Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4774

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
13/845029-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak niet-ambtelijke omkoping. Veroordeling valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845029-13 (Promis)

Datum uitspraak: 30 juni 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1962,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Mooijen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J. van Essen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 6 januari 2011 t/m 1 juli 2014 te Wormerveer en/of Lynden en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, anders dan als ambtenaar, immers als regiomanager en/of districtmanager en/of rayon manager werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber bij [naam bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift en/of een belofte en/of een dienst, te weten geld (ongeveer 2.895,- euro van [naam persoon 1] (zie doc-004-17 t/m doc-004-22) en/of 20.850,- euro cash stortingen (zie doc-004-23 t/m doc-004-32)), heeft aangenomen en/of gevraagd en dit aannemen en/of vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever of lasthebber;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 15 juli 2013 t/m 20 augustus 2013,

te Amsterdam en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) en/of alleen meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer manurenstaten (ten behoeve van de administratie van [naam bedrijf] ), te weten de manurenstaten van week 29 en/of 30 en/of 31 en/of 32 en/of 33 van 2013 (doc-017-01), zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

door daar toen (telkens) in strijd met de waarheid op een of meer van die geschriften

- de/een naam/namen te vermelden van personen die toen (op dat/die geschriften vermelde projecten) gewerkt zouden hebben en/of

- bij (project) ' [naam project] ' de naam ' [naam persoon 2] ' bij za(terdag) en zo(ndag) 2,00 (als gewerkte uren) te vermelden,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

3 Voorvragen

3.1.

De geldigheid van dagvaarding

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijke beschreven is nu uit de tenlastelegging niet blijkt wat de tegenprestatie is geweest voor de onder 1 ten laste gelegde giften. Dit onderdeel is essentieel voor een eventuele bewezenverklaring en moet dus ook nader gespecifieerd worden in de tenlastelegging. Het is voor de verdediging nu niet duidelijk waarop de verdenking precies ziet en waar de verdediging zich dus tegen moet verdedigen. De dagvaarding voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en moet om die reden nietig worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie met betrekking tot omkoping als bedoeld in artikel 328 ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) volgt dat aan de delictsbestanddelen ‘in strijd met zijn plicht’ en ‘in zijn bediening iets doen of nalaten’ voldoende feitelijke betekenis toekomt. Deze begrippen komen gelijke betekenis toe voor wat betreft de in de dagvaarding genoemde bestanddelen ‘in strijd met de goede trouw’ en ‘in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten’. Dit leidt ertoe dat het niet noodzakelijk is om deze begrippen in de tenlastelegging nader te concretiseren en dus ook in dit geval de tegenprestatie niet nader hoeft te worden beschreven.

Tegen de achtergrond van het dossier, is het bovendien voor de verdediging duidelijk dat het gaat om de verdenking dat de verdachte, in zijn hoedanigheid als manager bij [naam bedrijf] geld heeft aangenomen en in ruil daarvoor schoonmaakopdrachten zou hebben toegewezen aan verschillende onderaannemers, waaronder het schoonmaakbedrijf van [naam persoon 1] .

De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 voldoende feitelijk, begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig is en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 261, eerste lid, Sv. Het verweer wordt verworpen en de dagvaarding is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geldig.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de dagvaarding voor het onder 2 ten laste gelegde, eerste gedachtestreepje, nietig moet worden verklaard. In de tenlastelegging is opgenomen ‘de/een naam/namen te vermelden van personen die toen (op dat/die geschriften vermelde projecten) gewerkt zouden hebben’. Het is voor de verdediging onduidelijk welke personen de officier van justitie op het oog heeft en uit welke documenten dit zou moeten blijken. De dagvaarding omvat dus niet een duidelijke opgave van de feiten en voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 261 Sv.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de lezing van het onder 2 ten laste gelegde, eerste gedachtestreepje, is weliswaar niet direct duidelijk wat het concrete verwijt betreft dat verdachte wordt gemaakt, maar uit zaaksdossier drie (3) kan echter eenvoudig worden afgeleid dat tijdens verschillende tapgesprekken de verdachte heeft gesproken over het inzetten van personen op bepaalde schoonmaakprojecten en het ‘schuiven’ van uren om, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, de begroting van bepaalde projecten kloppend te maken. Tegen deze achtergrond biedt het dossier voldoende aanwijzingen voor de duiding van het verwijt dat de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. De rechtbank oordeelt dan ook dat de tenlastelegging in samenhang met het dossier voor wat betreft feit 2 voldoende feitelijk, begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig is en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 261 lid 1 Sv. Het verweer wordt daarom verworpen.

3.2.

De overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van de ten laste gelegde feiten

4.1.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

De verdachte wordt verweten dat hij, als manager bij [naam bedrijf] , een geldbedrag van in totaal € 2.895,- van [naam persoon 1] (als onderaannemer van [naam bedrijf] ) en € 20.850,- aan cash (stortingen) heeft ontvangen en in ruil daarvoor schoonmaakopdrachten heeft toegekend aan het bedrijf van deze [naam persoon 1] en andere onderaannemers van [naam bedrijf] .

Vast staat dat [naam persoon 1] in de periode van 6 januari 2011 tot en met 4 april 2012 zes keer een geldbedrag – in totaal € 2.895,- – heeft overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij [naam persoon 1] een geldbedrag van € 3.000,- had geleend omdat [naam persoon 1] financiële problemen zou hebben en voor zijn zieke moeder in Marokko moest zorgen. Deze financiële problemen zouden – onder andere – zijn ontstaan doordat [naam bedrijf] haar betalingsverplichtingen jegens [naam persoon 1] niet zou zijn nagekomen. Elke keer als [naam persoon 1] wat geld over had, heeft hij de verdachte per bank een afbetaling gedaan, aldus de verdachte ter terechtzitting. [naam persoon 1] heeft niet het volledige geldbedrag per bank voldaan, omdat hij voor de verdachte een kleedje uit Marokko zou hebben meegebracht. De verklaring van [naam persoon 1] over de zestal overboekingen komt overeen met wat de verdachte hierover heeft verklaard.

De verklaring van de verdachte over de door hem aan [naam persoon 1] verstrekte lening en de daarna door [naam persoon 1] op zijn bankrekening overgemaakte geldbedragen is niet op voorhand ongeloofwaardig en wordt bovendien niet ontkracht door enig bewijsmiddel. Ook indien wordt uitgegaan van de stelling van het openbaar ministerie dat geen sprake is van een geldlening maar een gift, dan wordt op geen enkele wijze specifiek gemaakt dat de door [naam persoon 1] overgemaakte geldbedragen zijn te relateren aan een of meer concrete door de verdachte aan hem verstrekte schoonmaakopdrachten dan wel andere gunsten. Kortom, niet is vast komen te staan of aannemelijk gemaakt dat tegenover de betalingen een tegenprestatie stond en dat is een essentieel vereiste om te kunnen spreken van omkoping.

Daar komt bij dat in het dossier staat gerelateerd dat de omkoping zou hebben bestaan uit het afgeven van contante geldbedragen, terwijl de betalingen van [naam persoon 1] aan de verdachte per bank hebben plaatsgevonden en daardoor zichtbaar en herleidbaar zijn. Bovendien betreft het geen substantieel geldbedrag – overgemaakt in een periode van vijftien maanden – waaruit zonder meer kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van omkoping.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geldbedrag van in totaal € 20.850,-, bestaande uit contante stortingen, geeft het dossier geen enkel aanknopingspunt dat dit giften betreffen. Ook als er al van wordt uitgegaan dat deze contante geldbedragen giften zijn geweest, kan nog niet worden vastgesteld wie deze giften heeft gedaan en of tegen het doen van deze giften een tegenprestatie stond. De omstandigheid dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van deze € 20.850,- de rechtbank niet direct overtuigt en hij pas ter terechtzitting voor het eerst heeft verklaard dat een gedeelte hiervan afkomstig is uit de verkoop van het huis (in Turkije) van zijn overleden vader, maakt dat niet anders.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw, van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet kan worden bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4.2.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

In feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij ten behoeve van de administratie van [naam bedrijf] de manurenstaten van de weken 29, 30, 31, 32 en 33 van 2013 valselijk heeft opgemaakt, door op deze manurenstaten namen van personen te vermelden – waaronder de naam [naam persoon 2] bij het project ‘ [naam project] ’ – terwijl deze personen in werkelijkheid geen werkzaamheden zouden hebben verricht.

Uit een tapgesprek tussen de verdachte en [naam persoon 3] op 18 juli 2013 blijkt dat zij met elkaar afspreken dat [naam persoon 3] op zaterdag en zondag onder de naam van zijn vrouw bij het project ‘ [naam project] ’ gaat werken. [naam persoon 3] zelf is in dienst bij HSO en zijn vrouw bij [naam bedrijf] . Op de manurenstaten van week 29 wordt vermeld dat [naam persoon 2] , de vrouw van [naam persoon 3] , op zaterdag 20 juli 2013 en zondag 21 juli 2013 beide dagen twee uren heeft gewerkt.

Dat het feitelijk ook is gegaan zoals de verdachte en [naam persoon 3] hebben afgesproken, leidt de rechtbank af uit de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tijdens zijn verhoor. Hem is gevraagd wat hij over het tapgesprek kon verklaren, waarop hij heeft geantwoord: “U zegt mij dat deze man op de naam van zijn vrouw gaat werken. Dit klopt, dit is een fout die ik heb gemaakt. Dit is eenmalig.”

Gelet hierop acht de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, het onder 2 ten laste gelegde, tweede gedachtestreepje, bewezen.

Dit is anders voor het onder 2 ten laste gelegde, eerste gedachtestreepje. Hoewel uit verschillende tapgesprekken tussen de verdachte en andere personen de indruk wordt gewekt dat wordt ‘geschoven met uren’ en gebruik wordt gemaakt van personen (invallers/vervangers) die mogelijk niet op manurenstaten worden vermeld, is niet gebleken of het ook daadwerkelijk gaat over personen en/of uren die worden vermeld op de ten laste gelegde manurenstaten van de weken 29 tot en met 33 van 2013. De verdachte wordt daarom van dit deel van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen en de onder 4.2. weergegeven bewijsoverweging bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de periode van 15 juli 2013 tot en met 20 augustus 2013 in Nederland een manurenstaat ten behoeve van de administratie van [naam bedrijf] , te weten de manurenstaat van week 29 van 2013, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, door in strijd met de waarheid op dat geschrift bij project ‘ [naam project] ’ de naam ‘ [naam persoon 2] ’ bij za(terdag) en zo(ndag) 2,00 als gewerkte uren te vermelden, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een

rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft subsidiair bepleit dat, mocht de rechtbank tot strafoplegging komen, rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft verzocht in dat geval te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte, als manager bij [naam bedrijf] , valsheid in geschrifte heeft gepleegd door op een manurenstaat de naam van een persoon en gewerkte uren te vermelden, terwijl in werkelijkheid niet deze persoon maar iemand anders de werkzaamheden heeft verricht.

Hoewel de overige hem ten laste gelegde feiten niet kunnen worden bewezen, roept het dossier wel vragen op over de wijze waarop onderaannemers door de verdachte zijn ingezet, en ook hoe deze onderaannemers weer andere onderaannemers hebben ingezet voor de aan hen (door [naam bedrijf] ) opgedragen werkzaamheden. Daar komt bij dat van een fatsoenlijke, maar bovenal een controleerbare administratie niet of nauwelijks sprake was, met als gevolg dat de gelegenheid werd gecreëerd om manurenstaten te manipuleren.

De vraag is nu wat een passende straf is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft een manurenstaat valselijk opgemaakt en deze manurenstaat aan de administratie van [naam bedrijf] ter beschikking gesteld. Door het handelen van de verdachte heeft hij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van dergelijke documenten wordt gesteld ernstig geschonden.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende, acht de rechtbank een geldboete op zijn plaats. Omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met een jaar en vijf maanden, waarbij er van is uitgegaan dat als eerste daad van vervolging de doorzoeking op 14 januari 2014 geldt, zal de rechtbank de hoogte van de geldboete enigszins matigen en een geldboete van € 500,- opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2017.