Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5043

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
AMS 16/8134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Verweerder heeft het advies van de GGD aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen, omdat er voor verweerder, gelet op de door de GGD-arts beschikbare en geraadpleegde medische informatie, geen reden bestaat om aan de juistheid van dit advies twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/8134

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J. Ruijs),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is – zonder voorafgaande kennisgeving – niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser is gehuwd, maar woont alleen in een zelfstandige woning op het [adres] in Amsterdam Noord. Zijn vrouw woont in Nigeria. Eiser en zijn vrouw hebben geen kinderen. Eiser ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

1.2.

Op 28 augustus 2016 heeft eiser om medische redenen bij verweerder een urgentieverklaring aangevraagd. Bij zijn aanvraag heeft eiser onder andere aangegeven dat hij sinds 2004 longproblemen heeft en dat hij problemen heeft met zijn enkel en been. Eiser kan moeilijk traplopen. Eisers woning bevindt zich echter op de eerste etage en er zijn twee trappen.

1.3.

Verweerder heeft de aanvraag voorgelegd aan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (de GGD). Op 7 september 2016 heeft de GGD-arts negatief geadviseerd ten aanzien van de noodzaak van de urgentieverklaring.

1.4.

Bij het primaire besluit – gehandhaafd bij het bestreden besluit – heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Er is volgens verweerder geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat eiser een zelfstandige huurwoning heeft. Bovendien kan eiser zijn woonprobleem op eigen kracht oplossen, omdat hij 9,5 jaar staat ingeschreven bij Woningnet. In verband met eisers medische klachten is beoordeeld of in eisers geval een uitzondering moet worden gemaakt op grond van de hardheidsclausule. Dat is niet het geval, aldus verweerder.

1.5.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De geraadpleegde GGD-arts heeft niet het complete medische dossier van eiser meegewogen, hetgeen wel had gemoeten. Ook had verweerder toepassing dienen te geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), aldus eiser.

2. Wettelijk kader

2.1.

Op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (de Verordening) weigeren burgemeester en wethouders de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen.

2.2.

Op grond van artikel 2.6.11, eerste lid, van de Verordening zijn burgemeester een wethouders, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1.

In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring heeft geweigerd.

3.2

Voorop dient te worden gesteld dat verweerder bij de aan hem in de Verordening verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring, gelet op de tekst ervan, beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. Dit leidt ertoe dat de rechtbank in dit geval terughoudend dient te toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3765).

3.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen op grond van artikel 2.6.5, eerste lid onder b en c van de Verordening. Dit zijn wettelijke, imperatieve weigeringsgronden. Zoals eiser ter zitting heeft bevestigd, betwist hij deze weigeringsgronden niet. Voorts heeft eiser de beroepsgrond ten aanzien van artikel 4:84 van de Awb ter zitting ingetrokken.

3.4.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder toepassing had dienen te geven aan de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 2.6.11, eerste lid, van de Verordening. Zoals eiser ter zitting heeft verduidelijkt, stelt hij zich in dat kader op het standpunt dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd hoe hij rekening heeft gehouden met de medische toestand van eiser en op welke wijze rekening is gehouden met de informatie uit de brieven van de behandeld sector.

3.5.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder ook bij de besluitvorming omtrent de toepassing van de hardheidsclausule beleidsvrijheid toekomt, waardoor de rechtbank het bestreden besluit ook op dit punt terughoudend dient te toetsen. Een beroep op de hardheidsclausule kan om die redenen slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan eiser is om aannemelijk te maken dat er sprake is van omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank stelt vast dat verweerder het advies van de GGD van 7 september 2016 aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Daaruit blijkt dat de GGD-arts eiser heeft gezien op zijn spreekuur alsmede brieven heeft geraadpleegd van de behandelend longarts en internist en een medische rapportage van [de persoon] , van de MO-zaak. De GGD-arts heeft geadviseerd dat een urgentie op medische gronden niet geïndiceerd is. Volgens de GGD-arts is er sprake van een langzaam afnemende longfunctie. Al is een wooneis van maximaal 16 traptreden (langdurig geschikt) inmiddels afgegeven en is de situatie moeilijk, is volgens de GGD-arts niet te onderbouwen dat er ook een urgente situatie is ontstaan. Met zeer langzaam traplopen, wat relatief weinig inspanning kost, wordt eiser in staat geacht de periode te overbruggen tot aan welke eiser een geschikte woning heeft gevonden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft gespecificeerd welke informatie niet zou zijn meegewogen in de advisering. Eiser heeft evenmin nadere medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de conclusie van de GGD-arts niet juist zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het advies van de GGD aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, omdat er voor verweerder, gelet op de door de GGD-arts beschikbare en geraadpleegde medische informatie, geen reden bestaat om aan de juistheid van dit advies twijfelen. Van een motiveringsgebrek – zoals eiser heeft gesteld – is dan ook niet gebleken.

3.7.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid de aanvraag om een urgentieverklaring heeft afgewezen.

4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.