Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4660

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
C/13/620506 / FA RK 16-8502
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, huurrecht echtelijke woning, verdeling gemeenschap van goederen, verknochtheid uitkering Holocaust-slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/620506 / FA RK 16-8502 en C/13/628191/FA RK

17-2813 (LH/SM)

Beschikking van 5 juli 2017 betreffende de echtscheiding en de verdeling van de gemeenschap van goederen

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. E.E. Sprenkeling te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. E.W. van den Brink te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, te weten:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw ingekomen op 9 december 2016;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw van 13 januari 2017;

  • -

    het verweerschrift van de man tevens houdende zelfstandige verzoeken ingekomen op

2 februari 2017;

  • -

    het formulier verdelen en verrekenen van de zijde van de vrouw binnengekomen op 6 maart 2017;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw van 13 maart 2017;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw van 16 mei 2017;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de man van 19 mei 2017;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de man van 31 mei 2017.

1.2.

Opgemelde zaken zijn behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 juni 2017. Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

2 De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] .

3 De verzoeken en verweren

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. te bepalen dat de man de woning aan de [straat] te [plaats] binnen zeven dagen na betekening van deze te wijzen beschikking ontruimt met machtiging van de vrouw om de beschikking zo nodig zelf met behulp van de sterke arm, ten uitvoer te leggen en het huurrecht ex artikel 7: 266 lid 5 aan de vrouw toe te scheiden;

III. de verdeling bij helfte van de gezamenlijke schulden uit de wettelijke gemeenschap uit

te spreken.

3.2.

De man refereert zich aan het verzoek tot echtscheiding van de vrouw en verzoekt de rechtbank de overige verzoeken van de vrouw af te wijzen. Tevens verzoekt de man de rechtbank bij wijze van zelfstandige verzoeken te bepalen dat hij huurder zal zijn van de voormalige echtelijke woning aan de [straat] te [plaats] .

3.3.

Op de standpunten van partijen zal de rechtbank in het hierna volgende verder ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

Nu beide partijen in Nederland wonen, is de Nederlandse rechter bevoegd en is het Nederlandse recht is van toepassing ten aanzien van de echtscheiding en de nevenvoorzieningen.

4.2.

Echtscheiding

4.2.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man refereert zich aan dit verzoek.

4.2.2.

Nu partijen beide van mening zijn dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding toewijsbaar.

4.3.

Huurrecht echtelijke woning

4.3.1.

Beide partijen maken aanspraak op het huurrecht van de echtelijke woning.

4.3.2.

De vrouw stelt dat zij meer belang heeft bij het huurrecht omdat zij vanaf oktober 1987 in de echtelijke woning heeft gewoond, zij slechts tijdelijk de woning heeft verlaten na bedreigingen die de man jegens haar heeft geuit en zij altijd alle kosten van de huishouding en de huur te heeft voldaan. Daarnaast stelt zij niet langer terecht te kunnen bij de zoon van partijen. Voorts stelt de vrouw dat de man inmiddels bij zijn vriendin woont in Zaandam en is de man volgens de vrouw niet van plan in de echtelijke woning te gaan wonen. Zij stelt dat hij van plan is de woning onder te verhuren of er een wietplantage te bouwen. De vrouw merkt tevens op dat de taakverdeling die de man schetst, waarbij hij tijdens het huwelijk van partijen de zorg heeft gedragen voor de zoon van partijen, niet juist is. De man was vaak weg omdat hij gezocht werd of zat gedetineerd. Tot slot stelt de vrouw dat de man bij familie kan wonen, waaronder zijn broer en moeder.

4.3.3.

De man stelt dat hij meer belang heeft bij het huurrecht omdat hij reeds vanaf 1983 in de echtelijke woning woont, de vrouw in 1987 bij hem is ingetrokken, hij destijds het sleutelgeld voor de woning heeft betaald, hij heeft geïnvesteerd in de woning, hij geworteld is in de buurt van de woning en de vrouw de woning reeds in juli 2016 heeft verlaten. De man stelt tijdens het huwelijk van partijen huisman te zijn geweest en zorg te hebben gedragen voor de zoon van partijen. Daarnaast stelt hij dat hij mantelzorger is voor zijn moeder (zij woont in Osdorp) en hij haar twee keer per dag bezoekt. Voorts stelt de man dat de vrouw, gelet op de hoogte van haar inkomen, beter in staat is een andere woning te vinden. De man kan met zijn uitkering de huurlast van de echtelijke woning opbrengen, maar een andere woning zoeken wordt erg moeilijk. De man betwist de stellingen van de vrouw. Hij woont niet bij zijn vriendin in Zaandam en is niet van plan de echtelijke woning onder te verhuren of er een wietplantage te bouwen. Ook kan hij niet terecht bij zijn moeder of broer. De vrouw kan volgens de man wel terecht bij de zoon van partijen en haar zus.

4.3.4.

De rechtbank is van oordeel dat beide partijen een groot belang hebben bij het voortzetten van het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank acht het in de onderhavige situatie echter van doorslaggevend belang dat de vrouw een vast inkomen heeft dat aanmerkelijk hoger ligt dan de uitkering die de man thans ontvangt, zodat de vrouw eerder kans maakt om een andere woning te kunnen huren dan de man. De rechtbank zal het huurrecht van de echtelijke woning dan ook toewijzen aan de man.

4.4.

De verdeling van de gemeenschap van goederen

Peildatum omvang van de gemeenschap van goederen

4.4.1.

De vrouw heeft op 9 december 2016 bij de rechtbank een echtscheidingsverzoekschrift ingediend.

4.4.2.

De peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap is dan ook 9 december 2016, het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift.

Peildatum van de waarde van de huwelijksgemeenschap

4.4.3.

Bij het vaststellen van de peildatum voor de waarde van tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel de waarde ten tijde van de (feitelijke) verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden. Indien niet is gesteld of gebleken dat partijen een andere datum zijn overeengekomen, dan wel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden, zal de rechtbank derhalve de waarde op het tijdstip van de (feitelijke) verdeling hanteren.

4.4.4.

De peildatum van de waardering van schulden en vorderingen (waaronder saldi op bankrekeningen) is echter de datum van ontbinding van de gemeenschap, zijnde 9 december 2016. Dit uitgangspunt betekent dat inkomsten, aflossingen en stortingen gedaan vóór deze datum worden geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap. Deze lossen dus op in de te verdelen gemeenschap van goederen per peildatum. Ook betekent dit uitgangspunt dat inkomsten, aflossingen en betalingen gedaan na 9 december 2016 buiten het bestek van deze procedure vallen.

De omvang van de gemeenschap

4.4.5.

Partijen zijn het er over eens dat de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen de navolgende bestanddelen omvat:

Activa:

- de inboedel;

- de bankrekeningen van partijen;

- de sieraden.

Passiva:

- ING doorlopend krediet van € 31.500,-- op naam van beider partijen;

- Credit Card van € 4.750,--;

- Wehkamp van € 2.100,--.

4.4.6.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat de rechtbank geen beslissing meer hoeft te nemen ten aanzien van de auto van partijen, nu deze inmiddels verbeurd is verklaard. Tevens hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen ten aanzien van de boot, nu deze boot eigendom blijkt te zijn van de moeder van de man.

4.4.7.

Partijen zijn het er niet over eens of de uitkeringen die de vrouw heeft en zal ontvangen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa als verknocht kunnen worden aangemerkt, waardoor deze uitkeringen niet in de tussen partijen te verdelen gemeenschap van goederen vallen.

Inboedel

4.4.8.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt ten aanzien van de verdeling van de gezamenlijke inboedel. Zij zijn overeengekomen dat aan de vrouw wordt toebedeeld de eettafel met vier stoelen, de dressoir, de poef, de stoel, het tweepersoonsbed en de computer en aan de man wordt toebedeeld de tv, de vier wandlampjes, de koelkast en het gasfornuis. De overige door de man op de door hem als productie 8 overgelegde inboedellijst genoemde goederen worden eveneens toebedeeld aan de man.

Bankrekeningen

4.4.9.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat ieder zijn eigen bankrekening(en) behoudt, zonder nadere verrekening van het saldo van deze rekening(en).

Aandeel vrouw in nalatenschap

4.4.10.

De vrouw stelt dat de uitkeringen die zij heeft en zal ontvangen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa als verknocht dienen te worden aangemerkt, zodat deze uitkeringen geen onderdeel uitmaken van de tussen partijen te verdelen gemeenschap van goederen. De man betwist dat de voornoemde uitkeringen verknocht zijn aan de vrouw.

4.4.11.

Uit de rechtspraak betreffende verknochtheid blijkt dat van verknochtheid alleen sprake is in zeer uitzonderlijke gevallen. Het gaat er daarbij om of de aard van het goed maakt dat de verknochtheid zich ertegen verzet dat deze in de gemeenschap valt. In dit geval gaat het om (geringe) geldbedragen die de vrouw in 2009 heeft ontvangen en een geldbedrag dat de vrouw nog moet ontvangen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, zijnde een stichting die zich bezig houdt met het uitbetalen van niet-uitgekeerde levensverzekeringen van Joodse Holocaust-slachtoffers.

De rechtbank is van oordeel dat de aard van de (geringe) uitkeringen die de vrouw in 2009 heeft ontvangen – uitkering van een levensverzekering –, op zich geen aanleiding vormt om te bepalen dat deze bedragen geheel aan haar verknocht zouden zijn. Voornoemde uitkeringen worden dan ook geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap en op te zijn gegaan in deze gemeenschap.

Ten aanzien van de nog door de vrouw te ontvangen uitkering, merkt de rechtbank op dat deze – nu deze ruim na de peildatum zal worden uitgekeerd – geen onderdeel uitmaakt van de tussen partijen te verdelen gemeenschap van goederen. De rechtbank behoeft dan ook geen beslissing te nemen ten aanzien van deze uitkering.

De sieraden en de schulden

4.4.12.

Ten aanzien van de schulden van partijen die in de gemeenschap van goederen vielen overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan de schulden niet tussen partijen verdelen. In zoverre zal het verzoek van de vrouw tot verdelen van de schulden dienen te worden afgewezen. Wel kan de rechtbank bepalen wat de gevolgen tussen partijen onderling zijn indien één van beide partijen de betaling van de schulden op zich neemt. Dit betreft de vraag naar wie van partijen de schulden zal moeten dragen, ofwel de vraag naar onderlinge draagplicht. In zijn algemeenheid heeft de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de onderlinge draagplicht geen invloed op de aansprakelijkheid voor de schulden jegens de schuldeisers. Beide partijen blijven (in zijn algemeenheid) jegens de verschillende schuldeisers gehouden de schuld (mede) te voldoen.

4.4.13.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de sieraden, zoals nader gespecificeerd op pagina 5 van het formulier Verdelen en Verrekenen van de man, aan de vrouw worden toebedeeld voor een waarde van in totaal € 15.000,--, onder de voorwaarde dat de vrouw afstand doet van haar toekomstige regresrecht op de man voor een bedrag van maximaal € 7.500,-- in verband met de aflossingen die zij zal doen van de gezamenlijke schulden van partijen. Partijen zal deze afspraak van partijen opnemen in het dictum van deze beschikking. Hiermee zijn partijen dan ook overeengekomen dat zij ten aanzien van onderlinge draagplicht van de schulden afwijken van de hoofdregel dat partijen onderling gehouden zijn de schulden ieder voor de helft te dragen.

4.4.14.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van de zaak met nummer C/13/620506 / FA RK 16/8502 (LH/SM)

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] ;

- bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding huurder van de echtelijke woning te [plaats] aan de [straat] zal zijn;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Ten aanzien van de zaak met nummer C/13/628191 / FA RK 17/2813 (LH/SM)

- bepaalt in het kader van de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen dat:

aan de vrouw wordt toebedeeld:

- de eettafel met vier stoelen;

- de dressoir;

- de poef;

- de stoel;

- het tweepersoonsbed;

- de computer.

aan de man wordt toebedeeld:

- de tv;

- de vier wandlampjes;

- de koelkast;

- het gasfornuis;

- de overige door de man op de door hem als productie 8 overgelegde inboedellijst genoemde goederen.

- bepaalt dat partijen zijn overeengekomen dat ieder zijn eigen bankrekening(en) behoudt, zonder nadere verrekening van het saldo van deze rekening(en);

- bepaalt dat partijen zijn overeengekomen dat de sieraden, zoals nader gespecificeerd op pagina 5 van het formulier Verdelen en Verrekenen van de man, aan de vrouw worden toebedeeld voor een waarde van in totaal € 15.000,--, onder de voorwaarde dat de vrouw afstand doet van haar toekomstige regresrecht op de man voor een bedrag van maximaal

€ 7.500,-- in verband met de aflossing van de gezamenlijke schulden van partijen;

- verklaart voormelde, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. L. van der Heijden, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. S.A. Marchal, griffier, op 5 juli 2017.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.