Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4866

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
13/728013-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige Hongaar is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor uitbuiting van een prostituee en witwassen. Ook moet hij het slachtoffer 175.000 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728013-15 (Promis)

Datum uitspraak: 10 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1977,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 30, 31 mei en 26 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.F. de Boer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Kellermann naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging, onder 1 en 2 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

- Feit 1: medeplegen van mensenhandel door middel van uitbuiting in de prostitutie van [slachtoffer] in de periode van 1 december 2009 tot en met 29 april 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of Oostenrijk;

- Feit 2: medeplegen van gewoontewitwassen van de verdiensten van voornoemde [slachtoffer] uit door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden in de periode van 1 december 2009 tot en met 29 april 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of Hongarije.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Aanhoudingsverzoek

De verdediging heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden omdat de aangeefster moet worden gehoord over de vermeende bedreiging door [naam] , aangezien dit nog niet is gebeurd. Verder heeft de verdediging gewezen op de omstandigheid dat stukken erg laat zijn aangeleverd. Indien deze op tijd in bezit waren geweest, had de verdediging zich beter kunnen voorbereiden. Tot slot verzoekt de raadsman aanhouding om gelijktijdige berechting van de onderhavige zaak met twee andere zaken waarvoor verdachte vervolgd gaat worden. Aparte berechting zal waarschijnlijk in het nadeel van verdachte uitpakken, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat het opnieuw horen van aangeefster niet noodzakelijk is gebleken. De enkele omstandigheid dat zij over een bepaald onderdeel van het dossier niet als getuige is gehoord geeft daartoe geen aanleiding. Voorts zijn sommige stukken in een laat stadium aangeleverd maar naar het oordeel van de rechtbank niet te laat. Aan de verdediging is ter zitting tijd geboden voor het bestuderen van nadere stukken en overleg. Niet is aangevoerd dat de verdediging zich niet of onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Het belang van verdachte bij het afwachten van de ontwikkelingen rond de andere zaken die wellicht opnieuw zullen worden aangebracht, is onvoldoende onderbouwd, mede gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de omstandigheid dat deze zaken betrekking hebben op andere vrouwen. Een en ander leidt tot de conclusie dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich – aan de hand van het op schrift gesteld requisitoir – op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde vormen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9°, van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden bewezen. Zij heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van aangeefster, verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , verklaringen van getuigen, politieregistraties, kamerverhuurgegevens, facebookgesprekken en overboekingsgegevens van Western Union.

Kort gezegd heeft de officier van justitie gesteld dat de verdachte samen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] aangeefster heeft gedwongen in de prostitutie te werken en hen te bevoordelen met de opbrengsten daarvan.

Tevens kan, op grond van die bewijsmiddelen volgens de officier van justitie worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde gewoontewitwassen van een groot deel van de prostitutieverdiensten van aangeefster. Het geld dat door aangeefster werd verdiend, is immers door verdachte en medeverdachte gebruikt om van te leven en is naar familie in Hongarije gestuurd. Dat verdachte op een andere manier aan zijn geld kwam, zoals door middel van werkzaamheden als portier, is niet aannemelijk.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. Aan de hand van een pleitnota heeft hij - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte aangeefster op geen enkele manier heeft gedwongen om in de prostitutie te werken, of om haar geld af te staan. Zij was vrij om te gaan en staan waar zij wilde en kon de door haar uit prostitutiewerkzaamheden verkregen inkomsten vrij besteden en heeft dat ook gedaan. De door aangeefster genoemde enkele klap door verdachte is niet aan te merken als dwangmiddel omdat verdachte daarmee niet beoogde haar in de prostitutie te laten werken. Aangeefster vond onderdak bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en stond vrijwillig en overeenkomstig een daartoe gemaakte afspraak geld af. Er was aldus geen sprake van uitbuiting.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat, nu geen nader onderzoek is gedaan naar het gestelde legale inkomen van verdachte in Hongarije, zijn verklaring moet worden gevolgd dat zijn vader hem geld stuurde en dat hij bijkluste als portier en op die manier zelf in zijn levensonderhoud kon voorzien.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Uitgangspunten bewijswaardering ten aanzien van feit 1

Bij de beoordeling of sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f lid 1 Sr dient te worden beoordeeld of er sprake is van gedragingen en dwangmiddelen als genoemd in 273 lid 1 sub 1, Sr alsmede of sprake is van een oogmerk van uitbuiting. Niet ten aanzien van alle subonderdelen van artikel 273 lid 1 Sr is de vaststelling van al deze elementen noodzakelijk om tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen.

Daarnaast geldt ten aanzien van de ten laste gelegde feitelijke gedragingen dat het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv geldt voor de gehele tenlastelegging, niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144). Toepassing van voormeld criterium betekent in de onderhavige zaak dat in sommige gevallen op grond van de verklaring van één getuige een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging wordt bewezen, indien die verklaring niet op zichzelf staat.

Voorts is bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f Sr, daar waar dat voor het betreffende dwangmiddel relevant is, gekeken naar de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen in onderlinge samenhang. Dat van een dwangmiddel sprake is, behoeft daarom niet uitsluitend rechtstreeks uit individuele in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedragingen worden afgeleid.

In zijn algemeenheid moet zorgvuldig worden omgegaan met de waardering van verklaringen van getuigen in strafzaken. In mensenhandelzaken geldt dat de betrouwbaarheid van belastende verklaringen van vermeende slachtoffers onder druk kan komen te staan door wraakgevoelens, het belang dat het slachtoffer heeft bij het verkrijgen van een vergunning in het kader van de verblijfsregeling Mensenhandel of het vooruitzicht op andere voorzieningen als onderdak en hulp bij de opvang van eventuele kinderen. Ook de betrouwbaarheid van ontlastende verklaringen van vermeende slachtoffers kan negatief beïnvloed worden door gevoelens van angst of loyaliteit of vanwege het hanteren van andere normen en waarden dan die welke ten grondslag liggen aan de strafwetgeving over mensenhandel.

De verklaringen van aangeefster worden naar het oordeel van de rechtbank op specifieke punten gesteund door ander bewijsmateriaal, waaronder de verklaring van verdachte zelf en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . De verklaringen van aangeefster staan dus niet op zichzelf maar zijn ingebed in een concrete context die bevestiging vindt uit andere bron. Bovendien heeft naast aangeefster ook een andere vrouw ( [naam andere vrouw] ) verklaard dat zij is uitgebuit door verdachte. De rechtbank neemt wel terughoudendheid in acht daar waar aangeefster heeft verklaard over het gewelddadig handelen door medeverdachte [medeverdachte] . Voor de verklaring van aangeefster op dit punt is onvoldoende steun in het dossier aanwezig.

4.3.2.

Feiten en omstandigheden

Uit de wettige bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, blijkt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.

Aangeefster is in januari 2010 (voor een tweede maal) naar Amsterdam gereisd om daar te werken in de prostitutie en beter te verdienen dan in Boedapest, waar zij als straatprostituee had gewerkt. In Amsterdam zag zij (medeverdachte) [medeverdachte] , die zij kende van de periode in 2009 waarin zij eerder in Nederland was. [medeverdachte] werkte toen als prostituee. Aangeefster zocht op dat moment onderdak. [medeverdachte] hoorde van aangeefster dat zij in Boedapest in belabberde omstandigheden in de prostitutie had gewerkt en werd uitgebuit door aan de Hongaarse maffia verbonden criminelen, dat haar nagels eraf gevroren waren en dat zij veel schulden had. [medeverdachte] vroeg of aangeefster met haar en haar man (verdachte) mee ging naar Oostenrijk om daar in de prostitutie te werken. [medeverdachte] heeft haar toen aan verdachte voorgesteld. Aangeefster heeft toen met hem gesproken. Vervolgens is zij met beide verdachten naar Oostenrijk gegaan en heeft zij daar een maand als prostituee gewerkt. In februari 2010 zijn zij gezamenlijk terug naar Amsterdam gegaan. Aangeefster trok bij verdachte en medeverdachte in en werkte als prostituee. In het begin van haar werkzaamheden als prostituee vertelde verdachte haar dat ze het door haar verdiende geld met hem op basis van 50/50 zouden verdelen, later heeft hij gezegd dat ze al haar geld aan hem moest geven waarna hij kost en inwoning ervanaf zou trekken en de rest voor haar zou sparen. Ze zou alles krijgen wat ze nodig had. Ze kreeg dagelijks 10 tot 20 euro van verdachte voor haar dagelijkse uitgaven en heeft de rest van het door haar verdiende geld nooit terug gezien. In de periode maart tot oktober 2011 werkte aangeefster op voorstel van verdachte ook dubbele diensten, 7 dagen per week. Vanaf 1 januari 2012 heeft aangeefster alleen in de nacht gewerkt. Ze is soms door verdachte geslagen als zij niet genoeg geld verdiende. Ook hebben verdachte en medeverdachte gedreigd dat zij zou worden teruggestuurd naar de maffia in Hongarije. Er was altijd een man die haar in de gaten hield als zij werkte, [naam man] . Ze kon niet zomaar weglopen. Aangeefster gebruikte in deze periode drugs. Verdachte gaf haar speed om de volgende dienst vol te kunnen houden als ze moe was. Ze gaf aan het einde van haar dienst het geld en de ongebruikte condooms aan verdachte zodat deze kon narekenen wat ze had verdiend.

Aangeefster stuurde geld via Western Union onder anderen naar de zus van medeverdachte [medeverdachte] en haar man. In de periode tussen 1 februari 2010 en 13 april 2012 is in totaal 13.187,10 euro via Western Union overgemaakt door aangeefster aan derden die grotendeels gelieerd waren aan verdachte of zijn medeverdachte. Uit deze overboekingen blijkt een geldstroom tussen Amsterdam en Hongarije, die niet op een andere wijze te verklaren is dan dat dit de opbrengst betrof van de door aangeefster verrichte prostitutiewerkzaamheden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte zelf heeft gewerkt en daarvan inkomsten had in de periode hier van belang. Evenmin is aannemelijk geworden dat medeverdachte [medeverdachte] in deze periode in Oostenrijk en na terugkomst uit Oostenrijk eigen inkomsten had. De rechtbank acht gelet op bovenstaande niet aannemelijk dat aangeefster – zoals verdachte ter zitting heeft verklaard - vrijwillig en alleen om te helpen geld aan verdachte heeft gegeven en naar familie van verdachte en medeverdachte heeft gestuurd.

Handelingen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] aangeefster heeft geworven. Zij is immers door verdachte en medeverdachte overgehaald om met hen naar Oostenrijk te gaan om voor hen als prostituee te werken en na terugkeer naar Nederland daarmee door te gaan.

Aangeefster is vervolgens door hen gehuisvest en opgenomen, nu zij bij hen in is getrokken en meeverhuisd naar een volgende woning, hetgeen door beide verdachten is bevestigd. Voorts is aangeefsters door verdachten meegenomen naar Oostenrijk en daarna weer teruggebracht naar Nederland, om als prostituee te werken.

Dwangmiddelen

Deze handelingen hebben plaatsgevonden door middel van meerdere dwangmiddelen die door verdachte en medeverdachte zijn aangewend. De rechtbank acht dwang, geweld, dreiging met geweld, misleiding, misbruik van de kwetsbare positie van aangeefster en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op aangeefster bewezen. Dat verdachte aangeefster controleerde of liet controleren, en ook sloeg als hij ontevreden over haar was, blijkt niet alleen uit haar eigen verklaring maar ook uit die van [getuige] . Zowel aangeefster als medeverdachte hebben verklaard dat aangeefster door verdachte is bedreigd met het terugsturen naar “de maffia” in Hongarije waarvoor zij in Hongarije werkzaam was geweest, en die haar ‘dan wel zouden leren’. Voorts is aangeefster misleid, doordat haar is voorgehouden dat zij zelf goed geld kon verdienen. Verdachte zou haar verdiensten voor haar sparen na aftrek van de kosten; in werkelijkheid heeft aangeefster haar geld niet meer teruggezien. Ook is zij misleid doordat haar is voorgehouden dat geen enkele prostituee zelfstandig kan werken in Nederland. Verdachten wisten dat aangeefster slachtoffer was geweest van uitbuiting in Hongarije en kenden de omstandigheden waarin zij daar had moeten werken. In Amsterdam was aangeefster dakloos. Zij was in een land waar zij niemand kende en was de Nederlandse taal niet machtig. Dat aangeefster bij hen in huis woonde, telkens meeverhuisde en al haar geld afstond, bracht haar in een positie waaruit zij zich niet kon bevrijden en er toe leidde dat zij het misbruik moest ondergaan.

Uitbuiting

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat aangeefster onder dwang van verdachten prostitutiewerkzaamheden heeft verricht en een groot deel van haar inkomsten aan hen heeft afgestaan. Alleen al hierom kan uitbuiting worden bewezen, omdat geen sprake is van een situatie gelijk aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.

4.3.3.

Ten aanzien van feit 2 (gewoontewitwassen)

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen betreffende de uitbuiting van aangeefster, concludeert de rechtbank dat het tenlastegelegde gewoontewitwassen bewezen kan worden voor de periode tussen 1 januari 2010 en 29 april 2012. Nergens kan uit worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachte in de tenlastegelegde periode zelf een andere bestendige bron van inkomsten hadden en daarvan in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat verdachte en medeverdachte het geld onder andere hebben gebruikt om in Nederland in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Voorts hebben zij het geld over (laten) maken naar hun familie in Hongarije. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van gedragingen die zijn gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen geld. Zij hebben de uit misdrijf afkomstige opbrengsten uit het zicht van justitie onttrokken en een schijnbaar legale herkomst verschaft.

4.3.4.

Medeplegen

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in een zodanige mate van gezamenlijkheid en intensiteit aan de uitbuiting (-situatie) en de witwaspraktijken hebben bijgedragen, dat van bewuste en nauwe samenwerking in de zin van medeplegen sprake is.

5 Bewezenverklaring

De bewezenverklaring is als bijlage III aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 (zegge: veertig) maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, indien verdachte veroordeeld wordt, rekening moet wordt gehouden met de omstandigheden dat de oude strafmaxima van toepassing zijn, dat geen sprake van ernstig fysiek geweld is geweest en dat geen sprake is van recidive of andere strafverzwarende indicatoren. Verdachte kon worden beschouwd als ‘één van de betere mannen in de prostitutiewereld’.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitbuiting van aangeefster gedurende een periode van ruim twee jaar. Hierdoor heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de menselijke waardigheid, persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit van aangeefster. Verdachte wist dat aangeefster in het verleden al te maken had gehad met uitbuiting en geweld. Dat zij haar in een positie hebben gebracht waarin zij daar opnieuw slachtoffer van is geworden, maakt hun handelen des te kwalijker. Verdachte en medeverdachte hebben geveinsd zich te ontfermen over een prostituee in nood maar waren enkel geïnteresseerd om aan haar te verdienen. Het geld is ten goede gekomen aan verdachte en medeverdachte, die zelf niet werkten maar structureel leefden van de verdiensten van het slachtoffer, en verder aan hun familieleden in Hongarije.

De rechtbank rekent het verdachte voorts aan dat hij door het witwassen van de opbrengsten van de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster, met zijn medeverdachte de integriteit van het economische verkeer heeft geschaad.

Op grond van voorstaande strafbare handelingen en de manier waarop de uitbuiting heeft plaatsgevonden, vanuit het oogpunt van vergelding en preventie, en vergelijkend met de straffen die worden opgelegd in gelijksoortige zaken, dient naar het oordeel van de rechtbank een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf te volgen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 170.000,- aan materiële schadevergoeding en
€ 5000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Primair verzoekt de verdediging de vordering af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging de materiële schade te matigen. Aangeefster zou jaarlijks
€ 40.000,- verdiend hebben en zij heeft zelf eerder verklaard nog ongeveer dat bedrag van verdachte tegoed te hebben. Bovendien heeft verdachte kosten gemaakt, waaronder de huur, die van de inkomsten zouden moeten worden afgetrokken. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering in een civiele procedure zou moeten worden afgehandeld, nu deze te complex is voor behandeling in de strafzaak.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen. Hierbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De rechtbank overweegt dat de materiële schade is gebaseerd op een schatting van de minimale schade en om die reden geen onevenredige belasting vormt voor het strafproces.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in bijlage III bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht door gederfde inkomsten.

De rechtbank neemt met de benadeelde partij de kamerverhuurgegevens als uitgangspunt voor het aantal gewerkte dagen in de ten laste gelegde periode, neerkomend op 680 dagen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het gevorderde bedrag ad € 250,- per dag voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is als schatting op het minimum waarbij ook rekening is gehouden met gemaakte kosten. Daarbij is rekening gehouden met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend.

De rechtbank stelt voorts vast dat op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden het handelen van verdachte immateriële schade voor de benadeelde partij heeft veroorzaakt. De hoogte van dit gedeelte van de vordering is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank billijk van aard. Het gedeelte van de vordering dat daarop ziet, kan dan ook eveneens integraal worden toegewezen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot schadevergoeding in haar geheel zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 175.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in bijlage III onder 1. bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 175.000,- (zegge: honderdvijfenzeventigduizend euro).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 273f (oud) en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zegge: zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en in overleveringsdetentie is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van [slachtoffer] , domicilie kiezende op het adres van haar gemachtigde, [adres 1] , geheel toe tot € 175.000,- (zegge: honderdvijfenzeventigduizend euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , aan de Staat € 175.000,- (zegge: honderdvijfenzeventigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 april 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 182 (zegge: honderd tweeëntachtig) dagen vervangen, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de verdachte veroordeeld wordt als medepleger.

De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en C. Klomp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2017.