Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4749

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
C/13/631292 / KG ZA 17-701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Gemeente Amsterdam mocht de voorgenomen nieuwe erfpachtregeling op de agenda zetten, zonder dat zij gelijktijdig een voorstel tot het houden van een referendum daarover behoefde te behandelen. Dit heeft de rechter in kort geding beslist. De beslissing zelf werd al genomen op 28 juni 2017 (de dag van de raadsvergadering) en vandaag (op 5 juli 2017) verscheen de schriftelijke motivering. Weliswaar heeft de gemeente in 2014 een motie aangenomen die wel de behandeling van een voorstel voor een referendum voorschreef, maar volgens de rechter verschilt het huidige plan tot wijziging van het erfpachtstelsel teveel van het vorige om die motie daarop van toepassing te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/631292 / KG ZA 17-701 MW/PV

Vonnis in kort geding van 28 juni 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij concept-dagvaarding,

advocaat mr. L.E. de Geer te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

advocaten mrs. D.J.L. van Ee en P.L. Loeb te Amsterdam.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 28 juni 2017 heeft eiser, verder te noemen [eiser] , gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder ook te noemen de Gemeente, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.
Aan de zijde van [eiser] waren ter terechtzitting aanwezig: [eiser] en mr. De Geer. Aan de zijde van de Gemeente waren, voor zover van belang, aanwezig: mr. [naam 1] , directeur juridische zaken bij de Gemeente,
[naam 2] , ambtelijk secretaris van de initiatief- en referendumcommissie van de Gemeente, mr. Van Ee en mr. Loeb.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak heeft de voorzieningenrechter ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke vastlegging en uitwerking daarvan, afgegeven op 5 juli 2017.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert samengevat - bij voorziening uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Gemeente te verbieden het besluit dat ziet op de Overstapregeling en het besluit dat ziet op het beleid Grondwaardebepaling 2017, of gelijksoortige besluiten, te agenderen, althans te behandelen, althans te nemen, zonder dat tevens een voorstel wordt gedaan tot het houden van een referendum,

II. de Gemeente te veroordelen om bij het agenderen van de onder I genoemde besluiten of gelijksoortige besluiten, in die zin dat daarbij de residuele grondwaardeberekeningsmethode wordt gehanteerd, tevens een voorstel voor het houden van een referendum te doen,

III. de Gemeente te veroordelen tot betaling van een dwangsom indien zij de veroordelingen op grond van de vorderingen onder I. en II schendt,

IV. de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2.

De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het geschil betreft de op de agenda van de vergadering van de Amsterdamse gemeenteraad (hierna: de raad) van 28 juni 2017 staande voorstellen aan de raad (1) om in te stemmen met het collegebesluit tot vaststelling van de Overstapregeling van voortdurende naar eeuwigdurende erfpacht voor woonbestemmingen 2017 (hierna: de Overstapregeling) en (2) om in te stemmen met het collegebesluit tot vaststelling van het beleid Grondwaardebepaling voor bestaande erfpachtrechten 2017.

3.2.

[eiser] stelt dat de Gemeente gehouden is om gelijktijdig met voormelde op de agenda van de raadsvergadering van 28 juni 2017 staande punten, tevens een voorstel tot het houden van een referendum over die twee agendapunten te behandelen en beroept zich daarbij op de in de raadsvergadering van 2 april 2014 door de raad met algemene stemmen aangenomen motie van [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] (hierna: de motie). Die motie luidt als volgt:

Verzoekt het college:

- op het eerstvolgende moment dat het college een soortgelijk besluit voor uitgangspunten voor de nieuwe algemene bepalingen voor erfpacht aan de raad voorlegt – indien de oorspronkelijke initiatiefnemer ( [eiser] , vzr) dit wenst – tegelijk een voorstel te doen om een volksraadpleging uit te schrijven;

- In ieder geval als ‘soortgelijk’ te beschouwen een voorstel dat niet tegemoetkomt aan de tegen het initiële voorstel geuite bezwaren van de initiatiefnemer die ‘sec’ betrekking hebben op de eerder door het college vastgestelde uitgangspunten;

- de Referendumcommissie te vragen haar advies over het al dan niet soortgelijk zijn te formuleren binnen de context van de tegen het initiële voorstel geuite bezwaren van de initiatiefnemer.

3.3.

De motie was het gevolg van het intrekken door het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college) van het in de raadsvergadering van 3 juli 2013 aangenomen voorstel inzake de vernieuwing van het erfpachtstelsel. [eiser] had het initiatief genomen tot het houden van een correctief referendum over het besluit van 3 juli 2013 en daartoe meer dan 28.000 handtekeningen verzameld. In de raadsvergadering van 2 april 2014 heeft de raad het besluit van 3 juli 2013 ingetrokken. Door het intrekken van het besluit van 3 juli 2013 kwam eveneens het belang bij een referendum over dat besluit te vervallen. Naar aanleiding daarvan is in de raadsvergadering van 2 april 2014 de motie ingediend en met algemene stemmen aangenomen. Uit de raadsnotulen van de raadsvergadering van 2 april 2014 blijkt dat ook de burgemeester van de Gemeente, Van der Laan, namens het college, de motie ondersteunde.

3.4.

Anders dan door de Gemeente is aangevoerd, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat door die motie wel een verbintenis tussen de Gemeente en [eiser] is ontstaan. De motie, die tot doel heeft dat in een specifiek geval ten gunste van [eiser] wordt afgeweken van de Verordening op het burgerinitiatief, het volksinitiatief en het referendum (hierna: de Referendumverordening), en dat in die specifieke situatie de keuze voor het wel of niet doen van een voorstel aan de raad voor het houden van een referendum bij [eiser] komt te liggen, is in de raadsvergadering van 2 april 2014 met algemene stemmen aangenomen en in de beraadslaging voorafgaande aan die stemming heeft ook het college meegedeeld de motie te ondersteunen. Naar voorlopig oordeel heeft [eiser] het aannemen van de motie met algemene stemmen en hetgeen door de burgemeester namens het college in verband met de motie is verklaard, in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs als een toezegging aan hem persoonlijk mogen begrijpen. Hij mag er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat indien de in de motie vermelde situatie zich voordoet de Gemeente jegens hem handelt overeenkomstig de motie en dat de [eiser] dan niet opnieuw een handtekeningenactie hoeft te starten voor het houden van een referendum, maar dat dan, indien [eiser] dit wenst, tegelijk met een besluit dat soortgelijk is aan het besluit dat op 3 juli 2013 door de raad was aangenomen, aan de raad een voorstel voor het houden van een referendum zal worden voorgelegd.

3.5.

Nu de motie/toezegging van de Gemeente is gebaseerd op handtekeningen die [eiser] in 2013 tegen een raadsbesluit van 3 juli 2013 had verzameld, brengt dit redelijkerwijs mee dat voormelde toezegging van de Gemeente aan tijd is gebonden. Aanknopingspunt daarvoor wordt ook gezien in hetgeen door burgemeester Van der Laan bij de behandeling van de motie in de gemeenteraadsvergadering van 2 april 2014 is gezegd. Zo heeft Van der Laan met betrekking tot de motie onder meer gezegd “Het is wel goed om te weten wat we doen en wat we niet doen. We moeten over een half jaar, over een jaar of over anderhalf jaar geen gedoe krijgen over het begrip ‘soortgelijk’. ”. Hieruit blijkt voorshands dat de Gemeente, althans in ieder geval het college, ten tijde van het aannemen van de motie er nog vanuit ging dat binnen een termijn van één tot anderhalf jaar nieuwe besluitvorming over het erfpachtstelsel aan de raad zou worden voorgelegd en dat de motie in beginsel diende om de tijdsperiode tot aan die nieuwe besluitvorming te overbruggen. Nadien is in artikel 41, vierde lid, van de thans geldende Referendumverordening neergelegd dat handtekeningen als hier aan de orde in beginsel een geldigheidsduur van één jaar hebben. [eiser] kon en kan er dan ook niet zonder meer vanuit gaan dat de op 2 april 2014 door de gemeenteraad aangenomen motie jarenlang zal gelden.

3.6.

Voor de vraag of [eiser] zich thans nog met succes op die motie kan beroepen komt het dus aan op de vraag of de voorstellen die op de agenda van de raadsvergadering van 28 juni 2017 staan redelijkerwijs nog steeds zijn te beschouwen als soortgelijk aan het voorstel inzake de vernieuwing van het erfpachtstelsel dat op 3 juli 2013 door de raad was aangenomen. De Gemeente heeft onder verwijzing naar het advies van de initiatief- en referendumcommissie van de gemeente Amsterdam van 9 juni 2017 een vijftal verschillen genoemd tussen het voorstel dat op 3 juli 2013 aan de raad is voorgelegd en de voorstellen die thans op de agenda van de raadsvergadering van 28 juni staan. [eiser] heeft de in dat advies genoemde verschillen niet weerlegd. Hoewel uit dat advies blijkt dat een aangepaste versie van de residuele grondwaardeberekening nog steeds een onderdeel is van de thans op de agenda van de raad staande voorstellen, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat gelet op de in het advies van 9 juni 2017 genoemde verschillen thans niet kan worden gesproken over soortgelijke voorstellen als het voorstel dat op 3 juli 2013 in de raad was aangenomen. Daaruit volgt dat de Gemeente, anders dan door [eiser] gevorderd, naar voorlopig oordeel niet gehouden is om in de raadvergadering van 28 juni 2017 samen met het voorstel om in te stemmen met de Overstapregeling en het voorstel om in te stemmen met het beleid Grondwaardebepaling voor bestaande erfpachtrechten 2017, tevens een voorstel tot het houden van een referendum over die twee voorstellen te doen. De vorderingen van [eiser] zijn daarmee niet toewijsbaar.

3.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.434,00,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.