Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4686

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
AMS 16/6586 en 17/83
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand niet vast te stellen door ontbrekende administratie van niet gemelde inkomsten uit hennepkwekerij. Bijstand terecht ingetrokken. Terugvordering als zodanig niet betwist. Boete terecht opgelegd. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1816), dat voor de fictieve (minimum) draagkracht in beginsel steeds 10% van de toepasselijke bijstandsnorm moet worden aangehouden. De hoogte van de boete is dus terecht vastgesteld op 10% van de toepasselijke bijstandsnorm maal het aantal maanden waarin de boete moet worden afgelost. Het college hoeft dus niet in aansluiting op artikel 475d, vierde lid, van het Rv rekening te houden met de woonkosten, de premie ziektekostenverzekering en het kindgebonden budget van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/6586 en 17/83

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2017 in de zaken tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] ( [eiser 1] ), eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Walker),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (het college), verweerder

(gemachtigde: I. van Kesteren).

Procesverloop

Met het besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit I) heeft het college het recht van [eiser 1] op bijstand over de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015 ingetrokken en de over die periode teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 7.398,63 teruggevorderd. [eiser 1] moet maandelijks een bedrag aflossen van bijna € 49,-.

Met het besluit van 14 september 2016 (het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van [eiser 1] tegen de intrekking van het recht op bijstand ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de terugvordering heeft het college gegrond verklaard, omdat de draagkracht van [eiser 1] pas na het primaire besluit is berekend. De hoogte van de vordering blijft echter ongewijzigd, net als het bedrag dat [eiser 1] maandelijks moet aflossen.

Met het besluit van 26 september 2016 (het primaire besluit II) heeft het college een boete opgelegd aan [eiser 1] van € 1.750,-.

Met het besluit van 2 december 2016 (het bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van [eiser 1] tegen de boete ongegrond verklaard.

[eiser 1] heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2017. [eiser 1] en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. [eiser 1] ontvangt sinds 3 januari 2012 een bijstandsuitkering, eerst op grond van de Wet werk en bijstand en nu op grond van de Participatiewet (Pw). Hij ontvangt de bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Op 11 november 2015 hebben politieambtenaren een in werking zijnde hennepkwekerij met 153 hennepplanten aangetroffen op de zolder van de woning van [eiser 1] . Ook werd in de woning een bedrag van in totaal € 4.350,- aangetroffen. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft een sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [eiser 1] verleende bijstand. In dit kader is kennis genomen van een verhoor van [eiser 1] door de politie. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport uitkeringsfraude van 16 februari 2016 en een rapportage boete van 19 september 2016.

3. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college de hiervoor weergegeven besluiten genomen.

4. Voor de relevante wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

Intrekking en terugvordering (AMS 16/6586)

5. De reden dat het college de bijstandsuitkering van [eiser 1] heeft ingetrokken over de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015 en de uitbetaalde uitkering over die periode heeft teruggevorderd is dat [eiser 1] in die periode een hennepkwekerij in zijn woning had en hij de hennepkwekerij en inkomsten die hij daardoor heeft ontvangen niet heeft gemeld aan het college. Het niet melden van de hennepkwekerij levert een schending op van de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Pw.

6. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat [eiser 1] de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de hennepkwekerij in zijn woning niet te melden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een reden op voor intrekking van de bijstand als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan [eiser 1] om aannemelijk te maken dat, indien hij de hennepkwekerij wel zou hebben gemeld, voor hem recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan.

7. Volgens het college kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld over de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015. [eiser 1] is het daar niet mee eens.

Omdat het aan [eiser 1] is om dit aannemelijk te maken en hij hiervoor geen onderbouwing heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiser 1] hierin te volgen. [eiser 1] heeft verklaard dat hij één keer heeft geoogst en dat hij deze oogst voor een bedrag van

€ 6.500,- heeft verkocht. In zijn woning werd een bedrag van in totaal € 4.350,- aangetroffen. [eiser 1] heeft geen administratie bijgehouden van zijn inkomsten uit hennepteelt. Daardoor heeft hij het bewijsrisico genomen dat de omvang van de werkzaamheden en de inkomsten die hij daaruit heeft gekregen achteraf niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld. De gevolgen daarvan komen voor rekening van [eiser 1] en niet voor het college.

8. Uit het voorgaande volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of [eiser 1] in de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015 nog (aanvullend) recht op bijstand had. Het college was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw verplicht om de bijstandsuitkering van [eiser 1] in te trekken.

9. Tegen de terugvordering heeft [eiser 1] geen zelfstandige beroepsgronden gericht, zodat de rechtbank de terugvordering niet zal bespreken. [eiser 1] voert nog wel aan dat het bestreden besluit I onvoldoende is gemotiveerd door het ontbreken van een berekening van zijn draagkracht. Volgens [eiser 1] kan hij een bedrag van bijna € 49,- per maand om de vordering van het college af te lossen niet betalen.

10. De rechtbank stelt vast dat het college in een afzonderlijk besluit van 6 februari 2017 de schuld die [eiser 1] bij de gemeente Amsterdam heeft tijdelijk buiten invordering heeft gesteld. De reden is dat uit een draagkrachtberekening volgt dat [eiser 1] op dit moment te weinig inkomsten heeft om een maandelijkse aflossing te doen. Dit betekent dat [eiser 1] zijn schuld voorlopig niet hoeft af te lossen. Het college heeft op de zitting bevestigd dat het bestreden besluit I onzorgvuldig en niet goed gemotiveerd is, omdat daarin een maandelijkse aflossingsverplichting is opgenomen terwijl daarna is gebleken dat [eiser 1] feitelijk niet kan aflossen. Op dit punt moet het beroep tegen het bestreden besluit I dus gegrond worden verklaard.

11. De rechtbank zal het bestreden besluit I vernietigen voor zover daarin aan [eiser 1] een maandelijkse aflossingsverplichting is opgelegd. Op grond van wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I voor het overige in stand te laten. Dat betekent dat de intrekking van de bijstand over de periode 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015 en de terugvordering van de in die periode betaalde bijstand in stand blijven en dat alleen de aflossingsverplichting voor [eiser 1] komt te vervallen.

12. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond verklaart, moet het college het griffierecht aan [eiser 1] vergoeden.

13. De rechtbank veroordeelt het college verder in de door [eiser 1] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Boete (AMS 17/83)

14. Aan [eiser 1] is ook een boete opgelegd voor het niet melden van de inkomsten en werkzaamheden uit de hennepkwekerij. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 6. al is vastgesteld zijn partijen het erover eens dat [eiser 1] de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van deze schending kan [eiser 1] ook een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop moest het college in beginsel een boete aan [eiser 1] opleggen met toepassing van artikel 18a van de Pw van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

15. Verder staat niet ter discussie dat het benadelingsbedrag € 5.866,93 netto is en dat sprake is van grove schuld. Volgens de toepasselijke regels bedraagt de boete dan 75% van het benadelingsbedrag, in dit geval afgerond € 4.400,-.

16. Het college is bij de vaststelling van de hoogte van de boete echter uitgegaan van de fictieve draagkracht van [eiser 1] waardoor de boete lager uitvalt. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:8 tot en met 13) heeft het college de boete gebaseerd op 10% van de voor [eiser 1] geldende bijstandsnorm van € 977,15 per maand. Het college heeft het bedrag afgerond op € 97,- per maand. Omdat uit de hiervoor genoemde uitspraken volgt dat bij grove schuld de boete in 18 maanden moet worden afgelost, heeft het college een boete opgelegd van 18 maal € 97,-. Dat komt neer op een totaalbedrag van € 1.746,-. Dit bedrag heeft het college afgerond op een veelvoud van 10, zodat de boete € 1.750,- bedraagt.

17. [eiser 1] voert aan dat zijn fictieve draagkracht onjuist is vastgesteld. Volgens [eiser 1] moet worden uitgegaan van de gehele regeling over de beslagvrije voet zoals verwoord in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Dat volgt volgens [eiser 1] uit de hiervoor genoemde uitspraken van de CRvB van 11 januari 2016. Dat betekent volgens [eiser 1] concreet dat het college rekening moet houden met zijn woonkosten, zijn premie ziektekostenverzekering en het kindgebonden budget. [eiser 1] verwijst naar artikel 475d, vierde lid, van het Rv. Wanneer daarmee rekening wordt gehouden blijkt volgens [eiser 1] dat hij geen financiële ruimte heeft boven de beslagvrije voet om de boete te betalen.

18. Volgens het college is de fictieve draagkracht wel juist vastgesteld en in lijn met de genoemde uitspraken van de CRvB van 11 januari 2016.

19. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college kon volstaan met het berekenen van de fictieve draagkracht zonder daarbij nog inhoudelijk te kijken naar de berekening van de beslagvrije voet op grond van het Rv, in het bijzonder artikel 475d, vierde lid, van het Rv.

20. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en verwijst daarbij naar de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1816). In deze uitspraak heeft de CRvB overwogen dat – anders dan kan worden afgeleid uit eerdere rechtspraak (zoals bijvoorbeeld de hiervoor genoemde uitspraken van 11 januari 2016) – de CRvB thans van oordeel is dat in het kader van de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete voor de bepaling van de fictieve (minimum) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds (en dus in zoverre niet in aansluiting op artikel 475d, vierde lid, van het Rv) 10% van de toepasselijke bijstandsnorm moet worden aangehouden. Zou dat principe worden verlaten dan zou dat er in veel gevallen toe leiden dat in het geheel geen boete meer zou kunnen worden opgelegd of vastgesteld. Een dergelijke verstrekkende consequentie acht de CRvB in strijd met de tekst en strekking van artikel 18a van de Pw en het Boetebesluit. Daarbij is volgens de CRvB van belang dat de draagkracht slechts één van de in aanmerking te nemen factoren is die tot (verdere) matiging van een evenredig vast te stellen boete kunnen leiden, dat daarbij uit een oogpunt van praktische en eenvormige rechtstoepassing enigszins wordt geabstraheerd van individuele situaties en voorts dat belanghebbende het college kan verzoeken een betalingsregeling te treffen, waarbij rekening wordt gehouden met zijn financiële draagkracht.

21. Anders dan [eiser 1] betoogt moet in beginsel dus 10% van de toepasselijke bijstandsnorm worden aangehouden bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete. Dat betekent dat het college in het geval van [eiser 1] de boete juist heeft vastgesteld. Daar komt nog bij dat [eiser 1] de boete op dit moment niet hoeft te betalen, omdat uit de draagkrachtberekening is gebleken dat [eiser 1] feitelijk geen aflossingscapaciteit heeft.

22. De rechtbank concludeert dat het beroep van [eiser 1] tegen het bestreden besluit II ongegrond is.

23. Voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling van het college in de proceskosten van [eiser 1] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

zaaknummer AMS 16/6586

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I voor zover daarbij aan [eiser 1] een maandelijkse aflossingsverplichting is opgelegd;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I voor het overige in stand blijven;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [eiser 1] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser 1] tot een bedrag van € 990,-.

zaaknummer AMS 17/83

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. [eiser 1] M.N. van den Hazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 3 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 18a, eerste lid, van de Pw is bepaald dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In artikel 54, derde lid, van de Pw is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

In artikel 58, eerste lid, van de Pw is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In artikel 2, derde lid, in samenhang met artikel 1, onder r, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is bepaald dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

In artikel 475d, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is bepaald dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met:

a. de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en derde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;

b. de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft;

c. het bedrag waarop de schuldenaar op basis van artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget maximaal aanspraak zou kunnen maken, verminderd met het krachtens die wet ontvangen bedrag.