Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
C/13/629940 / KG ZA 17-600 AB/EB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voetbalclub Ajax mocht de samenwerking met een kledingproducent opzeggen nadat deze verkeerd bedrukte Ajax-kleding op een braderie te koop had aangeboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3795
TvS&R 2017, afl. 2-3, p. 51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/629940 / KG ZA 17-600 AB/EB

Vonnis in kort geding van 18 juli 2017

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [naam],

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 23 juni 2017,

advocaat mr. K.Chr. Spee te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

AFC AJAX N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.A. Klos te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Ajax worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 4 juli 2017 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Ajax heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting was [eiser] aanwezig met mr. Spee. Aan de zijde van Ajax waren aanwezig [naam General Counsel] (General Counsel) en mr. Klos.

2 De feiten

2.1.

In 1989 is [eiser] in dienst getreden bij [naam producent] , producent van sportkleding en destijds sponsor van Ajax. Binnen [naam producent] was [eiser] verantwoordelijk voor het bedrukken van de sportkleding voor Ajax.

2.2.

In 2000 is [naam kledingsponsor] kledingsponsor van Ajax geworden. [eiser] heeft toen ontslag bij [naam producent] genomen en is voor zichzelf begonnen onder de naam [naam] . Sindsdien verricht hij zijn werkzaamheden ten behoeve van Ajax vanuit zijn eenmanszaak, aanvankelijk in opdracht van [naam kledingsponsor] en later in opdracht van Ajax. Partijen hebben daarover geen schriftelijke afspraken gemaakt.

2.3.

Elk jaar worden de wedstrijdtenues van alle elftallen en het trainingspakket van het eerste elftal vervangen. De overige kleding van de jeugd- en amateurteams wordt om het jaar vervangen. [naam kledingsponsor] leverde de sportkleding aan bij [eiser] , die er vervolgens in zijn bedrijfsruimte de teksten op drukte.

2.4.

Bij de door [naam kledingsponsor] aangeleverde kleding bevonden zich soms voor Ajax onbruikbare artikelen, zoals verkeerde maten of kleding waarop het logo de verkeerde kleur had. Als [eiser] [naam kledingsponsor] daarvan in kennis stelde, haalde [naam kledingsponsor] die spullen op als ze nog wel bruikbaar waren. Dat was echter niet altijd het geval. In de loop der jaren is in de bedrijfsruimte een groot aantal artikelen van [naam kledingsponsor] achtergebleven. Deze zullen hier verder restartikelen worden genoemd.
In een schriftelijke verklaring van 10 mei 2017 van [naam oproepkracht] , die sinds tien jaar als parttime oproepkracht van [naam] betrokken is geweest bij de werkzaamheden voor Ajax, is hierover het volgende opgenomen:

“In de jaren zijn er tal van artikelen bij ons binnengekomen die niet klopte qua aantal of gewoon onjuist waren, zoals gezegd werden deze gemeld met de vraag wat er mee moest gebeuren, vaak waren het reststanden enkele stuks die een nalevering waren van bijv. moesten er 100 stuks binnenkomen maar kwamen er 96 binnen en dan later kwamen de 4 ergens in een andere zending binnen, soms zat daar best wel lange tijd tussen, maar soms ook artikelen die helemaal niet voor ons bestemd waren. Wij gaven deze weer retour met het transport bedrijf. Ook zendingen met producten van andere teams door elkaar bijv. [naam Club] polo’s die dan uit de doos met Ajax polo’s kwamen per ongeluk bij ons binnen. [naam kledingsponsor] nam het niet zo nauw met de afwikkeling van deze artikelen. Vaak werd er gezegd laat maar even staan, wij komen het wel halen op de volgende afspraak, wat ook wel gebeurde, maar uit eindelijk belande ook artikelen op een pallet en werd het 1 radjetoe van restanten waar niemand naar omkeek. Na diverse vragen en meldingen werd er soms gezegd omdat het kleine oplage ging, van onbedrukte of bedrukte met de verkeerde maat, geef maar weg aan de voetbal club of voor eigen gebruik. Goederen staan er zolang daar kunnen we niets meer mee! We hebben wel eens een hele pallet regenjassen en winterjassen na 8 maanden aan een plaatselijke voetbalclub gegeven, want terug halen was te omslachtig qua kosten en de administratieve rompslomp. Wij hebben in de loop der jaren ook veel spullen kapot gesneden en weggegooid als daar toe werd verzocht, de misdrukken als die er al waren werden altijd vernietigd na melding te hebben gemaakt. (…)”

2.5.

Op 26 maart 2017 is in Amsterdam Osdorp een braderie gehouden. [naam Senior Director Brand Activation)] (Senior Director Brand Activation bij [naam kledingsponsor] , hierna [naam Senior Director Brand Activation)] ) en [naam hoofd afdeling Merchandising] (hoofd van de afdeling Merchandising van Ajax) hebben allebei op of omstreeks 3 juli 2017 schriftelijk verklaard die braderie te hebben bezocht naar aanleiding van een melding dat daar illegaal Ajax kleding werd verkocht, dat zij toen hebben geconstateerd dat [eiser] achter een kraampje stond waarop voor het overgrote deel Ajax artikelen te koop werden aangeboden en dat de bestelbus van [naam] achter het kraampje stond geparkeerd.

2.6.

Bij e-mail van 27 maart 2017 heeft [naam Senior Director Brand Activation)] [eiser] geïnformeerd dat [naam kledingsponsor] zich beraadt over haar positie en hem verzocht om per direct alle restproducten te retourneren zodat [naam kledingsponsor] tot vernietiging daarvan kan overgaan.

2.7.

In de eerste reactie van [eiser] , diezelfde dag, staat onder meer het volgende:

“(…) Uiteraard betreur ik de ontstane situatie ook vreselijk. Ik ben me ook een ongeluk geschrokken. Ik begrijp dat jij je over deze kwestie moet buigen en hoop in ieder geval dat wanneer jij terug bent wij de eventuele consequenties van het voorval kunnen bespreken (…). Nogmaals excuus voor deze situatie en hoop je snel te spreken om dit op te lossen.”

2.8.

In een tweede reactie, van 30 maart 2017, heeft [eiser] per e-mail geschreven:

“Inmiddels een paar dagen verder en diverse personen gesproken en na de restantjes die [naam 1] heeft opgehaald is de impact van mijn verkeerde inschatting gigantisch binnen gekomen.

Ik schrijf deze mail omdat ik enorm met de kwestie in mijn maag zit maar tegelijkertijd weet dat het niet te verdedigen is en doe dat dan ook niet.

Wel [naam hoofd afdeling Merchandising] , [naam 2] en [naam 1] uitgelegd hoe mijn besluit om de rest artikelen (meer dan 5jaar staan deze er) bij mijn vrouw op de stal te gooien tot stand kwam.

Ik heb totaal niet nagedacht over dat de goederen niet van mij waren of de eventuele gevolgen, alleen gedacht het is overjarig en afgeschreven en het staat al zolang in de weg, dus weg ermee.

Dat kan je naïef en dom noemen en dat is het ook, zeker bij mij die al vanaf 1989 bij de club mee loopt, had me dat moeten realiseren (…).”

2.9.

Bij brief van 10 april 2017 heeft Ajax de samenwerking met [eiser] beëindigd per uiterlijk 10 juni 2017.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, kort gezegd, Ajax te gebieden de overeenkomst voort te zetten en haar te verbieden de werkzaamheden die [eiser] gebruikelijk verricht uit te besteden aan een ander, alles op straffe van een dwangsom, althans Ajax te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 75.000,00 bij wijze van voorschot op een schadevergoeding.

3.2.

Ajax voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering die strekt tot voortzetting van de overeenkomst is in kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.2.

[eiser] heeft, anders dan Ajax stelt, een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen, die ertoe strekken dat hij in zijn levensonderhoud kan blijven voorzien.

4.3.

Ajax heeft de overeenkomst beëindigd omdat [eiser] aan Ajax en/of [naam kledingsponsor] toebehorende kleding heeft verkocht op een braderie. [eiser] bestrijdt de door Ajax geschetste gang van zaken. Hij stelt dat het zijn vriendin is geweest die met een kraam op de braderie stond en die daarop een aantal van de restartikelen had uitgestald zonder dat hij daarvoor toestemming had gegeven. [eiser] stelt verder dat hij alleen even op de braderie was om haar en hun zoontje te groeten en dat zijn bestelbus om die reden bij de kraam stond.

4.4.

Niet in geschil is dat restartikelen te koop zijn aangeboden op de braderie en dat deze ongeveer 80% van de op de kraam aangeboden goederen vormden. Evenmin is betwist dat [eiser] achter die kraam stond en dat zijn bus er vlak achter stond geparkeerd. Dat wekt de stellige indruk dat het [eiser] is geweest die de artikelen te koop heeft aangeboden, althans er met zijn neus bovenop stond en er niets tegen deed. Dat strookt ook met zijn aanvankelijke schriftelijke reactie, waarin hij zijn verontschuldigingen heeft aangeboden voor zijn verkeerde inschatting. Mede gelet op de eensluidende verklaringen van [naam Senior Director Brand Activation)] en [naam hoofd afdeling Merchandising] , is voorshands voldoende aannemelijk dat [eiser] op de braderie restartikelen heeft verkocht of laten verkopen.

4.5.

De stelling van [eiser] dat hij eigenaar van de restartikelen is geworden, gaat niet op. Ajax heeft terecht aangevoerd dat [naam kledingsponsor] en Ajax nooit afstand hebben gedaan van hun eigendomsrecht op de restartikelen en dat [eiser] dat uit het enkele feit dat deze nog in de bedrijfsruimte aanwezig waren ook niet mocht afleiden. Van verjaring kan ook geen sprake zijn, omdat [eiser] de restartikelen nooit in bezit heeft gehad, maar van meet af aan voor [naam kledingsponsor] /Ajax heeft gehouden.

4.6.

Wat daarvan verder zij, het had voor [eiser] duidelijk moeten zijn dat het in ieder geval niet de bedoeling was dat restartikelen zonder toestemming van Ajax en/of [naam kledingsponsor] in het verkeer zouden worden gebracht. Hij erkent dat in zijn

e-mail van 30 maart 2017 met zoveel woorden (“had me dat moeten realiseren”) en uit de verklaring van [naam oproepkracht] blijkt dat daarnaar de afgelopen jaren ook daadwerkelijk is gehandeld. In die verklaring staat immers dat de verkeerd geleverde artikelen veelal ofwel werden teruggehaald, ofwel door [eiser] in opdracht werden vernietigd. Een enkele keer zijn artikelen naar een goed doel gegaan, maar dat is wat anders dan verkoop voor eigen gewin, en bovendien was daarvoor toestemming gegeven.

4.7.

Voor Ajax is het van groot belang – dat onderkent ook [eiser] – erop te kunnen vertrouwen dat in het productieproces vertrouwelijk wordt omgegaan met de sportkleding en dat deze niet ‘weglekt’. De door Ajax gestelde vertrouwensbreuk wordt door de feiten gedragen en biedt voldoende grond voor beëindiging van de overeenkomst tussen partijen, of dat nu een duurovereenkomst is zoals [eiser] stelt, of een eenmalige opdracht, zoals Ajax meent.

4.8.

Gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over de in acht te nemen termijn bij opzegging van de overeenkomst. Ajax heeft de overeenkomst opgezegd op een termijn van twee maanden. [eiser] vindt die termijn te kort.

4.9.

Het mag zo zijn dat [eiser] al sinds 1989 de sportkleding voor Ajax bedrukt, de contractuele relatie tussen partijen dateert van 2012, daarover zijn zij het eens. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op verzoek van Ajax bepaalde investeringen heeft moeten doen die hij nog niet heeft kunnen terugverdienen (zoals hij stelt) of dat hij zijn bedrijf op een bepaalde manier heeft moeten inrichten waardoor hij opdrachten van anderen niet goed kan uitvoeren. Van andere omstandigheden die maken dat Ajax een langere termijn in acht had moeten nemen, of gehouden was tot het aanbieden aan [eiser] van een schadevergoeding is evenmin gebleken.

4.10.

Dat [eiser] na 10 juni 2017 – de datum waartegen de overeenkomst is opgezegd – nog opdrachten van Ajax heeft ontvangen, waarbij ook medewerkers van de afdeling Merchandising van [naam kledingsponsor] betrokken waren, biedt onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering. Ajax heeft in dit verband aangevoerd dat over de opzegging op directieniveau is beslist en dat het besluit om geen zaken meer met [eiser] te doen nog niet tot alle lagen van de organisatie is doorgedrongen.

4.11.

Op grond van al het voorgaande is niet aannemelijk dat de bodemrechter de primaire of de subsidiaire vordering van [eiser] zal toewijzen. Bij deze uitkomst behoeft hetgeen partijen hebben aangevoerd in het kader van het merkrecht geen bespreking meer. De vordering zal worden afgewezen.

4.12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ajax worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.740,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Ajax tot op heden begroot op € 2.740,00,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.1

1 type: eB coll: mb