Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4769

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
AMS 16/5183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Korpschef van de Politie heeft een groot deel van de informatie die zij heeft over een motorclub geheim mogen houden. Een belangstellende had op grond van de Wet openbaarheid van bestuur deze gegevens bij de politie opgevraagd. Hij verzette zich ertegen dat hij veel informatie niet kreeg. De rechtbank heeft daarop de geheime stukken gelezen. Zij oordeelt dat een groot deel van de informatie inzicht in het kennisniveau en de werkwijze van de politie geeft, zoals bijvoorbeeld manieren van kennisvergaring en plannen van aanpak. Openbaarmaking daarvan kan leiden tot calculerend gedrag bij kwaadwillenden. Omwille van het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten en het belang van inspectie, controle en toezicht, mocht de politie de informatie daarom geheim houden. Ook de andere geheime informatie is op goede gronden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5183

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: H. van Drunen),

en

de Korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.C. Strating).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), aan eiser een aantal documenten (deels) verstrekt en daarnaast besloten bepaalde informatie niet openbaar te maken. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 juli 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar een advies van de Bezwarenadviescommissie van 16 juni 2016, gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat ten aanzien van één document alsnog de initialen van de medewerker van de politie openbaar worden gemaakt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de rechtbank op 22 augustus 2016 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden, waarbij een aantal documenten onder geheimhouding zijn verstrekt.

Eiser heeft de rechtbank bij brief van 5 september 2016 meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen kennisname door de rechtbank van de vertrouwelijk overgelegde stukken, om mede op basis daarvan tot een uitspraak te komen.

Verweerder heeft de rechtbank bericht dat hij op 28 oktober 2016 het betreden besluit I heeft aangevuld. Verweerder heeft een afschrift van dit herstelbesluit (het bestreden besluit II) overgelegd. Ook heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij het eens is met het bestreden besluit II en het beroep intrekt, of het hiermee niet eens is en waarom niet.

Eiser heeft de rechtbank bij brief van 29 november 2016 bericht dat het bestreden besluit II geen reden vormt om het beroep in te trekken. Eiser heeft nadere beroepsgronden ingediend.

Op 8 mei 2017 heeft verweerder een memorie en nader stuk ten behoeve van de zitting van 19 mei 2017 (hierna: aanvullend verweerschrift) ingediend en meer informatie openbaar gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig, mevrouw [naam] , medewerker bij de politie.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Eiser heeft bij brief van 24 juli 2015 verweerder verzocht om documenten te verstrekken met betrekking tot motorclub [clubnaam] (of andere/vergelijkbare namen/omschrijvingen) over de jaren 2013, 2014 en 2015.

1.2

De rechtbank heeft, na daartoe van eiser toestemming te hebben verkregen als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kennis genomen van de door verweerder als vertrouwelijk overgelegde stukken en deze mede ten grondslag gelegd aan deze uitspraak.

Standpunt verweerder

2.1

Verweerder heeft in het primaire besluit vastgesteld dat binnen zijn organisatie de volgende documenten zijn aangetroffen die zien op of gaan over motorclub [clubnaam] :

  1. een informatierapport van de Dienst Regionale Informatie (DRI) van de eenheid Den Haag d.d. 15-4-2015;

  2. een informatierapport van de DRI van de eenheid Den Haag d.d. 23-4-2015;

  3. een brief van de eenheid Den Haag aan de leden van de Driehoek Den Haag
    d.d. 1-5-2015;

  4. een informatierapport van de DRIO van de eenheid Noord Nederland d.d. 7-5-2014;

  5. een interne memo van de Landelijke eenheid, infocel OMG met daarin een reactie op de aangifte tegen minister Opstelten, ongedateerd;

  6. het logo van motorclub [clubnaam] .

Verder zijn in het bedrijfsprocessensysteem van de politie 280 registraties aangetroffen over de jaren 2013 tot en met 21 augustus 2015, die per registratie meestal uit meer dan één document (mutaties) bestaan. Gelet op de hoeveelheid informatie in de registraties, heeft verweerder ten aanzien daarvan eiser verzocht om inperking van het Wob-verzoek. Verweerder heeft vervolgens de documenten 1, 2 en 4 deels openbaar gemaakt. Hij heeft enkele passages uit deze documenten bij elkaar samengevoegd en dat aan eiser verstrekt. Ook de documenten 3 en 5 heeft verweerder deels openbaar gemaakt. Document 6 (het logo) is geheel openbaar gemaakt. Omdat eiser niet (tijdig) had gereageerd op verweerders verzoek om inperking van het Wob-verzoek, heeft verweerder in het primaire besluit de registraties niet aan de Wob getoetst. Wel heeft verweerder een overzicht verstrekt met het aantal registraties over de jaren 2012-2015, waarin [clubnaam] al dan niet in combinatie met bepaalde trefwoorden voorkomen, omdat eisers vraag daarmee mogelijk ook wordt beantwoord. Van de niet (geheel) openbaar gemaakte documenten heeft verweerder per document gemotiveerd waarom het document, of een deel ervan, niet openbaar wordt gemaakt. Kort samengevat betreffen de weigeringsgronden het belang van opsporing en vervolging (artikel 10, tweede lid, onder c, van de Wob), het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen (artikel 10, tweede lid, onder d, van de Wob), de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob) en de grond dat geen informatie wordt verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen die zijn opgenomen in documenten voor intern beraad (artikel 11, eerste lid, van de Wob). Tot slot is de openbaarmaking van bepaalde gegevens geweigerd op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).

2.2

Met de bestreden besluiten is verweerder deels aan de bezwaren van eiser tegemoet gekomen, door aanvullend het volgende openbaar te maken:
- van document 3: de initialen van de politiemedewerker die het document heeft opgesteld;

- van document 3: de ontvangers van de brief;

- van document 5: de verzender van de memo.

Daarnaast heeft verweerder een drietal mutaties, die voortkomen uit de genoemde 280 registraties uit het bedrijfsregistratiesysteem, deels openbaar gemaakt. Deels heeft verweerder informatie daaruit gemotiveerd geweigerd. Deze voorbeeldmutaties zijn volgens verweerder exemplarisch voor alle overige mutaties. Dezelfde onderdelen die bij deze voorbeeldmutaties zijn weggelakt, zouden bij de overige mutaties ook worden weggelakt, zodat het geen redelijk doel dient dit voor de overige mutaties te herhalen.

2.3

In het aanvullende verweerschrift van 8 mei 2017 heeft verweerder toegelicht dat een registratie een voorval betreft, dat kan bestaan uit meerdere mutaties/mutatierapporten. De registraties over de jaren 2013 tot en met 21 augustus 2015 bestaan uit in totaal 3226 mutaties. Verweerder heeft bij het aanvullende verweerschrift de data, tijdstippen en maatschappelijke klassen die in al deze mutaties staan vermeld, alsnog openbaar gemaakt. Gemakshalve heeft verweerder ook een toelichting op de maatschappelijke klassen bijgevoegd, alsmede een toelichting op de codes die in de mutaties onder het kopje “Administratieve gegevens” gebruikt worden. Verweerder is verder van mening dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, zo nodig met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, waarbij eventuele gebreken kunnen worden gepasseerd.

Juridisch kader

3. De bij de beoordeling toegepaste regelgeving wordt weergegeven in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling

4.1

De rechtbank overweegt allereerst dat de bestreden besluiten in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig zijn voorbereid, nu verweerder in de fase van het beroep, en ook nog nadat het bestreden besluit II is genomen, bepaalde informatie uit de mutaties alsnog openbaar heeft gemaakt. De bestreden besluiten komen om die reden voor vernietiging in aanmerking.

4.2

De wetgever heeft de bestuursrechter in artikel 8:41a van de Awb opgedragen om het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. Het in stand laten van de rechtsgevolgen is een instrument dat de bestuursrechter daarvoor tot zijn beschikking heeft. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand kunnen worden gelaten.

Bespreking beroepsgronden

5.1

Eiser voert ten aanzien van de documenten 1, 2 en 4 aan dat verweerder, door een aantal passages in de vorm van een uittreksel te verstrekken, handelt in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Wob, dat voorschrijft dat het bestuursorgaan de informatie in de door verzoeker verzochte vorm verstrekt. Verweerder heeft ten onrechte niet een afschrift van de oorspronkelijke tekst verstrekt, waar eiser wel expliciet om heeft verzocht. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder openbaarmaking van de overige delen van deze documenten niet heeft kunnen weigeren. Dat sprake zou zijn van technieken, tactieken en wijzen van kennisvergaring wordt door verweerder niet inzichtelijk of aannemelijk gemaakt. Verder is de omstandigheid dat bepaalde verbalisanten niet in de openbaarheid treden volgens eiser geen reden om de namen van de verbalisanten niet openbaar te maken. Er moet een belangenafweging plaatsvinden. Hij verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Bovendien worden in politievakblad Blauw ook regelmatig namen van medewerkers en de eenheden waar zij werken gepubliceerd.

5.2.1

De rechtbank stelt, na kennisneming van de vertrouwelijk overgelegde stukken, ten eerste vast dat de openbaar gemaakte passages uit de documenten 1, 2 en 4 de letterlijke tekst betreffen die in deze documenten staat. Verweerder heeft deze passages bij elkaar gevoegd in een apart document, in plaats van een kopie van elk document afzonderlijk te verstrekken en daarin de passages weg te lakken die hij niet openbaar wil maken. De rechtbank overweegt dat, hoewel eiser in zijn oorspronkelijke Wob-verzoek niet heeft verzocht de documenten in een bepaalde vorm te ontvangen, uit zijn bezwaarschrift kan worden afgeleid dat hij een afschrift van de (originele) documenten wenst te ontvangen. Verweerder heeft zich – uiteindelijk – echter op het standpunt gesteld dat de vorm en opbouw van deze documenten, zoals bijvoorbeeld het aantal pagina’s, in het onderhavige geval iets zegt over het kennisniveau van de politie. Daarom weigert hij, in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten en het belang van inspectie, controle en toezicht (artikel 10, tweede lid, onder c en d, van de Wob), de afschriften van de originele documenten te verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met die gegeven motivering op deze gronden de afschriften van de originele documenten heeft kunnen weigeren. De stelling van eiser dat de context van de documenten van belang is en dat daarom toch afschriften hadden moeten worden verstrekt, waarbij hij verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank1, volgt de rechtbank niet. Hoewel de context van belang kan zijn voor de duiding van informatie, heeft verweerder in het onderhavige geval – terecht – de genoemde weigeringsgronden uit de Wob van toepassing geacht. In de uitspraak waarnaar eiser heeft verwezen was openbaarmaking van de context niet geweigerd met toepassing van één van de weigeringsgronden uit de Wob, maar omdat de informatie volgens het bestuursorgaan niet relevant was voor het Wob-verzoek. Er is dus sprake van een andere situatie. Het betoog van eiser dat verweerder in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Wob heeft gehandeld, slaagt dus niet.

5.2.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de weigering om de rest van de informatie uit deze documenten openbaar te maken, voldoende heeft gemotiveerd. Een deel van de informatie ziet op het kennisniveau van de politie en geeft inzicht in methodieken en werkwijzen van de politie, zoals bijvoorbeeld wijzen van kennisvergaring en plannen van aanpak. Openbaarmaking hiervan kan leiden tot calculerend gedrag bij kwaadwillenden. Een uitgebreidere motivering hiervan was voor verweerder niet mogelijk zonder ook de geheim te houden informatie openbaar te maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de openbaarmaking van deze informatie in redelijkheid heeft kunnen weigeren, omdat het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten en het belang van inspectie, controle en toezicht door de politie zich daartegen verzet.

Daarnaast is in de documenten 1 en 4 sprake van gegevens over geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen, zoals bedoeld in de Wpg en zijn deze gegevens verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat, voor zover de gegevens politiegegevens betreffen, hij tegen weigering van openbaarmaking geen bezwaar heeft.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder openbaarmaking van de namen van politiemedewerkers in de documenten 1, 2 en 4 heeft kunnen weigeren op grond van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze medewerkers. Er is sprake van medewerkers die gezien de aard van hun functie niet geregeld in de openbaarheid treden, anders dan bijvoorbeeld een korpschef of persvoorlichter. Hoewel dat niet betekent dat namen van verbalisanten dan nooit openbaar kunnen worden gemaakt, heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van medewerkers die zich specifiek bezig houden met [clubnaam] en dat er daardoor veiligheidsrisico’s in het geding zijn. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking van de namen niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat er in het politievakblad Blauw ook namen van politiemedewerkers worden gepubliceerd die hun diploma hebben gehaald doet hier niet aan af, nu hun functie of aandachtsgebied daarbij niet wordt vermeld en dit vakblad bovendien alleen naar geselecteerde partners van de politie wordt gezonden. Het betreft dus geen openbaarmaking in de zin van de Wob. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de er gronden zijn om openbaarmaking van de informatie uit documenten 1, 2 en 4 te weigeren.

6.1

Eiser heeft ten aanzien van de documenten 3 en 5 met dezelfde argumenten aangevoerd dat verweerder de informatie niet heeft kunnen weigeren op grond van
artikel 10, tweede lid, onder c en d, van de Wob. Daarnaast voert hij aan dat verweerder openbaarmaking van de tabel, die zowel in document 3 als document 5 staat, niet op grond van de Wpg mocht weigeren. Verweerder heeft namelijk op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking hiervan leidt tot identificatie van individuele, natuurlijke personen. Ook de Bezwarenadviescommissie heeft aangegeven dat de herleidbaarheid naar individuele personen onvoldoende is gemotiveerd, aldus eiser.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat ook dit betoog niet slaagt. De rechtbank constateert dat uit documenten 3 en 5 blijkt dat de geheim te houden informatie deels ziet op het kennisniveau van de politie en de informatie ook in dit geval inzicht biedt in methoden en tactieken van de politie. Die informatie mocht verweerder daarom weigeren openbaar te maken. Verder bevatten de documenten een overzicht van de misdrijven waarvoor de bij de politie bekende leden van [clubnaam] zijn veroordeeld (de tabel). De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze tabel politiegegevens bevat zoals bedoeld in de Wpg. Gezien de lage aantallen in de tabel, de daarin genoemde specifieke misdrijven en het geringe aantal [clubnaam] leden in het algemeen, zijn deze gegevens – anders dan eiser stelt – naar het oordeel van de rechtbank wel mogelijk herleidbaar tot natuurlijke personen. Deze gegevens kunnen in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen volgens vaste jurisprudentie alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren.2 Het betoog dat verweerder openbaarmaking van de tabel niet mocht weigeren, slaagt dus evenmin. Tegen de weigering van de informatie die ziet op persoonlijke beleidsopvattingen, die ook in het document staan, heeft eiser tot slot geen gronden gericht.

6.3

Ten aanzien van de mutaties uit de registraties heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte de openbaarmaking heeft geweigerd van de daarin opgenomen:
- namen van verbalisanten;

- registratienummers;

- namen van politiekorpsen, districten en locaties; en

- toelichtingen bij incidenten of zelfstandige acties.

Volgens eiser zijn de namen van politiekorpsen en districten, locaties, en de toelichtingen bij incidenten geen geheim te houden tactieken en geven ze geen inzicht in het kennisniveau van de politie. De registratienummers zijn voor een buitenstaander voorts niet te herleiden tot individuele, natuurlijke personen en openbaarmaking daarvan vormt dus geen enkele aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Tot slot is er ook hier geen reden om de namen van verbalisanten categoriaal te weigeren zonder een belangenafweging te maken, aldus eiser.

6.4

De rechtbank is van oordeel dat ook dit betoog faalt. Om te beoordelen of verweerder openbaarmaking van voornoemde gegevens heeft mogen weigeren, heeft de rechtbank de usb-stick van verweerder met daarop de volledige inhoud van de mutaties bezien. Gelet op de omvang, is de rechtbank daarbij steekproefsgewijs te werk gegaan.3 De rechtbank heeft van alle categorieën gegevens een aantal voorbeelden gezocht.

6.5.1

Ten aanzien van de weigering van verweerder om de namen van de verbalisanten in de mutaties openbaar te maken, verwijst de rechtbank naar haar motivering in overweging 5.2.2, die zij ook in dit geval van toepassing acht.

Over de namen van verbalisanten die zich niet specifiek met de [clubnaam] bezighouden overweegt de rechtbank als volgt. De namen van deze verbalisanten zijn persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten. Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een verbalisant in contact treedt, maar om openbaarmaking in de zin van de Wob. Daarbij levert openbaarmaking van deze namen niet een zodanige bijdrage aan de publieke controle dat het belang bij bescherming van deze gegevens daarvoor zou moeten wijken. Ook deze namen heeft verweerder daarom kunnen weigeren.

6.5.2

Ten aanzien van de weigering de registratienummers uit de mutaties openbaar te maken, heeft verweerder toegelicht dat dit unieke cijferreeksen zijn, waarvan de laatste cijfers zijn gekoppeld aan de natuurlijke persoon die in het betreffende politiebestand is opgenomen en dat het nummer daarom is te herleiden naar die persoon. Het is niet uit te sluiten dat een buitenstaander met het registratienummer de gegevens van een natuurlijke persoon in handen kan krijgen, bijvoorbeeld via een politiebureau of –medewerker. De rechtbank is van oordeel dat, nu de nummers kunnen leiden tot de identificatie van natuurlijke personen, verweerder openbaarmaking daarvan op grond van de Wpg mocht weigeren. Andere cijfers in de reeks geven aan in welke eenheid en op welke locatie het incident plaatsvond. Verweerder heeft gemotiveerd dat [clubnaam] een klein aantal leden heeft en is onderverdeeld in kleinere chapters, terwijl de chapters zijn gelinkt aan de verschillende locaties en politie-eenheden. Uit de registratienummers is daarom af te leiden welk chapter en welke leden de speciale aandacht hebben van de politie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat de belangen uit artikel 10, tweede lid, onder c en d, van de Wob zich verzetten tegen openbaarmaking van de rest van de cijferreeks. Tot slot staat ook het jaartal van de gebeurtenis in de cijferreeks, maar dat gegeven is al openbaargemaakt met de openbaarmaking van de begin- en eindtijden van alle mutaties.

6.5.3

Verder heeft verweerder ook openbaarmaking van de namen van politiekorpsen, de districten en de locaties kunnen weigeren op deze c- en d-grond. Naast de hiervoor al genoemde motivering ten aanzien van dergelijke gegevens in de registratienummers, bevat die informatie naar het oordeel van de rechtbank ook tactieken van de politie – zoals waar zij observaties doen en aanhoudingen verrichten – en relevante informatiebronnen. Geheimhouding van deze informatie is gerechtvaardigd in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten en de bescherming van opsporingsstrategieën van de politie in het algemeen. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de toelichtingen bij incidenten of zelfstandige acties. Dat dit anders zou zijn bij meldingen als ‘assistentie gezondheidszorg’ en ‘begeleiding evenement’, zoals door eiser ter zitting gesteld, volgt de rechtbank niet. Ten eerste hebben alle mutaties op de een of andere manier te maken met [clubnaam] ; daar ziet het Wob-verzoek immers op en daarop is ook gezocht in het bedrijfsprocessensysteem. Zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de motorclub [clubnaam] de speciale aandacht van de politie. Verder bevatten ook die toelichtingen voorbeelden van observaties en relevante informatiebronnen, waarvan onder meer [clubnaam] leden bij openbaarmaking op de hoogte zouden kunnen raken. Calculerend gedrag kan niet worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder derhalve met toepassing van artikel 10, tweede lid, onder c en d, van de Wob mogen beslissen deze informatie niet openbaar te maken. Tot slot komen in de toelichtingen ook politiegegevens voor die verweerder op grond van de Wpg mocht weigeren te verstrekken.

6.5.4

Ten aanzien van een aantal gegevens uit de mutaties, door verweerder bij zijn aanvullende verweerschrift in de openbare mutaties geel gearceerd, heeft verweerder tenslotte aangegeven dat deze gegevens voor alle mutaties openbaar gemaakt zouden kunnen worden, maar dat deze gegevens op zichzelf – zonder de geheim te houden context – geen informatieve waarde hebben in relatie tot het Wob-verzoek. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Als deze gegevens zelfstandig worden gelezen, verschaffen zij in het geheel geen informatie meer over [clubnaam] . Verweerder was daarom niet gehouden deze informatie uit alle 3226 mutaties openbaar te maken, aangezien openbaarmaking daarvan zinledig is. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de door verweerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 12 februari 20144 en 24 september 20145.

Conclusie

7.1

Hiervoor is reeds overwogen dat het beroep gegrond is vanwege het gebrek van een niet zorgvuldige voorbereiding van de bestreden besluiten. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank grond om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

7.2

Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

7.3

De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrugt, voorzitter, en mr. T.L. Fernig-Rocour en

mr. M. Singeling, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.

de griffier is buiten staat te tekenen voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Juridisch kader

Wet openbaarheid van bestuur (Wob)

1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van het vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

2. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Op grond van het tweede lid verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

[..]

2. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[..]

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[..].

3. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Wet politiegegevens (Wpg)

4. Op grond van artikel 1 van de Wpg wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. politiegegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

b. politietaak: de taken, bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Politiewet 2012;

c. verwerken van politiegegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van toezending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens;

[..].

5. Bij en krachtens de artikelen 16 tot en met 24 is bepaald aan welke personen politiegegevens moeten of mogen worden verstrekt.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

6. Artikel 3:2 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

7. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

8. Op grond van artikel 8:41a Awb beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.

1 uitspraak van 16 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2198

2 zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, 201204033/1/T1/A3

3 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:248

4 ECLI:NL:RVS:2014:385

5 ECLI:NL:RVS:2014:3494