sloot kijkt. Bij de sloot staat een persoon met een negroïde uiterlijk in het donker gekleed die in de richting van de sloot een gooiende beweging maakt. Om 15:24 uur wordt gezien dat een man met een negroïde uiterlijk, gekleed in een zwarte jas en donkerblauwe spijkerbroek, bij de Volkswagen Polo staat en op zijn telefoon kijkt. De man vertoont grote gelijkenis met de persoon die om 15:01 uur als passagier van de Volkswagen Polo is ingestapt. Uit historische telecomgegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 3] om 15:28 uur gebruik maakt van een paallocatie, hemelsbreed op minder dan 500 meter van de plek waar de negroïde man een gooiende beweging richting de sloot heeft gemaakt en hemelsbreed op 50 meter van de plaats waar de Volkswagen Polo stond geparkeerd.78

5.41

Zoals hiervoor onder 5.14 aangegeven, is op 6 november 2015 in voornoemde sloot de Samsung telefoon aangetroffen die gebruikt is om in te loggen op het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] .79

5.42

Het observatieteam van de politie is op een later moment een foto verstrekt van [medeverdachte 3] , met de vraag of [medeverdachte 3] tijdens de observaties van 5 november 2015 is gezien. Hierop heeft het observatieteam aangegeven dat [medeverdachte 3] zeer grote gelijkenis vertoont met de persoon die omstreeks 15:18 uur aan de waterkant van de [straatnaam 3] een gooiende beweging maakt in de richting van de sloot en omstreeks 15:24 uur bij de Volkswagen Polo stond.80

5.43

Op basis van de feiten en omstandigheden zoals genoemd in 5.36 en 5.40 tot en met 5.42 en de omstandigheid dat [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 4] vanaf 25 oktober 2015 tot aan de poging tot liquidatie [slachtoffer 1] veelvuldig heeft gevolgd, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] de man is geweest die de Samsung in de sloot aan de [straatnaam 3] heeft gegooid.

5.44

Uit berichtenverkeer op 5 november 2015 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tussen 17:12 uur en 17:56 uur volgt dat [medeverdachte 3] wordt gevraagd naar de Volkswagen Golf te gaan om deze te ‘piepen’ (de rechtbank begrijpt: kijken) en dat zij bij het [straatnaam 15] afspreken. Om 19:03 uur ontvangt [medeverdachte 3] het volgende bericht van [medeverdachte 1] : “Kom terug bro”.81 Om 19:10 uur stuurt [medeverdachte 1] aan [bijnaam 5] het bericht: “ [bijnaam 1] is geveegd”. en dat ‘ze’ [medeverdachte 3] de garage lieten zien en toen politie hoorden, waarna hij ( [medeverdachte 1] ), [bijnaam 3] ( [medeverdachte 2] ) en [bijnaam 7] ( [medeverdachte 4] ) zijn weggerend.82 Deze berichten komen overeen met de aanhouding van [medeverdachte 3] om 19:10 uur in de directe nabijheid van de Volkswagen Golf.

5.45

Op 5 november 2015 om 20:20 uur is door de politie gezien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op de [straatnaam 4] in [plaats 1] worden afgezet door een snorder. Zij stappen in de Fiat 500 en rijden richting Amsterdam.83 De Fiat 500 was op 3 november 2015 heimelijk voorzien van geluidsopnameapparatuur. Tussen 20:24 uur en 20:43 uur, wordt onder meer door [verdachte] tegen [medeverdachte 1] gezegd: “… maar zijn dus weggekomen” waarop [medeverdachte 1] heeft geantwoord: “wij drietjes, maar die [bijnaam 1] is geveegd gab.” Verder zegt [verdachte] : “dat die waggie op zich wel goed schoon was” en “dat hij voor de rest niks meer heeft aangeraakt”. [verdachte] zegt ook: “ik maak mij meer zorgen dat die kankerlijer nog leeft…” [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] : “we hadden hem vandaag gewoon niet moeten doen gab.” Over de mogelijkheid dat zij in de parkeergarage door een beveiligingscamera zijn vastgelegd zegt [verdachte] : “maar daar sta ik ook niet echt op daar had ik een petje op en die dinges en mijn vest aan. Ze kunnen alleen mijn silhouet zien, wat willen ze daarmee.” [verdachte] zegt verder: “hij heeft echt gewoon kanker geluk gehad deze man (…) “Hij heeft zes in zijn [bijnaam 5] gekregen” zegt [medeverdachte 1] .84

5.46

In de Fiat 500 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] tevens het volgende besproken:

[medeverdachte 1] : morgen gaat die Audi…moet die Audi weg gab.

[verdachte] : ja

[medeverdachte 1] : die semtex, en die vesten, alles.

[verdachte] : ja, die shit bij mij ook, he.

[medeverdachte 1] : ja, alles moet morgen weg.85

Tot slot heeft [medeverdachte 1] om 20:20 uur het volgende bericht aan [medeverdachte 2] gestuurd: “Ik ben met [bijnaam 11] ( [verdachte] ) me waki (auto) ophalen en morgen halen we die audi weg uit die loods met die semtex” waarop [medeverdachte 2] antwoordt: “Oke is goed”.86

5.47

Zoals eerder al vermeld, zijn kort daarna in de avond van 5 november 2015 [medeverdachte 1] , [verdachte] en even later ook [medeverdachte 2] aangehouden. [medeverdachte 4] is op een later moment aangehouden.

Aanvullend ten aanzien van de feiten 3 en 4

5.48

Op 5 november 2015 is loods 4 , gelegen op het loodsencomplex aan de [straatnaam 4] in [plaats 1] , doorzocht.87 In de loods is een gestolen personenauto van het merk Audi, type S4, voorzien van het Duitse kenteken [nummer 6] aangetroffen. Het slot in het bestuurdersportier was geforceerd en te openen met een schroevendraaier.88 In de kofferbak van de Audi bevond zich een aktetas met daarin acht containers, bevattende 2,2 kilogram springstof op basis van TNT en vijf elektrische slagpijpjes. In de kofferbak bevond zich ook een kartonnen doos met daarin een constructie bestaande uit een PVC pijp met elektronica, die met een slagpijpje kan worden verbonden. Naast de PVC pijp lag een afstandsbediening. De afstandsbediening was geschikt om – middels de PVC pijp met elektronica – een slagpijpje op afstand tot ontploffing te laten brengen. Het NFI concludeert dat het gaat om voorwerpen die bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing.89 Op voornoemde kartonnen doos is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen.90 Tot slot is in de loods een gestolen motorscooter van het merk Piaggio met kenteken [nummer 4] (hierna: de Piaggio) en een scooter zonder kenteken aangetroffen.91

Aanvullend ten aanzien van de feiten 3, 5 en 6

5.49

De woning van [verdachte] en die van [medeverdachte 2] zijn eveneens doorzocht op 5 november 2015. In de woning van [verdachte] aan de [straatnaam 6] is onder meer een autosleutel aangetroffen, waarmee de Volkswagen Golf kon worden geopend.92 In de woning van [medeverdachte 2] zijn twee handelaarskentekenplaten aangetroffen, voorzien van het opschrift [nummer 3] .93

Verder zijn in de woning van [verdachte] een pistool, een groot hoeveelheid munitie, een stroomstootwapen, een gasdrukwapen, een veerdrukwapen en twee messen aangetroffen.94

Na onderzoek is vastgesteld dat het betreft:

  • -

    een pistool van het merk Walther, type P99 knal, zijnde een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM);

  • -

    tien kogelpatronen van het kaliber 9mm Br.C. van het merk Sellier & Bellot, twee kogelpatronen van het kaliber .380 Auto van het merk Fiocchi, een patroon van het kaliber 7.62x39mm en 270 patronen in een plastic koffer van het kaliber 9mm Br.C en .380 Auto en 9mm Luger en 7.62x39mm, zijnde munitie in de zin van categorie II WWM;

  • -

    twee stroomstootwapens, allebei van het type 618TYPF, zijnde wapens in de zin van categorie II WWM;

  • -

    een gasdrukwapen van het merk Gamo, type V3, van het kaliber 177/4,5mm en een veerdrukwapen van het kalibier 6mm BB, zijnde wapens van de categorie I onder 7 WWM en

  • -

    twee vlindermessen en een vilmes, zijnde wapens van de categorie I onder 1 en 3 WWM.95

6 Zaak A: (nadere) bewijsoverwegingen

6.1.

Feiten 1 en 2: medeplegen poging tot liquidatie en medeplegen bezit van (semi-) automatische vuurwapens en munitie

De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] bij het delict aanwezig is geweest. Indien de rechtbank aan dit verweer voorbij gaat, kan [verdachte] niet als medepleger worden aangemerkt, maar hoogstens als (niet ten laste gelegde) medeplichtige, zodat hij van het onder 1 laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, als de rechtbank uitgaat van de aanwezigheid van [verdachte] bij het delict, [verdachte] zich niet bewust was van de aanwezigheid van de automatische vuurwapens en bijbehorende munitie en hij hierover geen beschikkingsmacht had.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende:

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Indien de verdachte geen uitvoeringshandeling van het delict pleegt is het de vraag of hij desondanks als medepleger kan worden aangemerkt. Voor de beantwoording van die vraag kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (ECLI:NL:HR:2014:3473).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld onder 5, beschouwt de rechtbank [verdachte] als degene die tijdens de poging tot liquidatie van [slachtoffer 1] de Volkswagen Golf heeft bestuurd. Zowel bij de voorbereiding van de moord als na de poging heeft [verdachte] nauw, bewust en intensief samengewerkt met de hiervoor genoemde medeverdachten. De rolverdeling was dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de schutters waren en [verdachte] de auto bestuurde. Zijn opzet was gericht op het medeplegen van een liquidatie met gebruikmaking van (semi-) automatische wapens. Het onder 1 en 2 ten laste gelegde acht de rechtbank dan ook bewezen.

6.2.

Feit 3: medeplegen heling van twee personenauto’s, een motorscooter en een scooter

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de in loods 4 te [plaats 1] aangetroffen scooter zonder kenteken van enig misdrijf afkomstig is, zodat [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de ten laste gelegde heling van de Volkswagen Golf, de Audi A4 en de Piaggio motorscooter overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verklaring van [naam 1] volgt dat [verdachte] vanaf maart/april 2015 loods 4 te [plaats 1] van hem huurde. [verdachte] is meermalen bij loods 4 gezien en ook is waargenomen dat hij met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deze loods inging, nadat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen de loods hadden geopend. Bij de doorzoeking van loods 4 zijn de van diefstal afkomstige Audi A4 en Piaggio aangetroffen. Uit de foto’s van de Audi A4 en de Piaggio in het dossier blijkt dat deze duidelijk zichtbaar in de loods stonden. De loods is ook gebruikt om de Volkswagen Golf die bij de poging tot liquidatie is gebruikt – waarvan is gezien dat [verdachte] deze meermalen heeft bestuurd – te verbergen. [medeverdachte 1] heeft gezegd tegen [verdachte] in de avond van 5 november 2015 in de Fiat 500: ‘morgen moet die Audi weg, die semtex, en die vesten, alles’. Waarop [verdachte] antwoordde: “ja, die shit bij mij ook hè”.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af, in het licht van de samenwerking tussen deze verdachten bij de poging liquidatie, dat [verdachte] wist van de aanwezigheid van de Audi A4 en de Piaggio in de loods en dat hij deze, net als de Volkswagen Golf, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , daar verborgen hield en daarmee dus voorhanden had. Dat [verdachte] de voertuigen met zijn mededaders verborgen hield, duidt erop dat hij bij het voorhanden krijgen ervan wist dat de voertuigen gestolen waren. [verdachte] heeft geen verklaring willen afleggen over de herkomst van de voertuigen in de loods en de betekenis van voornoemd gesprek met [medeverdachte 1] in de avond van 5 november 2015. Bij gebreke van een andersluidende verklaring van [verdachte] , acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] op z’n minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de Volkswagen Golf, Audi A4 en Piaggio van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht ten aanzien van deze voertuigen de opzetheling dus bewezen.

6.3.

Feit 4: medeplegen voorhanden hebben 2,2 kilogram springstof, vijf elektrische slagpijpjes en een elektronische constructie bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing

De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat [verdachte] niet wist van de aanwezigheid van de voorwerpen in de kofferbak van de Audi A4. Deze voorwerpen bevonden zich bovendien niet in zijn machtssfeer. [verdachte] moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende.

In de kofferbak van de gestolen Audi A4, die [verdachte] met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad, zijn aangetroffen: 2,2 kilogram springstof op basis van TNT, vijf elektrische slagpijpjes en de PVC pijp met elektronica. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben - zoals onder 6.2 weergegeven - in de avond van 5 november 2015 in de Fiat besproken dat de Audi A4, de semtex, alles, uit de loods moest worden gehaald.

[verdachte] heeft over de goederen die in de kofferbak van de Audi A4 zijn aangetroffen en de betekenis van voornoemd gesprek geen enkele verklaring willen afleggen.

De rechtbank leidt uit het gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] af, in het licht van de overige samenwerking tussen deze verdachten bij de poging liquidatie en de heling van de voertuigen, dat [verdachte] wist dat er springstof (in de Audi) in de loods aanwezig was en dat hij deze springstof eveneens met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verborgen hield en daarmee voorhanden had. Het onder 4 ten laste gelegde kan daarom worden bewezen.

6.4.

Feiten 5 en 6: voorhanden hebben wapens en munitie in zijn woning

De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat [verdachte] niet wist dat in zijn woning wapens en munitie lagen, dan wel dat niet kan worden uitgesloten dat anderen van deze woning gebruik maakten en daar de wapens en munitie hebben bewaard. [verdachte] moet daarom van deze feiten worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt het volgende.

[verdachte] was de enige bewoner van de [straatnaam 6] in [plaats 2] en daarmee in beginsel verantwoordelijk te houden voor de in die woning aanwezige voorwerpen. Niet is gebleken dat iemand anders dan [verdachte] gebruik maakte van deze woning. Ook is er geen concreet aanknopingspunt dat anderen de wapens en munitie, zonder wetenschap van [verdachte] , in zijn woning hebben bewaard. Daar komt bij dat [verdachte] , na de schietpartij, in de Fiat 500 als reactie op de mededeling van [medeverdachte 1] dat ‘de semtex, de vesten, alles’ moet worden weggehaald, heeft gezegd: “ja, die shit bij mij ook”.

Onder deze omstandigheden mag van [verdachte] gevergd worden dat hij een aannemelijke verklaring geeft voor de wapens en munitie die in zijn woning zijn aangetroffen. [verdachte] heeft hierover geen enkele verklaring willen afleggen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] zich bewust was dat er in zijn woning wapens en munitie aanwezig waren. Het onder 5 en 6 ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.

7 Beoordeling zaak B

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.96

7.1.

Feit 1: medeplegen aanwezig hebben verdovende middelen

Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] op 5 november 2015 zijn twee zakjes met in totaal 168 pillen bevattende MDMA en zes ‘pony packs’ met in totaal 3,6 gram bevattende cocaïne aangetroffen. De verdovende middelen lagen bij elkaar in de deur van de koelkast in de keuken.97

Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad. [verdachte] was de enige bewoner van de [straatnaam 6] in Amsterdam en daarmee in beginsel verantwoordelijk voor de voorwerpen in die woning. Het is een feit van algemene bekendheid dat een koelkast vaak door een bewoner wordt gebruikt. Gelet hierop, en bij gebreke van enige verklaring van [verdachte] over de aangetroffen verdovende middelen, kan het niet anders dan dat [verdachte] wist van de verdovende middelen die in zijn woning zijn aangetroffen. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook bewezen, met uitzondering van het medeplegen.

7.2.

Feiten 2 en 3: voorhanden hebben van een vals politielegitimatiebewijs en heling politiekleding

In de woning van [verdachte] is ook een politielegitimatiebewijs ten name van [persoon 2] (documentnummer [nummer 11] , datum [datum] ) voorzien van een pasfoto van [verdachte] en politie-uniformen aangetroffen.98 Het politielegitimatiebewijs blijkt vals te zijn. Uit onderzoek aan een USB-stick uit de woning van [verdachte] blijkt dat het valse politielegitimatiebewijs digitaal was opgeslagen op de USB-stick. Uit onderzoek aan een laptop uit de woning van [verdachte] blijkt dat daarop het programma Adobe geïnstalleerd is. Uit de historie van de opgeslagen bestanden in het programma werd aan bestandsnaam aangetroffen die overeenkomt met de bestandsnaam aangetroffen op de USB-stick behorend bij het valse politielegitimatiebewijs.99 De politie-uniformen, bestaande uit twee broeken, twee poloshirts met korte mouwen en twee poloshirts met lange mouwen, zijn authentiek en worden alleen aan geregistreerde politieambtenaren geleverd.100

In de woning van [verdachte] zijn ook andere politieattributen aangetroffen, zoals een holster en een houder portofoon.101 Verder bevond zich in de Volkswagen Golf, die op 5 november 2015 als vluchtauto is gebruikt, een zwaailicht en een politiestopbord.102 Uit de in de PGP-telefoon van [medeverdachte 3] aangetroffen berichten volgt dat de verdachten op 3 november 2015 het plan hadden om [slachtoffer 1] door middel van het politiestopbord een stopteken te geven, alsof zij politie waren.103

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte] het valse politielegitimatiebewijs opzettelijk voorhanden heeft gehad en ook wist dat hij/men zich hiermee, als zijnde een echte politieambtenaar, kon legitimeren. Het verweer van de raadsvrouw dat het politielegitimatiebewijs zo knullig is opgesteld dat niet bewezen kan worden dat het politielegitimatiebewijs had kunnen worden aangewend als ware echt en onvervalst, wordt verworpen. Het legitimatiebewijs lijkt voor de gemiddelde burger voldoende echt om daaraan geloof te hechten. Het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 betoogd dat [verdachte] niet wist dat de politie-uniformen van enig misdrijf afkomstig waren. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de politie-uniformen op legale wijze zijn verkregen. Politie-uniformen kunnen ook via een verhuurbedrijf worden verkregen of via zoekgeraakte post op de markt terechtkomen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt het volgende.

Politiekleding wordt door de Nationale Politie alleen aan geregistreerde politieambtenaren uitgegeven. [verdachte] is geen geregistreerd politieambtenaar. Naast de politie-uniformen zijn ook een vals politielegitimatiebewijs en andere politieattributen in de woning van [verdachte] aangetroffen. Gelet op de PGP-berichten in de telefoon van [medeverdachte 3] was het kennelijk de bedoeling om de politiespullen te gebruiken bij het plegen van strafbare feiten. Het kan onder deze omstandigheden niet anders dan dat de politie-uniformen op illegale wijze zijn verkregen en dat [verdachte] dit ook wist ten tijde van het voorhanden krijgen van deze uniformen. Het scenario van de raadsvrouw acht de rechtbank niet aannemelijk. [verdachte] heeft dit zelf niet verklaard. Hij heeft in het geheel geen verklaring af willen leggen over de herkomst van de politiekleding. Het onder 3 ten laste gelegde kan daarom worden bewezen.

7.3.

Feit 4: medeplegen vernieling/beschadiging Mazda

Na de schietpartij op 5 november 2015 in Diemen heeft de forensische opsporing bij meerdere geparkeerde auto’s, ter hoogte van het perceel [straatnaam] te Diemen, in- en doorschoten geconstateerd. Eén van deze auto’s is een auto van het merk Mazda, waarbij een inschot in het linker voorportier zichtbaar is. Tijdens het onderzoek aan deze auto is op de vloer voor de bestuurdersstoel een kern van een projectiel aangetroffen. Op 9 november 2015 heeft de eigenares van de Mazda aangifte gedaan van vernieling/beschadiging van haar auto.104

Zoals in zaak A is geoordeeld, heeft [verdachte] intensief samengewerkt met de schutters. Hij was betrokken bij de voorbereiding en heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de [straatnaam] in Diemen gebracht met het oogmerk om daar [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Hij wist dat zij vuurwapens bij zich hadden en heeft onder die omstandigheden moeten begrijpen dat de kans aanmerkelijk was dat zij behalve dodelijk letsel aan [slachtoffer 1] , ook directe schade aan voorwerpen, zoals bijvoorbeeld auto’s, zouden toebrengen. De rechtbank acht medeplegen van feit 3 daarom bewezen.

Omdat sprake is van een inschot en deze aantasting van de Mazda middels een reparatie kan worden hersteld, acht de rechtbank de onder 3 ten laste gelegde beschadiging bewezen.

7.4.

Feit 5: rijden zonder geldig rijbewijs

Het rijbewijs van [verdachte] was vanaf 22 juni 2015 ongeldig verklaard. Uit een uitdraai van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) blijkt dat het rijbewijs ongeldig is verklaard voor de categorieën: B, BE, C, C1, C1E en CE. Tijdens het onderzoek 26Tandem is [verdachte] meerdere keren als bestuurder van de Volkswagen Golf gezien. Op 30 oktober 2015 rijdt [verdachte] op de [straatnaam 9] te [plaats 1] . Op 2 november 2015 rijdt [verdachte] op het [straatnaam 7] te Amsterdam en op 3 november 2015 rijdt hij als bestuurder van de Volkswagen Golf op de [straatnaam 4] te [plaats 1] . [verdachte] heeft tijdens een politieverhoor verklaard dat hij een tijdje geleden zijn rijbewijs is kwijt geraakt door rijden na alcohol drinken.105

De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze bewijsmiddelen het onder 5 ten laste gelegde kan worden bewezen.

8 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5 tot en met 7 vervatte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen bewezen dat verdachte:

Zaak A

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te Diemen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, van korte afstand met vuurwapens 34 kogels op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, waardoor die [slachtoffer 1] meermalen in zijn lichaam is geraakt,

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te Diemen, tezamen en in vereniging met anderen, wapens van categorie II, te weten: vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren, of categorie III, te weten: vuurwapens in de vorm van een geweer of pistool voor zover niet vallend onder categorie II sub 2e, en munitie van categorie III, te weten 34 patronen, kaliber 7.62x39, voorhanden heeft gehad,

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen,

- een personenauto, merk: Volkswagen Golf met kenteken [nummer 1] en

- een personenauto, merk: Audi S4 met Duits kenteken [nummer 6] en

- een motorscooter, merk Piaggio met kenteken [nummer 4]

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen,

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, voorhanden heeft gehad:

onderdelen die specifiek bestemd zijn voor wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II, onder 7e, te weten: wapens bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, en die van wezenlijke aard zijn,

te weten:

- acht containers, bevattende totaal ongeveer 2,2 kilogram springstof op basis van TNT, en

- vijf elektrische slagpijpjes, en

- een constructie bestaande uit een PVC pijp die met een slagpijpje kan worden verbonden, welk slagpijpje met een afstandsbediening op afstand tot ontploffing kan worden gebracht;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te [plaats 2] , in een woning gelegen aan de [straatnaam 6] , voorhanden heeft gehad:

een wapen van categorie III, te weten:

- een pistool, Walther/P99 Knal, en

een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten:

- tien kogelpatronen, kaliber 9mm Br.C. en

- twee kogelpatronen, kaliber .380 Auto en

- een kogelpatroon, kaliber 7.62x39mm en

- 270 kogelpatronen, diverse kalibers, te weten 9mm Br.C en .380 Auto en 9mm en 9mm Luger

en

wapens van categorie II, onder 5, te weten:

- twee stroomstootwapens, type 618TYPF.

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde,

hij op 5 november 2015 te [plaats 2] , in een woning gelegen aan de [straatnaam 6] , voorhanden heeft gehad:

wapens van categorie I, onder 7, te weten:

- een gasdrukwapen, Gamo V3/177/4,5mm en

- een veerdrukwapen, kaliber 6 mm BB en

wapens van categorie I, onder 1 en 3, te weten:

- een vlindermes en

- een vilmes.

Zaak B

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 168 pillen bevattende MDMA en 3,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde middelen, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te Amsterdam, opzettelijk een vals geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een legitimatiebewijs van het Korps Landelijke Politiediensten ten name van [persoon 2] , documentnummer [nummer 11] , datum [datum] , voorhanden heeft gehad, bestaande die valsheid hieruit dat:

- dat legitimatiebewijs volledig is nagemaakt en

- op dat legitimatiebewijs een foto van verdachte was aangebracht, als ware hij die [persoon 2] ,

terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te Amsterdam, authentieke politie-uniformen, te weten twee operationele

politiebroeken en vier operationele politiepoloshirts voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof,

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

op 5 november 2015 te Diemen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto merk Mazda, kenteken [nummer 8] , toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft beschadigd, immers hebben hij en zijn mededaders, in de nabijheid van die Mazda met vuurwapens meerdere kogels afgevuurd, waarvan één kogel in het bestuurdersportier van voornoemde Mazda is ingeslagen.

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

in de periode van 30 oktober 2015 tot en met 3 november 2015 in Nederland, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, BE, C, C1, C1E en CE, vanaf 22 juni 2015 ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, meermalen telkens op de weg, te weten

- op 30 oktober 2015 op de [straatnaam 9] te [plaats 1] , en

- op 2 november 2015 op de [straatnaam 7] te Amsterdam, en

- op 3 november 2015 op de [straatnaam 4] te [plaats 1] ,

als bestuurder een motorrijtuig (een Volkswagen Golf) van die categorie heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

9 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

10 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

11 Motivering van de straf

11.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot 17 jaar en 9 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient aan [verdachte] een ontzegging van de rijbevoegdheid te worden opgelegd voor de duur van 3 jaar.

De officier van justitie is van mening dat voor de poging tot moord een gevangenisstraf van 14 jaar passend en geboden is voor alle verdachten. Gezien de zeer intensieve en nauwe samenwerking tussen de verdachten ziet de officier van justitie geen reden om bij de straf die zij als uitgangspunt heeft genomen voor de poging tot moord onderscheid te maken tussen de verschillende verdachten.

De ernst van de andere strafbare feiten en de proceshouding van [verdachte] hebben geleid tot de uiteindelijke strafeis.

11.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om bij bewezenverklaring van de strafbare feiten een veel lagere gevangenisstraf op te leggen. Gelet op de gevangenisstraffen die in andere zaken voor een poging tot moord zijn opgelegd, is 14 jaar een veel te hoog uitgangspunt. Er is door de officieren van justitie ook onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat [verdachte] nooit eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. [verdachte] moet de kans krijgen om zijn leven te beteren als hij vrijkomt. Het ontnemen van de rijbevoegdheid na vrijlating is onnodige leedtoevoeging, aldus de raadsvrouw.

11.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachten hebben geprobeerd om [slachtoffer 1] te liquideren. De aanslag is lang en intensief voorbereid. Op 5 november moest het dan echt gebeuren. Koste wat het kost moest [slachtoffer 1] die dag dood. Met (semi-) automatische vuurwapens zijn minimaal 34 kogels op [slachtoffer 1] afgevuurd. [slachtoffer 1] is meerdere keren geraakt in zijn rug en buik . Het is een wonder dat hij de aanslag heeft overleefd. Er zaten 18 schotbeschadigingen in zijn auto, waaronder in de rugleuning en de hoofdsteun van de bestuurderstoel. Zwaargewond is hij naar het ziekenhuis afgevoerd. Hij moest geopereerd worden en er zijn kogels uit zijn lichaam verwijderd. Op dit moment heeft [slachtoffer 1] nog steeds pijn doordat niet alle kogels en kogelresten uit zijn lichaam verwijderd konden worden. Op zijn verzoek zal hij binnenkort nogmaals geopereerd worden om nog een kogel te verwijderen. Bij deze ingreep kunnen complicaties optreden. Uit de toelichting van zijn advocaat op zitting blijkt dat de aanslag het leven van [slachtoffer 1] en zijn familie voorgoed heeft veranderd.

De aanslag is niet alleen ingrijpend geweest voor [slachtoffer 1] en zijn familie. Ook voor de bewoners van de [straatnaam] in Diemen is de aanslag een heftige gebeurtenis geweest. Midden op de dag is in hun woonwijk in het wilde weg geschoten. Er hadden zo maar meer slachtoffers kunnen vallen. Een getuige kwam net aanrijden op de parkeerplaats toen er werd geschoten. Een andere getuige heeft verklaard dat normaal op het tijdstip van schieten veel buurtbewoners hun hond uitlaten op deze plek. Het meedogenloze en levensgevaarlijke handelen van verdachten heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij de buurtbewoners en vele andere mensen in de samenleving opgeroepen. De rechtbank rekent dat verdachten zwaar aan.

De liquidatiegolf in Amsterdam gaat maar door. Dit dwingt de rechtbank steeds hogere gevangenisstraffen op te leggen. Mogelijk dat daar uiteindelijk een preventief effect vanuit gaat, zodat kan worden voorkomen dat steeds opnieuw mensenlevens worden verwoest en de inwoners van Amsterdam met vuurwapengeweld in hun woonomgeving worden geconfronteerd. De rechtbank acht bij de strafoplegging niet van groot belang dat [slachtoffer 1] de aanslag heeft overleefd. Dit berust immers op louter toeval. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] de aanslag heeft overleefd maakt het meedogenloze handelen van verdachten ook niet minder ernstig en de noodzaak tot bescherming van de maatschappij tegen verdachten niet minder groot.

Anders dan de officier van justitie maakt de rechtbank bij de strafoplegging onderscheid in de rol die iedere verdachte heeft gehad bij de aanslag. Deze rollen zijn niet uitwisselbaar. De schutters verdienen naar het oordeel van de rechtbank de hoogste straf. Tegen personen die bereid en in staat zijn om als moordcommando op te treden dient de maatschappij het meest beschermd te worden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren de twee schutters. [verdachte] heeft het intensiefst met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samengewerkt. Zowel voor, tijdens als na de aanslag is hij met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgetrokken. [verdachte] heeft het hen feitelijk ook mogelijk gemaakt om te schieten door de VW Golf te besturen. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hadden een rol wat meer op afstand. De rechtbank zal daarom aan [verdachte] voor de poging tot liquidatie een hogere straf opleggen dan aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . De rechtbank acht voor [verdachte] voor de poging tot liquidatie een gevangenisstraf van 14 jaar als uitgangspunt passend en noodzakelijk. Dit is gelijk aan de straf die de officier van justitie als uitgangspunt heeft genomen.

[verdachte] heeft zich naast de aanslag op [slachtoffer 1] ook schuldig gemaakt aan het bezit van een grote hoeveelheid explosieven en heling van voertuigen. Deze goederen bevonden zich in een door [verdachte] gehuurde loods. De grote hoeveelheid explosieven die [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad versterkt het beeld dat we te maken hebben met criminelen die zich niet bekommeren om mensenlevens. Uit onderzoek blijkt dat het gebruik van slechts een van de blokken TNT dodelijk kan zijn voor personen die zich op een afstand van meerdere meters bevinden. [verdachte] heeft daarnaast vele illegale goederen in zijn woning voorhanden gehad: wapens, munitie, drugs, een vals politielegitimatiebewijs en politiekleding. Het was de bedoeling om laatstgenoemde goederen te gebruiken bij de aanslag op [slachtoffer 1] . De rechtbank zal aan [verdachte] een aanvullende gevangenisstraf opleggen voor deze strafbare feiten. De rechtbank zal hem geen ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

Anders dan de andere verdachten heeft [verdachte] geen strafblad op het gebied van geweldsfeiten, vermogensfeiten en drugsfeiten. [verdachte] is eerder alleen veroordeeld voor verkeersmisdrijven. De rechtbank is dan ook verbaasd dat [verdachte] zich met zulke ernstige strafbare feiten heeft beziggehouden en had graag inzicht gekregen in de reden daarvan. [verdachte] heeft er echter voor gekozen zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Dat is zijn goed recht, maar maakt het wel lastig in te schatten hoe groot de kans is dat [verdachte] in de toekomst na zijn vrijlating weer de fout in zal gaan. De rechtbank heeft bij [verdachte] echter nog enige hoop dat een langdurige gevangenisstraf hem ervan zal weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Hij heeft betrokken ouders, heeft jaren normaal gewerkt en hij heeft in het kader van deze strafzaak meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek waarbij geen stoornissen zijn vastgesteld. Het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijkheid werken dan ook niet strafverhogend. Wel hecht de rechtbank enig gewicht aan de omstandigheid dat [verdachte] geen verantwoording heeft willen afleggen voor zijn daden.

Het bovenstaande leidt tot de volgende straf voor [verdachte] : een gevangenisstraf van 16 jaar, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank acht het niet passend om aan [verdachte] een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Voornoemde gevangenisstraf heeft al tot gevolg dat [verdachte] jarenlang geen voertuigen kan besturen zodat een ontzegging uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet noodzakelijk is. De rechtbank acht het ook niet passend om het [verdachte] na vrijlating uit de gevangenis enige periode onmogelijk te maken te rijden omdat dat de kans op een succesvolle resocialisatie, in het bijzonder de kans op een baan, zou verkleinen.

12 Beslag

Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen behoren aan [verdachte] toe. Overeenkomstig het door de officier van justitie ingenomen standpunt beslist de rechtbank ten aanzien van deze voorwerpen als volgt:

- de onder 2, 13 en 19 vermelde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer, nu deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door [verdachte] begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang;

- de onder 3 tot en met 12, 14, 20 en 28 vermelde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer, nu met betrekking tot deze voorwerpen het in zaak A onder 5 en 6 bewezen geachte is begaan, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang;

- de onder 15 tot en met 17 vermelde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer, nu met betrekking tot deze voorwerpen het in zaak B onder 1 bewezen geachte is begaan, en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang;

- de onder 21, 22, 24, 25 en 26 vermelde voorwerpen worden verbeurdverklaard, nu met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is voorbereid;

- het onder 27 vermelde voorwerp wordt verbeurdverklaard, nu met betrekking tot dit voorwerp het in zaak B onder 2 bewezen geachte is begaan;

- ten aanzien van de onder 1, 29 en 30 vermelde voorwerpen zal de teruggave aan de rechthebbende worden gelast.

13 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

13.1.

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 227.400,01, bestaande uit € 202.400,01 aan materiële schadevergoeding106 en € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft, overeenkomstig het door haar op schrift gestelde standpunt, de vordering ter terechtzitting toegelicht. Voor zover de schadeposten door het openbaar ministerie of de verdediging zijn betwist, worden deze hieronder besproken.

13.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering gedeeltelijk moet worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 31.198,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de materiële schade is, kort gezegd, betoogd dat het gevorderde bedrag aan kleding (post 1) tot de helft dient te worden gematigd, omdat de vordering uitgaat van de nieuwwaarde van deze kleding. Ten aanzien van het kwijtgeraakte horloge (post 1) is onvoldoende vast komen te staan dat [slachtoffer 1] dit horloge ten tijde van het delict droeg en als rechtstreeks gevolg van de schietpartij heeft verloren, zodat dit deel van de vordering moet worden afgewezen.

De gestelde inkomstenderving (post 3) is onvoldoende onderbouwd, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De gevorderde kosten van € 2.115,- voor inschakeling van de rekenkundige [naam 5] (post 7) zien deels op nog niet gemaakte kosten, zodat dit onderdeel van de vordering moet worden beperkt tot de gemaakte kosten van
€ 363,-.

De gevorderde immateriële schade van € 25.000,- is redelijk, gezien de ernst van het letsel en de impact die het misdrijf op het leven van [slachtoffer 1] heeft gehad en zal hebben, zodat deze in zijn geheel toewijsbaar is.

13.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, moet de vordering voor wat betreft de kosten voor het kwijtgeraakte horloge (post 1) en de gestelde inkomstenderving (post 3) niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze te complex en onvoldoende onderbouwd zijn. De behandeling ervan levert daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat deze moet worden gematigd.

13.4.

Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

De rechtbank acht toewijzing van de schadeposten 1, 2, 4 en een gedeelte van schadepost 7 aan de orde.

[slachtoffer 1] heeft gesteld en voldoende bewezen dat hij, toen hij werd beschoten, kleding droeg ter waarde van € 1.390,92. Dat die kleding verloren is gegaan als gevolg van de schietpartij, is ook voldoende komen vast te staan en was voorzienbaar. Ook heeft [slachtoffer 1] gesteld en voldoende bewezen dat hij op dat moment een horloge droeg ter waarde van € 11.450,-, en dat hij dit horloge als gevolg van het delict is kwijtgeraakt. Het verlies van het horloge en de daardoor ontstane schade kan aan verdachte worden toegerekend.

De medische kosten, de reiskosten en de kosten huishoudelijke hulp/verlies zelfredzaamheid die door de benadeelde partij zijn gevorderd, zijn ontstaan als gevolg van het delict zodat die schadeposten ten bedrage van € 1.515,- en € 63,89 en € 3.560,20 worden toegewezen (post 2, 4 en een gedeelte van post 7).

De vordering is voor wat betreft de gevorderde inkomstenderving alsmede de kosten ter berekening daarvan op dit moment onvoldoende onderbouwd, terwijl een nadere onderbouwing daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zodat [slachtoffer 1] in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Tot slot waardeert de rechtbank de immateriële schade zoals verzocht op een bedrag van

€ 25.000,- De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij soortgelijke zaken als de onderhavige. Ook is acht geslagen op de ernst van het letsel en de impact die het misdrijf op het leven van [slachtoffer 1] en zijn gezin heeft gehad en zal hebben, alsmede de omstandigheid dat bij de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte mogelijk sprake is van een posttraumatische stresstoornis.

Gelet op het voorgaande, waardeert de rechtbank de schade op een totaal bedrag van

€ 42.980,01, bestaande uit € 17.980,01 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

[slachtoffer 1] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer 1] wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.

14 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op:

  • -

    de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57, 225, 289, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht

  • -

    de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie

  • -

    de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet

  • -

    de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

15 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 8 is vermeld.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 8 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

medeplegen van poging tot moord

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

Ten aanzien van het onder 5 en 6 bewezen verklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Zaak B

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

opzetheling

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

medeplegen van beschadiging

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

Verklaart verbeurd de onder 21, 22, 24, 25, 26 en 27 op de beslaglijst vermelde voorwerpen.

Onttrekt aan het verkeer de onder 2 tot en met 17, 19, 20 en 28 op de beslaglijst vermelde voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de onder 1, 29 en 30 op de beslaglijst vermelde voorwerpen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] , domicilie kiezend ten kantore van zijn raadsvrouw mr. E. Huls, [adres, te plaats] , toe tot een bedrag van € 42.980,01, bestaande uit € 17.980,01 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 42.980,01 aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 249 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. P.B. Martens en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2017.

1 Proces-verbaal van verdenking, zaaksdossier C01, p. 75-76.

2 p. Afschermproces-verbaal, zaaksdossier C01, p 77.

3 Proces-verbaal aanvraag bevel opnemen (tele)communicatie (spoedtaps), BOB-dossier, p. 75-77.

4 Proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige observatie, met als bijlage aangehaalde tapgesprekken, BOB-dossier, p. 828.

5 Proces-verbaal aanvraag bevel opnemen (tele)communicatie, BOB-dossier, p. 880-885.

6 Proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige observatie, BOB-dossier, p. 819-820.

7 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

8 Proces-verbaal 26Tandem, zaaksdossier C01, p. 26.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , zaaksdossier C01 p. 702, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , zaaksdossier C01, p. 704-705, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , zaaksdossier C01, p. 708, proces-verbaal verhoor [persoon 1] , zaaksdossier C01, proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 359-360, p. 709-711, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] , zaaksdossier C01, p. 718-719, proces-verbaal verhoor getuige 010541068, zaaksdossier C01, p. 724, proces-verbaal verhoor getuige 175077605, zaaksdossier C01, p. 722-723.

10 Proces-verbaal van bevindingen PD, zaaksdossier C01, p. 169-173.

11 Letselverklaring p. 692-693, proces-verbaal van verhoor aangever, zaaksdossier C01, p. 682-683 en een proces-verbaal ontvangen foto’s m.b.t. letsel, zaaksdossier C01, p. 687-691.

12 Proces-verbaal van bevindingen FO, zaaksdossier C01, p. 183-192 en een proces-verbaal van bevindingen FO, zaaksdossier C01, p. 283-286.

13 Rapport NFI munitieonderzoek, zaaksdossier C01, p. 287-296, proces-verbaal van bevindingen FO Schootslijnen, zaaksdossier C01, p. 297-313 en een proces-verbaal onderzoek wapens en munitie van 6 april 2017, niet doorgenummerd.

14 Proces-verbaal van observatie van 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 956-961.

15 Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 3] , persoonsdossier B04, p. 10-12, proces-verbaal rectificatie tijdstippen m.b.t. aanhouding [medeverdachte 3] , persoonsdossier B04, p. 19.

16 Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 1] , zaaksdossier B01 p. 13-15, proces-verbaal van aanhouding [verdachte] , zaaksdossier B03, p. 8-10 en een proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 94.

17 Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 2] , B02 p. 10-13.

18 Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 4] , B05 p. 8-9.

19 Kennisgeving van inbeslagneming, beslagdossier, p. 437.

20 Proces-verbaal van inbeslagneming [medeverdachte 3] , beslagdossier, p. 447.

21 Verslag van binnentreden en proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, beslagdossier, p. 128-137.

22 Proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 1] , zaaksdossier C01, p. 1016.

23 Proces-verbaal van bevindingen Blackberries, zaaksdossier C01, p. 1013.

24 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 462.

25 Proces-verbaal van bevindingen Blackberries, zaaksdossier C01, p. 1013- 1014.

26 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p 478.

27 Een NFI rapportage, inhoudende onderzoek aan 4 mobiele telefoons naar aanleiding van een poging liquidatie in Amsterdam op 5 november 2015, zaaksdossier A, p. 184-191, een proces-verbaal van bevindingen Blackberries, zaaksdossier C01, p. 1011-1014, een proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 1] , zaaksdossier C01, p. 1015-1021, een proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1022-1038 en een proces-verbaal van bevindingen PGP-toestel [verdachte] , zaaksdossier C01, p. 1277-1279.

28 Proces-verbaal van bevindingen PGP-toestel [verdachte] , zaaksdossier C01, p. 1277.

29 Proces-verbaal van bevindingen PGP-toestel [verdachte] , zaaksdossier C01, p. 1278.

30 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 464-465 en een kennisgeving van inbeslagneming, zaaksdossier E, p. 111-112.

31 Proces-verbaal BlackBerry IGB [medeverdachte 2] , zaaksdossier C01, p. 1039-1040 en een proces-verbaal van bevindingen Blackberries, zaaksdossier C01, p. 1011-1014.

32 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 468-471.

33 Proces-verbaal Blackberry igb [medeverdachte 4] , zaaksdossier C01, p. 1041-1042.

34 Proces-verbaal van bevindingen mbt het baken onder het voertuig in gebruik bij [slachtoffer 1] , zaaksdossier C01, p. 1096.

35 Proces-verbaal van bevindingen Blackberries, zaaksdossier C01. p. 1012.

36 Proces-verbaal sporenonderzoek, zaaksdossier C01, p. 350.

37 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, zaaksdossier C01, p. 396-423 en proces-verbaal van bevindingen GPS locaties, zaaksdossier C01, p. 425-432.

38 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 433-434.

39 Proces-verbaal van verstrekking gevorderde gegevens, zaaksdossier C01, p. 396-401.

40 Proces-verbaal van bevindingen relatie baken [nummer 9] en imei [IMEI-nummer 6] , zaaksdossier C01, p. 445-456.

41 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01 p. 93-106.

42 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 1] , zaaksdossier C02, p. 16-24.

43 Proces-verbaal van observatie, zaaksdossier C01, p. 890-898.

44 Proces-verbaal van verhoor [naam 3] , zaaksdossier C01, p. 806-811

45 Proces-verbaal 26Tandem, zaaksdossier C01, p. 15-16, proces-verbaal van observatie, zaaksdossier C01, p. 900-905.

46 Proces-verbaal 26Tandem, zaaksdossier C01, p. 15-24.

47 Proces-verbaal van observatie, zaaksdossier C01, p. 912-914.

48 Proces-verbaal van bevindingen mbt het baken onder het voertuig van [slachtoffer 1] in combinatie met overige onderzoeksgegevens, zaaksdossier C01, p. 1098-1104.

49 Proces-verbaal van observatie, zaaksdossier C01, p. 915-920

50 Proces-verbaal van bevindingen mbt het baken onder het voertuig van [slachtoffer 1] in combinatie met overige onderzoeksgegevens, zaaksdossier C01, p. 1104-1120.

51 Proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1023-1024.

52 Proces-verbaal van bevindingen mbt het baken onder het voertuig van [slachtoffer 1] in combinatie met overige onderzoeksgegevens, zaaksdossier C01, p. 1105.

53 Proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1024-1025.

54 Proces-verbaal van observatie, zaaksdossier C01 p. 922-924.

55 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 435-437 en een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , zaaksdossier C01, p. 814-816.

56 Proces-verbaal van bevindingen inlog Samsung Galaxy Core 2, zaaksdossier C01, p. 438-439.

57 Proces-verbaal van bevindingen PGP-toestel [verdachte] , zaaksdossier C01, 1277-1279.

58 Proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1030.

59 Proces-verbaal van observatie van 3 november 2015, zaaksdossier C01 p. 925-931.

60 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 143-144 en een proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, beslagdossier, p. 108-109.

61 Proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1030.

62 Proces-verbaal van bevindingen mbt het baken onder het voertuig in gebruik bij [slachtoffer 1] in combinatie met overige onderzoeksgegevens, zaaksdossier C01, p. 1113-1118.

63 Proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1031-1033.

64 Proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1033-1034.

65 Proces-verbaal van bevindingen identificatie [medeverdachte 2] 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 145-150.

66 Proces-verbaal van bevindingen mbt 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 1127-1128.

67 Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, zaaksdossier C01, p. 156 – 165, proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01 p. 151-153, proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 166 en een proces-verbaal van bevindingen OVC 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 867-876.

68 Proces-verbaal van observatie van 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 936.

69 Proces-verbaal van bevindingen mbt 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 1131-1135.

70 Proces-verbaal sporenonderzoek, zaaksdossier C01, p. 367-372, een proces-verbaal gevorderde gegevens, zaaksdossier C01, p. 396-423 en een proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1033-1034.

71 Proces-verbaal van bevindingen mbt 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 1135-1147.

72 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 358-363.

73 Proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1035.

74 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 1151-1154.

75 Proces-verbaal van observatie van 5 november 2015, zaaksdossier C01 p. 939-944.

76 Proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1035 en een proces-verbaal van bevindingen mbt 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 1155-1157.

77 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 1157-1160.

78 Proces-verbaal van observatie 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 945-952, een aanvullend proces-verbaal van observatie 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 953 en een proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C01, p. 1160-1163.

79 Proces-verbaal van verstrekking gevorderde gegevens, zaaksdossier C01, p. 396-401.

80 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. 5 november, zaaksdossier C01, p. 1161.

81 Proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 3] , zaaksdossier C01, p. 1037-1038.

82 Proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 1] , zaaksdossier C01, p. 1017-1018.

83 Proces-verbaal van observatie 5 november 2015, zaaksdossier C01, p. 962-963 en een proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 6] , zaaksdossier C01, p. 727-733.

84 Proces-verbaal van bevindingen OVC 5 november 2015, zaaksdossier C01 p. 877-881.

85 Proces-verbaal van bevindingen OVC, zaaksdossier C02, p. 46 en een proces-verbaal van bevindingen OVC (rectificatie), zaaksdossier C02, p. 50.

86 Proces-verbaal Blackberry [medeverdachte 1] , zaaksdossier C01, p. 1020.

87 Proces-verbaal doorzoeking loods, beslagdossier, p. 225.

88 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C04, p. 59-63.

89 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C02, p. 51-53, proces-verbaal sporenonderzoek, zaaksdossier C02, p. 81-93 en een NFI rapport, inhoudende een explosievenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vermeende explosieve materialen in de kofferruimte van de Audi, zaaksdossier C02, p. 54-80, een verslag, te weten een reactie van het NFI op aanvullende vragen, zaaksdossier C02, p. 179-188.

90 Proces-verbaal uitslag sporenonderzoek n.a.v. dactyloscopisch onderzoek, zaaksdossier C02, p. 100 en een rapport dacty, zaaksdossier C02, p. 114.

91 Proces-verbaal doorzoeking loods, beslagdossier E, p. 221-230 en een proces-verbaal van aangifte, zaaksdossier C05, p. 54-62.

92 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C03, p. 63-65.

93 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, beslagdossier E, p. 108-109.

94 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, beslagdossier E, p. 131-137 en een KVI, beslagdossier E, p. 154-156.

95 Proces-verbaal onderzoek wapens en munitie, zaaksdossier C06, p. 14-29 en een proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C06, p. 29A.

96 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

97 Een geschrift, te weten een GBA bevraging, zaaksdossier C06, p. 13, een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, beslagdossier E, p. 131-137, een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, zaaksdossier C09, p. 8-15 en een rapport van het NFI, identificatie van drugs en precursoren, zaaksdossier C09, p. 18-19; een proces-verbaal van relaas, zaaksdossier C09, p. 4.

98 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, beslagdossier E, p. 131-132.

99 Proces-verbaal van bevindingen mbt in beslag genomen vals politielegitimatiebewijs, zaaksdossier C11, p. 10-12.

100 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier C11, p. 34-35.

101 Proces-verbaal 26Tandem, zaaksdossier 11, p. 4-5.

102 Proces-verbaal 26Tandem, zaaksdossier 11, p. 7-8.

103 Proces-verbaal BlackBerry [medeverdachte 3] , zaaksdossier 1, p. 1033.

104 Proces-verbaal van bevindingen FO, zaaksdossier C01 p. 183-225, proces-verbaal van bevindingen FO Mazda [nummer 8] , zaaksdossier C01 p. 281-282, een proces-verbaal sporenonderzoek, zaaksdossier C08, p. 11-12 en een proces-verbaal van aangifte, zaaksdossier C08, p. 8-10.

105 Proces-verbaal van observatie 30 oktober 2015, zaaksdossier C01, p. 915-920, proces-verbaal van observatie 2 november 2015, zaaksdossier C01, p. 921, een proces-verbaal van observatie 3 november 2015, zaaksdossier C01, p. 928, een geschrift, te weten uitslag onderzoek, besluit: rijbewijs ongeldig, van 15 juni 2015, niet doorgenummerd en een proces-verbaal verhoor verdachte, zaaksdossier B3, p. 23.

106 De vordering is bij brief van 12 april 2017 verhoogd.