Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4735

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2049
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2306, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuurlijke boete / artikel 21, eerste lid, aanef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 / Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 / verhuren van woning aan toeristen / eiser is als eigenaar terecht als overtreder aangemerkt / beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/2049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Procesverloop

In het besluit van 27 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd en ingevorderd van € 12.000,-.

Met het besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2017. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De relevante bepalingen van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (Huisvestingsverordening 2016) zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Voorgeschiedenis

2. Eiser is eigenaar van de woning op het adres [adres] te [woonplaats] . Op 13 oktober 2015 is bij het gemeentelijke Meldpunt Zoeklicht een melding binnen gekomen dat de woning aan toeristen wordt verhuurd en dat dit gepaard gaat met veel (geluids)overlast. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een administratief- en een buitenonderzoek gestart.

3. Op 21 oktober 2015 hebben toezichthouders van verweerder de woning bezocht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 21 oktober 2015. Omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser de woning aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken, zonder dat hiervoor een onttrekkingsvergunning is verstrekt, heeft verweerder op 16 december 2015 eiser bericht voornemens te zijn hem een bestuurlijke boete op te leggen van € 12.000,-. Eiser heeft op 7 januari 2016 zijn zienswijze ingediend.

4. Verweerder heeft bij het primaire besluit eiser een bestuurlijke boete van € 12.000,- opgelegd en deze boete ingevorderd, wegens overtreding van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014.

5. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij allereerst gesteld dat niet ter discussie staat dat de woning is verhuurd aan toeristen. Eiser kan volgens verweerder als overtreder worden aangemerkt, omdat hij als eigenaar van de woning tot op zekere hoogte verantwoordelijk is voor het rechtmatig gebruik van de woning. Het feit dat eiser veelvuldig in het buitenland verblijft, dan wel de bewoning door een ander laat regelen, vormt geen reden om eiser te ontslaan van de verplichting om alles in het werk te stellen om een illegale situatie te voorkomen of op te heffen. Omdat de geconstateerde overtreding heeft plaatsgevonden in 2015, heeft verweerder een boete opgelegd van € 12.000,- en niet het bedrag van € 13.500,- dat voor geconstateerde overtredingen in 2016 van toepassing is. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de boete te matigen dan wel te vernietigen, omdat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken.

Beoordeling

Is er sprake van een overtreding?

6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de woning van eiser op het adres [adres] te [woonplaats] behoort tot de door verweerder aangewezen woonruimtevoorraad, zodat voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning een vergunning is vereist. Evenmin in geschil is dat eiser niet in het bezit is van een dergelijke vergunning, terwijl op basis van de onderzoeksbevindingen vaststaat en niet wordt betwist dat de woning in strijd met artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 aan de bestemming tot bewoning is onttrokken door de woning te verhuren aan toeristen. Verweerder was daarmee op grond van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening 2016 in beginsel bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen.

Is eiser terecht als overtreder aangemerkt?

7. Eiser heeft primair aangevoerd dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Hij verblijft jaarlijks van begin oktober tot eind mei in het buitenland, waardoor hij beperkt was in zijn toezichtsmogelijkheden als eigenaar. Hij heeft daarom een bemiddelaar, [naam] , ingeschakeld en zijn woning via deze bemiddelaar verhuurd. Zoals ook uit de bemiddelingsovereenkomst blijkt, is de woning verhuurd om uitsluitend te worden gebruikt als woning. Er was voor eiser geen reden om aan te nemen dat de bemiddelaar niet conform wet- en regelgeving handelde. De bemiddelaar heeft nimmer aan eiser kenbaar gemaakt dat de woning anders werd geëxploiteerd dan toegestaan. Eiser heeft ook nooit klachten ontvangen. Omdat de bemiddelaar zich, gelet op het voorgaande, schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie, heeft eiser de overeenkomst terstond opgezegd.

8. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 17 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:407), overweegt de rechtbank dat de overtreder degene is die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Daarbij is in dit geval van belang dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 9 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY7996), van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt.

9. Gelet op de aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling is eiser dus als eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] verantwoordelijk voor de geconstateerde overtreding, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet wist en niet kon weten dat zijn woning illegaal werd verhuurd. De rechtbank is van oordeel dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Als eigenaar en verhuurder lag het op de weg van eiser om in zekere mate concreet toezicht te houden op het gebruik van zijn woning. Niet is gebleken dat eiser concreet en actief toezicht heeft gehouden. Uit de enkele omstandigheid dat in de overeenkomst een bepaling over het gebruik van de woning is opgenomen, kan niet worden afgeleid dat eiser concreet toezicht op het gebruik van zijn woning heeft gehouden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3884). Daar komt nog bij dat het om een huurovereenkomst gaat en niet, zoals eiser heeft gesteld, om een bemiddelingsovereenkomst. Uit deze huurovereenkomst blijkt dat eiser optrad als beheerder. Zelfs als bedoeld is om een bemiddelingsovereenkomst overeen te komen, is gesteld noch gebleken dat eiser zich heeft (laten) informeren aan wie [naam] als bemiddelaar zijn woning zou hebben verhuurd. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser bij het verhuren/bemiddelen onvoldoende zorgvuldig is geweest. De omstandigheid dat eiser jaarlijks voor een lange periode in het buitenland verblijft, ontslaat hem niet van zijn verplichting om als eigenaar te informeren of zich te laten informeren over het gebruik van zijn woning. Eiser heeft door het inschakelen van een bemiddelaar niet zijn eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid verloren om zijn eigendom, de woning, te controleren. Het komt dan ook voor zijn rekening en risico dat het pand in strijd met de Huisvestigingswet 2014 aan de bestemming tot bewoning is onttrokken. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt. Verweerder was dan ook bevoegd om op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 4.2.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening 2016 een boete aan eiser op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Is er aanleiding om de boete te matigen (tot nihil)?

10. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat er aanleiding is de boete te matigen tot nihil. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 18 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:822) en van 15 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1187) heeft eiser gesteld dat hij nimmer uit winstbejag heeft gehandeld en gelijk actie heeft ondernomen door de overeenkomst direct op te zeggen. Daar komt nog bij dat hij op geen enkele wijze opzettelijk heeft gehandeld, waardoor hem als eigenaar ook geen verwijt kan worden gemaakt. Eiser exploiteert zijn panden slechts als passief vermogensbeheer en heeft geen enkel voordeel behaald uit de overtreding door [naam]

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor wat betreft de hoogte van de boete aansluiting heeft gezocht bij het boetebedrag zoals dat gold in het jaar 2015 en daarom in overeenstemming met Bijlage 5 bij de Huisvestingsverordening 2013 de boete heeft vastgesteld op € 12.000,- en deze boete heeft ingevorderd. Hoewel volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bijlage 5 van de Huisvestingsverordening 2013 met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen, volgt uit artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het bestuursorgaan niettemin een lagere boete moet opleggen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd geen bijzondere feiten en omstandigheden opleveren die aanleiding geven de boete te matigen of in te trekken. De door eiser gestelde omstandigheden dat hij niet opzettelijk heeft gehandeld, gelijk actie heeft ondernomen en geen enkel voordeel heeft behaald zijn hiertoe onvoldoende. De uitspraken van de Afdeling waar eiser zich op beroept kunnen hem niet baten, nu in het onderhavige geval andere wet- en regelgeving van toepassing is met andere feiten en omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat eiser onvoldoende draagkracht heeft om de boete te kunnen betalen. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien de opgelegde boete te matigen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie

12. Verweerder heeft eiser ter zake van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] naar het oordeel van de rechtbank terecht een bestuurlijke boete van € 12.000,- opgelegd en deze boete ingevorderd.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: relevante wettelijke bepalingen

Op 1 januari 2015 is de Huisvestingswet ingetrokken en is de gewijzigde Huisvestingswet 2014 in werking getreden. In verband hiermee is op 1 juli 2015 de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 gewijzigd. Op 1 januari 2016 is de Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 ingetrokken, waarna de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 is vastgesteld. De Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 is op 1 januari 2016 in werking getreden. Nu het bestreden besluit dateert van na de inwerkingtreding van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, is de rechtbank bij de beoordeling van het beroep uitgegaan van de wet- en regelgeving zoals die gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

Huisvestingswet 2014

Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is het verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken.

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeenteraad bij Huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van, onder meer, artikel 21 van de Huisvestingswet 2014. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Op grond van het derde lid stelt de gemeenteraad bij Huisvestingsverordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016

Op grond van artikel 4.2.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, kan verweerder een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld artikel 8, eerste en tweede lid en artikel 21 van de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften bedoeld in artikel 24 van de wet.

Op grond van het tweede lid, onder a, legt verweerder een boete op voor de eerste overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 opgenomen tabel. Volgens deze tabel bedraagt de boete voor het onttrekken zonder vergunning € 13.500,-.