Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5006

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
RK 17/3034
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 Sv - gedeeltelijk gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/689043-16

RK: 17/3034

Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. M.A.M. Karsten, [kantooradres] ,

verdachte.

1 Procesgang

1.1.

Het bezwaarschrift is op 11 mei 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.2.

De rechtbank heeft op 9 juni 2017 verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie,

mr. F.E.A. Duyvendak, in besloten raadkamer gehoord.

2 De inhoud van het bezwaarschrift

2.1.

Namens verdachte heeft de raadsman op 3 januari 2017 via de officier van justitie de rechter-commissaris verzocht onder anderen (aangeefster) [persoon 1] , (aanwezige) [persoon 2] en de (indirect betrokken) medewerkers van [instelling] [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] nader als getuige te horen naar aanleiding van de verklaring van [persoon 8] die kort gezegd inhoudt dat zij dacht dat [persoon 1] de orale seks die zij met verdachte heeft gehad, wilde.

2.2.

Het bezwaarschrift richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 8 mei 2017, voor zover die inhoudt de weigering deze door verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten.

3 De beschikking van de rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 8 mei 2017 het verzoek tot het horen van de getuigen [persoon 1] , [persoon 2] en (de medewerkers van [instelling] ) [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] – wegens onvoldoende onderbouwing – afgewezen.

4 Het standpunt van de verdediging

In raadkamer heeft de raadsman onder verwijzing naar het bezwaarschrift en het verzoek tot het horen van getuigen van 3 januari 2017 het volgende betoogd. Op 12 mei 2016 heeft [persoon 8] verklaard dat zij dacht dat [persoon 1] het (de orale seks) dus wilde. Verdachte herinnert zich de komst van [persoon 8] op dat moment. De beschrijving van [persoon 8] is voor hem zeer ontlastend, aangezien het overeenkomt met zijn versie, dat de orale seks tussen hem en aangeefster vrijwillig plaatsvond zoals hij van meet af aan heeft gezegd. [persoon 8] was in het gezelschap van [persoon 2] die haar verklaring dus kan bevestigen. Niet alleen hij moet naar aanleiding van deze verklaring worden gehoord, maar ook de medewerkers van [instelling] die indirect betrokken zijn geweest. Aannemelijk is immers dat al de groepsmedewerkers ook met [persoon 8] hebben gesproken over het incident. Aan hen kan dan ook gevraagd worden, of zij bekend zijn met de vermelde waarneming van [persoon 8] . Deze de-audituverklaringen zijn ook ontlastend voor verdachte aangezien zij het standpunt van verdachte kunnen onderbouwen. Ten slotte moet ook [persoon 1] worden geconfronteerd met de verklaring van [persoon 8] die immers haaks staat op wat zij in haar aangifte heeft verklaard.

5 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard moet worden met dien verstande dat de (afwijzende) beslissing van de rechter-commissaris met betrekking tot de medewerkers van [instelling] in stand blijft omdat de medewerkers hooguit iets kunnen zeggen over wat hun ter ore is gekomen en niet zelf iets hebben gezien en dat aangeefster [persoon 1] en [persoon 2] eventueel alsnog zouden kunnen worden gehoord indien de getuigenverhoren van andere betrokkenen daartoe aanleiding zouden geven.

6 De beoordeling

6.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 een overzicht gegeven van de aan te leggen maatstaven bij het oproepen en horen van getuigen op een zitting. Hoewel dit arrest strikt genomen dus geen betrekking heeft op verzoeken tot het horen van getuigen die op grond van artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan de rechter-commissaris zijn gedaan, bevat het arrest criteria aan de hand waarvan het verdedigingsbelang kan worden getoetst. De Hoge Raad overweegt dat de verdachte in beginsel het recht heeft ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht en dat dit meebrengt dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. De Hoge Raad concludeert daaruit dat enerzijds deze regeling een terughoudend gebruik door het Openbaar Ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek impliceert, maar anderzijds dat de regeling veronderstelt dat de verdediging naar behoren motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Als dat laatste niet het geval is dan is afwijzing van het verzoek goed denkbaar omdat de rechter dan niet kan toetsten of het verzoek aan de maatstaf van het verdedigingsbelang voldoet.

6.2.

Op grond van de stukken en de behandeling in raadkamer stelt de rechtbank het volgende vast.

6.2.1.

Verdachte wordt op grond van de aangifte van [persoon 1] onder meer en kort gezegd ten laste gelegd dat hij op 19 oktober 2015 [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2001, die verbleef in een kamer van de afdeling [instelling] van het behandelcentrum van het Leger des Heils, heeft verkracht (onder meer door haar te dwingen zijn penis in haar mond te nemen).

6.2.2.

[persoon 8] heeft op 12 mei 2016 bij de politie onder meer het volgende verklaard (p. 02.50 tot en met 02.55).

V: Vertel eens over maandag 19 oktober 2015. Wat heb jij gezien en gehoord toen?

A In het begin.... [verdachte] zat bij mij op de groep. Hij was weggegaan van mijn kamer; hij was volgens mij iets vergeten. In ieder geval we moesten elkaar later weet spreken. Daarvoor had ik via de app gevraagd waar hij was en had ik contact met [verdachte] . Ik meende dat hij zei dat hij op [groep 1] was bij [persoon 1] op de kamer was met vrienden.

(…)

V: Wat gebeurde er toen [verdachte] zei dat hij bij [persoon 1] op de kamer was met vrienden?

A: Ik stond met [persoon 2] op dat moment een sigaret te roken aan de voorkant, buiten. Ik zei tegen [persoon 2] dat we even gingen kijken wat er aan de hand was. Ik liep met [persoon 2] naar de kamer van [persoon 1] . We werden binnengelaten door de groepsopvoeder van de afdeling. Ik zei dat ik naar [persoon 1] d’r kamer wilde. (…) Pas na de derde keer kloppen, werd er opengedaan. De kamerdeur was op slot. Ik kon de klink niet openmaken. Dat had ik eerst geprobeerd. Ik hoorde dat [persoon 1] op de kamer was met die jongens. Ik hoorde dat [persoon 1] aan het lachen was. Degene die de kamerdeur opendeed, was [verdachte] . En toen gingen we de kamer binnen. Ik liep naar binnen en vroeg wat er gebeurde. Een van die jongens zei: “Ze gaat ons pijpen”. Hierop vroeg ik aan [persoon 1] zelf en keek naar haar. Ik zei: “Hoezo zit je hier met jongens en ga je ze pijpen?” Ze ging lachen en ging niet echt antwoord geven en ze ging leuk en druk doen. Ik dacht dat ze het dus wilde en ik dacht: dit is niet mijn ding. [persoon 2] stond zeg maar in de deuropening achter mij. Ik stond zeg maar één stap in de kamer. Ik heb nog gevraagd aan [verdachte] wat ik moest vragen en ben toen samen met [persoon 2] weggegaan.

6.2.3.

Op 9 mei 2016 heeft [persoon 2] bij de politie het volgende verklaard (p. 02.47 tot en met 02.50).

V: Wat weet jij nog van de jongens op haar kamer?

A: Ik weet niet vooraf wat er ging gebeuren. Ik was er toen niet. Ik werd geappt.... nee [persoon 8] werd geappt dat we naar [instelling] moesten gaan, omdat [persoon 1] jongens op haar kamer had. [persoon 8] en ik zaten op dat moment op de groep [groep 1] en we werden gevraagd naar [groep 2] te komen waar [persoon 1] een kamer heeft.

V: Wat stond er in die app?

A: Dat weet ik niet precies. Er werd ons gevraagd om te gaan kijken wat er was. We zijn er heen gegaan en de deur werd opgedaan door [verdachte] . Er waren een stuk of zeven jongens in haar kamer. Ik hoorde [persoon 1] giechelen. [verdachte] zei dat ze niets deden. Het waren geen meerderjarige jongens. Ik stond eigenlijk voor de deur. Ik ben niet naar binnen gegaan. Ik had wel zicht op de mensen in de kamer. De deur stond namelijk wijd open. [persoon 8] zei: “Wat doe je?” Ik keek naar [persoon 1] , afkeurend. [persoon 1] zei toen niets en zij begon te giechelen. Ze zat alleen op het bed.

V: Waar waren de jongens?

A: De jongens waren op dat moment in de kamer zelf.

V: Je bent met [persoon 8] weggegaan bij de kamer?

A: Het is niet mijn situatie. Ik ga mij er niet voluit voor inzetten. We liepen gewoon weg. We hebben nog wel wat geroddeld hierover. Het was raar.

V: Jullie zijn naar de kamer van [persoon 1] gegaan, na het appje, en [verdachte] deed de deur open, vertelde je. Was de deur open?

A: Nee hij zat op slot.

6.3.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het horen van aangeefster [persoon 1] , op wier verklaring de beschuldiging voornamelijk is gestoeld, over de verklaring van [persoon 8] die inhoudt dat [persoon 1] zat te lachen waardoor zij het idee kreeg dat zij het wilde, kan bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv aangezien de stelling van verdachte is dat de orale seks vrijwillig heeft plaatsgevonden. Hetzelfde geldt ten aanzien van het horen als getuige van [persoon 2] die bij [persoon 8] was. Hij is een getuige à décharge wiens verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het ten laste gelegde. Het bezwaarschrift zal daarom in zoverre gegrond worden verklaard.

6.4.

Ten aanzien van het horen van de medewerkers van [instelling] is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd, zeker in het licht van de omstandigheid dat degenen die wel in de kamer van [persoon 1] zijn geweest als getuige zullen worden gehoord, waarom de medewerkers die daar niet zijn geweest en dus ook niet hebben waargenomen wat er zich op 19 oktober 2015 in de kamer van [persoon 1] afspeelde desondanks ook zouden moeten worden gehoord. De onderbouwing die ten grondslag ligt aan het verzoek om ook al deze medewerkers als getuige te horen, geeft geen inzicht in welk opzicht inwilliging van het verzoek zou kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Verdachte wordt dan ook niet in zijn verdediging geschaad indien het horen van hen als getuige achterwege blijft. Het bezwaarschrift zal op dit punt ongegrond worden verklaard.

7 De beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het bezwaar met betrekking tot het verzoek tot het horen van [persoon 1] en [persoon 2] gegrond;

  • -

    vernietigt in zoverre de beslissing van de rechter-commissaris van 8 mei 2017;

  • -

    bepaalt dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, als getuige zal horen [persoon 1] en [persoon 2]

  • -

    en verklaart het bezwaarschrift voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. P.B. Martens, voorzitter en kinderrechter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en J.B. Oreel, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.