Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5024

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
AMS 16/6326
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een aanvraag om extra uren rechtsbijstand. Eiser heeft gesteld dat hij onderzoek heeft gedaan en informatie heeft verzameld over de Amerikaanse strafzaak, het rechtssysteem en de wetgeving in Oregon, de strafoplegging, de detentieomstandigheden in Oregon en het feit dat de Nederlandse staat diplomatieke garanties diende te verzoeken van de Amerikaanse staat. Verder heeft hij een deskundige een expert opinion laten schrijven en heeft hij contact moeten onderhouden met deze deskundige en de Amerikaanse advocaat. Uit het arrest van het gerechtshof waarin de uitlevering van zijn cliënt is verboden, blijkt overigens ook dat bijzondere aandacht is besteed aan de nieuwe producties die eiser bij de aanvullende gronden van 24 oktober 2016 heeft overgelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft betwist dat eiser genoemde werkzaamheden heeft verricht. Ook heeft verweerder niet gesteld dat deze werkzaamheden overbodig waren. De rechtbank is van oordeel dat eiser aldus aannemelijk heeft gemaakt dat de zaak zodanig feitelijk en juridisch complex was dat de behandeling daarvan niet binnen de reeds toegekende uren heeft kunnen plaatsvinden. Verweerder heeft de complexiteit van de zaak dus onjuist gewaardeerd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, herroept het primaire besluit en bepaalt dat 35 extra uren rechtsbijstand mogen worden besteed (lees: gedeclareerd).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6326

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2017 in de zaak tussen

[de persoon] , kantoorhoudend te Amsterdam,

en

[de man] , te Amsterdam,

(gemachtigde: mr. T. de Boer )

gezamenlijk te noemen eisers

en

de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder toestemming geweigerd om meer uren dan het forfaitaire aantal van 33 uren aan de zaak te mogen besteden.

Bij besluit van 29 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2017.

[de persoon] is verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1.1

De rechtbank stelt voorop dat zij ambtshalve dient te beoordelen of het door [de persoon] namens zichzelf en namens zijn cliënt [de man] ingestelde beroep ontvankelijk is.

1.2

In artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een belanghebbende beroep kan instellen bij de bestuursrechter. De rechtbank overweegt dat op grond van vaste jurisprudentie zowel de rechtsbijstandsverlener als de rechthebbende belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij een besluit over de toekenning van extra te vergoeden uren rechtsbijstand (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1053).

1.3

In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar dient te maken, tenzij zich een, hier niet aan de orde zijnde, uitzondering voordoet.

1.4

In onderhavige zaak is op 1 juni 2016 een “herzieningsverzoek (c.q.gronden bezwaar)” ingediend. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat [de persoon] daarmee in ieder geval namens [de man] bezwaar heeft gemaakt. Ook heeft hij namens [de man] beroep ingesteld. In de artikelen 8:1, eerste lid en 7:1, eerste lid, van de Awb zijn dus geen belemmeringen gelegen voor de ontvankelijkheid van het beroep dat [de persoon] namens [de man] heeft ingediend.

De vraag is echter of [de man] nu nog procesbelang heeft. Volgens vaste jurisprudentie vervalt het procesbelang van een rechtszoekende bij een besluit als hier aan de orde, indien de rechtsbijstand waarvoor vergoeding van extra uren was gevraagd al daadwerkelijk is verleend en de zaak is beëindigd, én het al dan niet toekennen van de gevraagde extra uren voor hem geen financiële of andere gevolgen heeft (zie onder meer voornoemde uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011). De rechtbank stelt vast dat bedoelde rechtsbijstand inmiddels daadwerkelijk is verleend en dat de desbetreffende zaak, hangende onderhavige beroepsprocedure, met het arrest van het gerechtshof in Den Haag van 13 december 2016 is beslist. De rechtbank is niet gebleken, noch heeft [de man] dit gesteld, dat het al dan niet toekennen van de gevraagde extra uren voor hem financiële of andere gevolgen heeft. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat [de man] geen belang meer heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zijn beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

1.5

De vraag is verder of [de persoon] ook namens zichzelf bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat ook het beroep van [de persoon] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij alleen bezwaar namens [de man] heeft ingediend en niet namens zichzelf. De rechtbank is echter van oordeel dat [de persoon] wel ontvankelijk is in zijn beroep en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8276. De rechtbank overweegt dat in het bezwaarschrift van 1 juni 2016 weliswaar niet expliciet staat vermeld dat [de persoon] dit mede namens zichzelf heeft ingediend, maar dat dit wel afgeleid kan worden uit de omstandigheid dat hij de brief in de ik-vorm heeft opgesteld. Hiermee heeft [de persoon] naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk kenbaar gemaakt ook namens zichzelf bezwaar te maken. Voor zover daarover twijfel mogelijk was, had het op de weg van verweerder gelegen bij [de persoon] na te gaan of deze beoogde alleen namens [de man] of mede voor zichzelf bezwaar te maken.

Inhoudelijke beoordeling beroep [de persoon]

2.1

De zaak waarvoor extra uren zijn aangevraagd betreft een geschil over een onrechtmatige overheidsdaad, te weten een hoger beroep tegen de kort geding-uitspraak van de rechtbank over het besluit tot daadwerkelijke uitleveren van [de man] aan de Verenigde Staten (VS).

2.2

Op 22 februari 2016 is bij verweerder een aanvraag ingediend om 50 uren extra aan de zaak te mogen besteden. Op 8 maart 2016 heeft [de persoon] het aantal extra uren naar beneden bijgesteld tot 35. Verweerder heeft de weigering extra uren toe te kennen in bezwaar gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van feitelijke en/of juridische complexiteit. Er is geen bijzondere rechtsvraag. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van 26 augustus 2016.

2.3

[de persoon] voert aan dat wel sprake is van feitelijke en juridische complexiteit. [de man] wordt bedreigd met uitlevering naar de VS op basis van een verdenking van ontucht met een twaalfjarige jongen in de staat Oregon. Er zijn hem negen feiten van seksueel misbruik ten laste gelegd waardoor hij wordt bedreigd met een levenslange gevangenisstraf.

Vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en de VS is uitgebreide bestudering van zowel het Nederlandse als het Amerikaanse strafdossier nodig, alsmede de Amerikaanse strafwet, specifiek die van Oregon. Over de toelaatbaarheid van de uitlevering is tot aan de Hoge Raad geprocedeerd. In het hoger beroep tegen de kort geding-uitspraak van de rechtbank over het besluit tot daadwerkelijke uitlevering van [de man] aan de VS wordt aandacht besteed aan punten waaraan in eerste aanleg geen aandacht is besteed, zoals de positie van personen met het profiel van [de man] . Er moet hulp worden ingeroepen van Amerikaanse deskundigen in verband met vragen over het juridische systeem in Oregon. Verder moet aanvullend bewijs worden gevonden over het gevangenissysteem en de positie van veroordeelde zedendelinquenten in Oregon. Ook is communicatie met Stadlers advocaat in de VS noodzakelijk om op de hoogte te blijven van de strafzaak. Verder is het noodzakelijk dat er uitvoerig wordt gecorrespondeerd met deskundigen om antwoord te krijgen op een aantal rechtsvragen. In de Nederlandse jurisprudentie is niet eerder een zaak aan de orde geweest waarin is getracht de uitlevering naar de VS vanwege de behandeling van vermeende pedofielen in detentie te stuiten. Er is dus sprake van een nieuwe rechtsvraag. Het gerechtshof in Den Haag heeft bij arrest van 16 december 2016 de vordering van [de persoon] in hoger beroep toegewezen: [de man] mag niet worden uitgeleverd vanwege onmenselijke vernederende detentieomstandigheden in Oregon.

Wettelijk kader

3.1

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr) wordt, indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, van het Bvr heeft goedgekeurd. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Bvr dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in artikel 13 van het Bvr bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Ingevolge het tweede lid van artikel 31 van het Bvr stemt het bestuur geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid van die bepaling, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

3.2

Volgens de Werkinstructies extra uren (te raadplegen op http://kenniswijzer.rvr.org) kan in een klein aantal gevallen van de advocaat in redelijkheid niet worden verwacht dat hij een heel complexe zaak binnen de tijdgrens van het forfait afhandelt. Voor deze uitzonderlijke gevallen kan toestemming worden gevraagd om meer uren aan de zaak te mogen besteden. De extra uren moeten doelmatig worden besteed, waarbij onder ‘doelmatig’ wordt verstaan dat de zaak een zodanig karakter moet hebben dat de behandeling ervan in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft kunnen plaatsvinden en dat de rechtsbijstandverlening in verhouding moet staan tot het belang waarvoor de toevoeging is afgegeven (proportionaliteitsbeginsel). Het criterium ‘doelmatig’ is in het Bvr gekoppeld aan de ‘feitelijke en/of juridische complexiteit’ van de zaak. Een zaak is feitelijk gecompliceerd als sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, bijvoorbeeld uitvoerige inhoudelijke correspondentie, een bijzonder en/of langdurig procesverloop met een groot aantal zittingen of noodzakelijk overleg met een deskundige. Er is sprake van juridische complexiteit als er bijzondere rechtsvragen zijn, die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. De tijd die bij bijzondere rechtsvragen wordt besteed aan studie van specifiek op de zaak toegespitste literatuur, wet- en regelgeving en jurisprudentie komt voor vergoeding in aanmerking. Het enkel ontbreken van deskundigheid van de advocaat, waardoor hij meer tijd aan de zaak moet besteden, maakt de zaak niet juridisch complex dan wel bewerkelijk.

Beoordeling rechtbank

4.1.

De aanvrager van een verzoek om extra uren beroept zich op een uitzonderingssituatie. Het is daarom aan hem om aannemelijk te maken dat sprake is van een bewerkelijke zaak die toekenning van een vergoeding van extra uren rechtvaardigt, als bedoeld in verweerders beleid.

4.2

[de persoon] heeft gesteld dat hij onderzoek heeft gedaan en informatie heeft verzameld over de Amerikaanse strafzaak, het rechtssysteem en de wetgeving in Oregon, de strafoplegging, de detentieomstandigheden in Oregon en het feit dat de Nederlandse staat diplomatieke garanties diende te verzoeken van de Amerikaanse staat. Verder heeft hij een deskundige een expert opinion laten schrijven en heeft hij contact moeten onderhouden met deze deskundige en de Amerikaanse advocaat. Uit het arrest van het gerechtshof waarin de uitlevering van [de man] is verboden, blijkt overigens ook dat bijzondere aandacht is besteed aan de nieuwe producties die [de persoon] bij de aanvullende gronden van 24 oktober 2016 heeft overgelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft betwist dat [de persoon] genoemde werkzaamheden heeft verricht. Ook heeft verweerder niet gesteld dat deze werkzaamheden overbodig waren.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat [de persoon] aldus aannemelijk heeft gemaakt dat de zaak geen ‘doorsneezaak’ over een onrechtmatige overheidszaak was, maar dat deze zodanig feitelijk en juridisch complex was dat de behandeling daarvan niet binnen de reeds toegekende uren heeft kunnen plaatsvinden. Verweerder heeft de complexiteit van de zaak dus onjuist gewaardeerd. Het bestreden besluit berust daarmee niet op een deugdelijke motivering en is daarom in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen belemmeringen om met het oog op finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar, het primaire besluit herroepen. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om te bepalen dat de gevraagde 35 extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [de man] mogen worden besteed (lees: gedeclareerd).

6. Omdat de rechtbank het beroep van [de persoon] tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, moet het college het griffierecht aan [de persoon] vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van het beroep van [de man] ,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

ten aanzien van het beroep van [de persoon] ,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat 35 extra uren rechtsbijstand mogen worden besteed (lees: gedeclareerd);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [de persoon] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.