Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4746

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
13/751298-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen, genoegzaamheid, artikel 12 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751298-17

RK nummer: 17/2879

Datum uitspraak: 6 juli 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 april 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2017 door the Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1995,

verblijfadres in Nederland: [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 juni 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat

de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van

  • -

    een arrestatiebevel van the District Court of Raciborz van 13 april 2016 (II K 615/15);

  • -

    een vonnis van the District Court of Raciborz van 19 augustus 2014 (II K 469/14);

  • -

    een vonnis van the District Court of Raciborz van 26 november 2014 (II K 512/14).

Bij voormelde vonnissen zijn vrijheidsstraffen opgelegd voor de duur van telkens 6 maanden.

De opgeëiste persoon moet van deze vrijheidsstraffen nog ondergaan:

  • -

    4 maanden en 5 dagen (II K 469/14);

  • -

    6 maanden (II K 512/14).

De overlevering wordt verzocht

  • -

    ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit (II K 615/15)

  • -

    ten behoeve van de tenuitvoerlegging van (het restant) van voormelde twee vrijheidsstraffen (II K 469/14 en II K 512/14)

De vonnissen en het arrestatiebevel betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Strekking EAB in zaak II K 615/15

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat inzake II K 615/15 sprake is van een EAB strekkend tot vervolging van de opgeëiste persoon in Polen. In onderdeel b) van het EAB is namelijk melding gemaakt van een arrestatiebevel. In onderdeel e) van het EAB is vervolgens als kopje boven de omschrijving van het vermeende feit dat ten grondslag ligt aan deze zaak vermeld dat de opgeëiste persoon “is accused” ten aanzien van dit feit, terwijl bij de omschrijving van de andere feiten in het EAB, die ten grondslag liggen aan de twee vonnissen, is vermeld dat de opgeëiste persoon “was sentenced” voor die feiten. De in onderdeel d) verstrekte informatie spreekt bovendien niet tegen dat sprake is van vervolging.

4 Genoegzaamheid

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de omschrijving van het feit dat ten grondslag ligt aan de zaak II K 615/15 niet genoegzaam is ten aanzien van de vermeende mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij dit feit.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer van de raadsman moet verworpen.

Het EAB moet gegevens bevatten:

  • -

    op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht;

  • -

    het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten;

  • -

    die de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.

Dat brengt met zich dat het EAB een beschrijving moet bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten.

In dit geval is, óók gelet op de verstrekte informatie over de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon, aan de vereisten voldaan.

Niet ter discussie staat dat de verdenking ziet op – kort samengevat – een diefstal met braak in de nacht van 20 op 21 maart 2014 in de winkel “ [naam winkel] van [naam] in Racibórz.

In het onderdeel e) van het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon dit feit heeft gepleegd ‘acting jointly and in concert with identified persons”. In ‘Form A – Supplementary information relating to an extradition’ is als ‘degree of participation’ vermeld: ‘accesory’. Daarmee is de informatie omtrent de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon genoegzaam.

Anders dan gesteld door de raadsman is niet vereist dat de uitvaardigende justitiële autoriteit een feitelijke beschrijving geeft van de vermeende handelingen van de opgeëiste persoon op basis waarvan de gestelde deelnemingsvorm – naar Pools recht – kan worden getoetst. Die toets moet in de Poolse strafzaak worden gedaan.

Voor de kwalificatie naar Nederlands recht in het kader van de toetsing van de dubbele strafbaarheid is die informatie evenmin nodig. De feitelijke omschrijving wijst op medeplegen, maar ook in geval van medeplichtigheid is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.

5 Artikel 12 van de OLW

Vonnis van the District Court of Raciborz van 19 augustus 2014 (II K 469/14)

Volgens de informatie in het EAB en de verklaring van de opgeëiste persoon was hij aanwezig ter terechtzitting inzake II K 469/14. De weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW is dus niet van toepassing op het vonnis in deze zaak.

Vonnis van the District Court of Raciborz van 26 november 2014 (II K 512/14).

De rechtbank stelt op basis van de door de uitvaardigende autoriteit verstrekte informatie vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis inzake II K 512/14 heeft geleid.

In onderdeel d van het EAB is vermeld dat de dagvaarding voor de terechtzitting is betekend op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, maar dat hij, ondanks twee advice notes de dagvaarding niet in ontvangst heeft genomen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat de opgeëiste persoon naar Pools recht correct en effectief is geïnformeerd over de terechtzitting. Volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit is de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, tweede alternatief, van de OLW van toepassing, te weten:

de verdachte is daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in Polen mededelingen heeft gekregen van de post en dat daar waarschijnlijk een dagvaarding bij zat, maar dat hij de berichten niet heeft afgehaald.

De rechtbank concludeert – met de raadsman en de officier van justitie – dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt. Dat betekent dat de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, onder a, tweede alternatief, van de OLW niet van toepassing is. Nu evenmin is gebleken dat één van de andere situaties als bedoeld in artikel 12, onder b, c of d, van artikel 12 van de OLW van toepassing is, moet de rechtbank de overlevering weigeren voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgelegd bij het vonnis van the District Court of Raciborz van 26 november 2014 (II K 512/14) (vergelijk Rb Amsterdam 16 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3643).

De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen zijn gesteld met het oog op de toetsing aan artikel 12, waarin ook om een verzetgarantie is verzocht. Op deze vragen is ook na een rappel nog geen antwoord gekomen. Desgevraagd heeft de officier van justitie verklaart niet te verwachten dat een verzetgarantie zal worden verleend. Subsidiair heeft zij verzocht de overlevering voor het vonnis van the District Court of Raciborz van 26 november 2014 (II K 512/14) te weigeren.

Met de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak aan te houden om het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten, zoals primair verzocht door de officier van justitie. Nog daargelaten dat de rechtbank geen afschrift heeft ontvangen van de door de officier van justitie gestelde vragen, bestaat bij de rechtbank niet de verwachting dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit tot een ander oordeel zou leiden.

6 Strafbaarheid

6.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten die ten grondslag liggen aan de twee voornoemde vonnissen waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten:

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat ten grondslag ligt aan het voornoemde arrestatiebevel (II K 615/15 ) niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

(medeplichtigheid aan) diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voor wat betreft de verzochte overlevering voor:

  • -

    strafrechtelijke onderzoek naar het feit dat ten grondslag ligt aan het arrestatiebevel van the District Court of Raciborz van 13 april 2016 (II K 615/15), en

  • -

    tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraf opgelegd bij het vonnis van the District Court of Raciborz van 19 augustus 2014 (II K 469/14)

voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering in zoverre te worden toegestaan.

De overlevering moet worden geweigerd voor tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgelegd bij het vonnis van the District Court of Raciborz van 26 november 2014 (II K 512/14), omdat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW van toepassing is.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan the Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen)

  • -

    ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraf, opgelegd bij het vonnis van the District Court of Raciborz van 19 augustus 2014 (II K 469/14) en te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht;

  • -

    ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit dat ten grondslag ligt aan het arrestatiebevel van the District Court of Raciborz van 13 april 2016 (II K 615/15), waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan the Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen)

- ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, opgelegd bij het vonnis van the District Court of Raciborz van 26 november 2014 (II K 512/14).

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.