Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:50

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
13/654167-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroving van een bestelauto door twee personen. Er is een aantal bewijsmiddelen die tezamen genomen voldoende indirect bewijs zouden kunnen opleveren voor betrokkenheid van de medeverdachte bij de beroving. Via de redenering dat verdachte en de medeverdachte samen op de vlucht zijn aangehouden en dus ook samen de beroving zullen hebben gepleegd, zouden die bewijsmiddelen in die theorie mogelijk tot een veroordeling van verdachte kunnen leiden. De rechtbank vindt echter onvoldoende steun in het dossier om deze bewijssprong te maken. Immers, de alternatieve verklaring van de verdachte kan niet met enig bewijsmiddel worden weerlegd en is ook niet onaannemelijk, mede in het licht van het overgelegde Facebookbericht. Daarbij komt dat het door de aangever opgegeven signalement van de daders wat de haardracht betreft niet overeenkomt met dat van verdachte. Dit alles nog afgezien van het feit dat de rechtbank de medeverdachte vrijspreekt van het (mede)plegen van de beroving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654167-16 (Promis)

Datum uitspraak: 5 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

D. Jironet-Loewe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. B.A. Huijgen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland

op de openbare weg het [adres 2] , in elk geval op een openbare weg tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 229,05 euro

en/of een tablet en/of een aantal pakjes sigaretten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 1] , (gevestigd [adres 3] te

Diemen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen [persoon 1] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en), dat hij verdachte en/of zijn mededader

- die [persoon 1] naar het [adres 2] heeft/hebben gelokt en/of

- het portier van de auto waarin die [persoon 1] reed heeft/hebben

opengetrokken en/of

- een scherp en/of puntig voorwerp aan die [persoon 1] heeft/hebben getoond

en/of

- tegen die [persoon 1] heeft/hebben gezegd : "Uitstappen, uitstappen" en/of

"Geef me geld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking

en/of

- de kleding en/of de auto van die [persoon 1] heeft/hebben doorzocht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit en heeft dit als volgt onderbouwd.

Uit de aangifte van [persoon 1] blijkt dat hij is overvallen door twee daders. Dader 1 bleek verdachte te zijn en dader 2 medeverdachte [medeverdachte] . Terwijl verdachte de aangever onder dreiging van een scherp voorwerp beroofde van zijn geld, was de medeverdachte bezig zijn auto te doorzoeken. De medeverdachte heeft een koeltas van de Albert Heijn en een tablet uit de auto van de aangever gepakt. Vervolgens zijn hij en de medeverdachte weggerend. Tijdens het wegrennen riep de verdachte tegen de medeverdachte: “Kom [voornaam medeverdachte] ”. [voornaam medeverdachte] is de eerste voornaam van de medeverdachte. Zij zijn vervolgens weggefietst, aldus de aangever.

Het signalement dat de aangever heeft gegeven van de daders komt overeen met dat van verdachte en de medeverdachte. Dader 2 zou een trainingspak aan hebben van het merk Paris Saint Germain. De medeverdachte bleek inderdaad een trainingspak van dat merk aan te hebben. Ook de kleding van verdachte komt overeen met de omschrijving ervan door de aangever.

Volgens de aangever had dader 1 één gouden tand. Verdachte heeft weliswaar meer gouden tanden, maar het is mogelijk dat de aangever niet alle gouden tanden heeft gezien.

Dader 1 had volgens de aangever een steekvoorwerp bij zich. Verdachte heeft op de zitting toegegeven dat hij een mes bij zich had.

Kort na de overval fietsten verdachte en de medeverdachte met hoge snelheid langs de verbalisanten, die hen sommeerden te stoppen. Zij gaven daar geen gehoor aan en uiteindelijk zijn zij, zeer kort na de overval, aangehouden. Verbalisanten beschrijven dat er verder niemand op straat was en dat het helemaal stil was.

Op de later aangetroffen koeltas van de Albert Heijn zijn sporen gevonden, die na onderzoek bloedsporen bleken te zijn met een enkelvoudig DNA-profiel dat matcht met het DNA van de medeverdachte. Het NFI-rapport moet aldus gelezen worden dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig ander persoon dezelfde match heeft, kleiner is dan één op één miljard. Het bloed op de tas kan dus gekoppeld worden aan de medeverdachte. De medeverdachte bleek gewond te zijn aan zijn hand. Dat verklaart ook waarom er bloed op de tas zat, die hij uit de auto heeft gepakt. De medeverdachte heeft geen heldere verklaring gegeven over hoe zijn bloed op de tas terecht is gekomen.

Dat verdachte geen specifieke sporen heeft achtergelaten zegt nog niet dat hij daar niet is geweest.

Voorts zijn bij de medeverdachte twee onaangebroken pakjes sigaretten aangetroffen, van hetzelfde merk als de sigaretten die de aangever in zijn bus had liggen.

Het telefoonnummer waarmee de aangever was gebeld om een bestelling te plaatsen, staat bovendien op naam van de broer van de medeverdachte. Het adres, waar de aangever naar toe moest komen, [adres 2] , is het adres waar de oma van verdachte woont.

Verder zijn er bierblikjes aangetroffen van het merk 8.6 op de plek, waar de daders vandaan kwamen en waar ze naartoe terug gingen. De medeverdachte heeft verklaard dat hij die bewuste avond bier van dit merk heeft genuttigd.

De verklaringen van verdachte en de medeverdachte over een alternatief scenario, waarbij de neef van verdachte en ene “ [naam] ” de daders zijn, zijn ongeloofwaardig en stemmen niet met elkaar overeen. De verklaring dat de neef van verdachte een Facebookbericht aan hem zou hebben gestuurd waaruit zou blijken dat de neef en een ander de daders zijn, is eveneens ongeloofwaardig en wordt ingebracht om ruis en verwarring te creëren. Het enige waar verdachte en de medeverdachte gelijkluidend over verklaren, is dat zij samen op de fiets hebben gezeten.

Gelet op het vorenstaande kan bewezen worden verklaard dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] een overval heeft gepleegd op [persoon 1] .

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte ten laste gelegde feit en heeft dit als volgt onderbouwd.

In het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen die een veroordeling rechtvaardigen.

Het signalement van dader 1 komt niet volledig overeen met de uiterlijke kenmerken van verdachte. Bovendien is het signalement zodanig algemeen dat meerdere personen hieraan voldoen. Daarnaast blijkt uit de aangifte dat dader 1 de portierdeur open heeft gedaan. Uit het onderzoek blijkt dat de sporen die zijn aangetroffen (vingerafdrukken) niet van verdachte zijn. Van verdachte is ook geen DNA aangetroffen. Er is geen link tussen de aangetroffen koeltas en verdachte. Omdat verdachte familie heeft wonen in de buurt waar de overval heeft plaatsgevonden, is zijn aanwezigheid daar niet voldoende voor een bewezenverklaring. Bij de aanhouding van verdachte zijn bij hem geen goederen aangetroffen die bij de diefstal zouden zijn meegenomen. Over de aanwezigheid van een scherp voorwerp verklaart verdachte dat hij altijd een mes bij zich heeft. Verder is sprake van een groot tijdsbestek van zeker een kwartier tussen de overval en de aanhouding van verdachte, waardoor het alternatieve scenario mogelijk is. Ook het Facebookbericht is een duidelijke aanwijzing dat anderen verantwoordelijk zijn voor de overval. Voorts bevinden zich in het dossier geen belastende verklaringen over verdachte. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Op 21 september 2016 tussen 1.02 en 1.07 uur is de aangever, zittend in zijn bestelauto, op het [adres 2] beroofd door twee mannen, van wie hij een signalement heeft gegeven. Omschrijving NN1: negroïde man, bruine huidskleur, 20-30 jr, normaal postuur, haar kort zwart en zijkant veel korter dan bovenop, lengte tussen 1.75-1.80 meter, Nederlands met straataccent, mogelijk Antilliaans, een gouden tand aan de bovenzijde van zijn gebit, donkerkleurig sportvest of trainingspak, broek aan korte kant zodat je de enkels zag.
Omschrijving NN2: negroïde man, 18-25 jr, donkerbruine huidskleur, gespierder dan NN1, kort zwart kroeshaar en overal één lengte, tussen 1.80-1.85 meter, sprak Nederlands met licht straataccent, minder dan NN1, donkerkleurig trainingspak mogelijk paars, lijkend op een trainingspak van de voetbalclub Paris Saint-Germain. Weggenomen zijn ruim tweehonderd euro, wat kleingeld, een Samsung tablet en een AH tas met ballonnen, mogelijk ook pakjes Marlboro sigaretten. Na de beroving renden de daders weg door een tunneltje en aan het eind daarvan sprong dader 2 op een fiets en fietste weg, aldus de aangever.

Om 01.17 respectievelijk 01.18 uur zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (verder: [medeverdachte] ) aangehouden, toen zij samen op één fiets reden in de richting van het Abcouderpad en de plaats van het delict. Beiden ontkennen de beroving te hebben gepleegd en hebben een redelijk gedetailleerde verklaring afgelegd over wat er die avond is gebeurd. Er zijn geen getuigen die hebben gezien dat zij het delict gepleegd hebben, noch zijn zij door de aangever aangewezen of herkend als zijnde de daders. De vingerafdrukken die zijn veiliggesteld vanaf het rechter- en het linkervoorportier van de bestelauto, die volgens de aangever door de daders die geen handschoenen droegen, zijn opengetrokken, zijn niet tot verdachte of [medeverdachte] te herleiden. Beiden hebben verklaard dat verdachte vanaf het [adres 5] door [medeverdachte] achterop de fiets werd gebracht naar het station toen zij werden aangehouden, welke route langs het [adres 2] voerde.

Verdachte ontkent de overval gepleegd te hebben en zegt deze ook niet te hebben zien gebeuren. Hij was die avond, 21 september 2016, behoorlijk lam, omdat hij whisky aan het drinken was. Hij ging zijn glas telkens vullen bij zijn vader thuis aan het [adres 4] . Toen hij net zijn glas weer gevuld had en buiten stond op het [adres 4] , zag verdachte dat zijn neef [persoon 2] en “ [naam] ” aan kwamen lopen. Zij stapten in een auto, waarbij “ [naam] ” een tas in zijn hand had, en reden weg. Verdachte heeft die avond ook met medeverdachte [medeverdachte] gestaan. Hij is naar de woning van [medeverdachte] toegelopen. Toen zou [medeverdachte] verdachte op de fiets naar het station brengen, eigenlijk naar zijn vader die daar om de hoek woont. Onderweg zijn ze aangehouden. Ook [medeverdachte] heeft verklaard dat hem gevraagd was verdachte op de fiets naar het station te brengen en dat ze toen zijn aangehouden.

Verdachte heeft in de raadkamer van 3 oktober 2016 verklaard een Facebookbericht te hebben ontvangen van zijn neef [persoon 2] , op 30 september 2016 met de volgende tekst:

“Ey [verdachte] lekker voor je dat en [voornaam medeverdachte] voor mij en [naam] zit. Als je me veraad maak ik je dood en [voornaam medeverdachte] ook [...] ik heb alltijd voor jou geboet kill nu is t payback ik ga bijna trouwen ik had het geld echt nodig het is je eigen schuld ik had je nog gezegt blijf osso ga niet na buiten je wilt nooit luistern [...] dit was mijn enige uitweg.”

Een screenshot van dit bericht is aan het dossier toegevoegd. Voornoemde neef heeft desgevraagd verklaard niet te ontkennen dat dit bericht via zijn account is verzonden (al zegt hij niet te weten door wie) en dat [verdachte] de bijnaam is van zijn neef [verdachte] .
Hoewel in een ‘proces-verbaal Facebook bericht’ dat zich in het dossier bevindt, is gerelateerd dat niet kan worden vastgesteld of het Facebookbericht is verzonden, gaat de rechtbank hier wel van uit, op grond van voornoemde verklaring van de neef en omdat op het screenshot een keuze zichtbaar is tussen negeren en accepteren, hetgeen er eveneens op duidt dat het een verzonden bericht betreft dat de ontvanger kan negeren of accepteren.

Verdachte heeft op 3 oktober 2016 toegelicht dat zijn neef op zaterdag 1 oktober 2016 is getrouwd en dat hij hem daarom tot dan toe de hand boven het hoofd heeft gehouden. Zijn neef is verantwoordelijk en verdachte wil niet boeten voor dit, want hij was er niet bij, aldus verdachte in raadkamer.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte desgevraagd toegelicht dat hij het bericht via de tante van verdachte heeft ontvangen. Verdachte heeft ter terechtzitting uitgelegd dat hij tijdens detentie niet zelf op zijn Facebookpagina kan komen. Daarom had hij zijn zus gevraagd op zijn Facebook te gaan om zijn werkgever te informeren. Toen zij het bericht zag, heeft ze zijn advocaat gebeld en een screenshot gemaakt van het bericht, aldus verdachte.

Omdat verdachte zijn neef [persoon 2] met [naam] op het [adres 4] heeft gezien voordat hij werd aangehouden, vanwege het Facebookbericht dat hij van zijn neef heeft gekregen en omdat hij niet voldoet aan het signalement van dader 1, moet het volgens verdachte duidelijk zijn dat hij niets met de beroving te maken heeft. Wat betreft zijn signalement heeft verdachte aangevoerd dat hij zijn haar op een en dezelfde lengte heeft, dat hij altijd een sik heeft als hij ‘buiten’ is en dat hij niet één, maar vier gouden tanden heeft, waarvan er twee in zijn bovengebit die goed zichtbaar zijn.

Naast het feit dat verdachte ten tijde van het delict daar in de buurt was, bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen die rechtstreeks naar verdachte als een van de daders wijzen. Er is wel een aantal bewijsmiddelen die tezamen genomen voldoende indirect bewijs zouden kunnen opleveren voor betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte] bij de beroving. [medeverdachte] droeg bij zijn aanhouding een Paris Saint-Germain trainingspak en voldoet ook overigens aan het vrij algemene signalement van dader 2. Met de telefoon die [medeverdachte] bij zich had is aan aangever gevraagd naar het [adres 2] te komen. Dader 1 heeft volgens de aangever bij het wegrennen tegen dader 2 geroepen “kom, kom [voornaam medeverdachte] ”, wat klinkt als “ [voornaam medeverdachte] ”, de voornaam van [medeverdachte] . De buitgemaakte AH tas met ballonnen is teruggevonden in de buurt van het [adres 5] , met op het handvat bloed waarin een enkelvoudig DNA-profiel is aangetroffen dat matcht met dat van [medeverdachte] . [medeverdachte] had twee pakjes Marlboro op zak. De aangever had pakjes sigaretten van dit merk in zijn bestelauto.

Via de redenering dat verdachte en [medeverdachte] samen op de vlucht zijn aangehouden en dus ook samen de beroving zullen hebben gepleegd, zouden die bewijsmiddelen in die theorie mogelijk tot een veroordeling van verdachte kunnen leiden. De rechtbank vindt echter onvoldoende steun in het dossier om deze bewijssprong te maken, nu de alternatieve verklaring van de verdachte niet met enig bewijsmiddel kan worden weerlegd en ook niet onaannemelijk is, mede in het licht van het overgelegde Facebookbericht. Dit nog afgezien van het feit dat de rechtbank in een vonnis van gelijke datum als het onderhavige vonnis [medeverdachte] zal vrijspreken van het (mede)plegen van de beroving. De reden hiervoor is kort gezegd dat de rechtbank het door [medeverdachte] aangedragen alternatieve scenario niet onaannemelijk acht en niet kan uitsluiten, waardoor er gerede twijfel bestaat ten aanzien van zijn (mede)daderschap.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het door de aangever opgegeven signalement van dader 1 wat de haardracht betreft niet overeenkomt met dat van verdachte. De haardracht van dader 1 zou aan de zijkanten veel korter zijn dan bovenop. In het dossier bevindt zich een foto van verdachte van 14 september 2016, een week voor het gebeurde, en daaruit blijkt dat zijn haar niet aan de zijkanten veel korter is dan bovenop. De door de aangever beschreven haardracht komt wel overeen met die van verdachte’s neef [persoon 2] , zoals te zien is op de foto’s in het dossier die afkomstig zijn van diens Facebookaccount. Nota bene: Verdachte voldoet sowieso niet aan het signalement van dader 2 die volgens de aangever kroeshaar had.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank wegens gebrek aan bewijs niet tot een veroordeling van verdachte en dient hij te worden vrijgesproken.

5 Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 1.728,35 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Leijten, voorzitter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 januari 2017.

mrs. De Lemos Benvindo en Helmers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.