Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4589

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
5073062 CV EXPL 16-15450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leeftijdsonderscheid overgangsregeling CAO-akkoord 2015-2017 KLM bij verhoging pensioenleeftijd van 56 naar 58 jaar objectief gerechtvaardigd. Goede doorstroom en gespreide stagnatie onder jongere vliegers kwalificeren als legitiem doel. Middel is passend en noodzakelijk. Verkapte reorganisatie en strijd met het afspiegelingsbeginsel onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3352
AR-Updates.nl 2017-0808
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5073062 CV EXPL 16-15450

vonnis van: 27 juni 2017

fno.: 904

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1. [eiser sub 1]

wonende te [plaats]

2. [eiser sub 2]

wonende te [plaats]

3. [eiser sub 3]

wonende te [plaats]

4. [eiser sub 4]

wonende te [plaats]

5. [eiser sub 5]

wonende te [plaats]

6. [eiser sub 6]

wonende te [plaats]

7. [eiser sub 7]

wonende te [land]

8. [eiser sub 8]

wonende te [land]

eisers

nader gezamenlijk te noemen: de vliegers

gemachtigde: mr. O. Planten

t e g e n

de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen

gedaagde

nader te noemen: KLM

gemachtigde: mrs. J.M. van Slooten en J.S. Hidajat-Engelsman

en

de vereniging Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers

gevestigd te Badhoevedorp

tussenkomende partij

nader te noemen: VNV

gemachtigde: mrs. E.J. Henrichs en M. Warmerdam

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij vonnis in het incident tot tussenkomst van 16 augustus 2016 is VNV verlof verleend om tussen te komen aan de zijde van KLM en is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord door KLM en VNV.

In het dossier bevinden zich verder:

  • -

    conclusie van antwoord, met producties, van KLM;

  • -

    conclusie van antwoord, met producties van VNV;

  • -

    instructievonnis van 27 september 2016;

  • -

    conclusie van repliek, met producties;

  • -

    conclusie van dupliek, met producties, van KLM;

  • -

    conclusie van dupliek, met producties, van VNV;

  • -

    akte uitlating producties;

  • -

    verzoek pleidooi van de zijde van de vliegers.

Het pleidooi heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Namens de vliegers zijn verschenen [eiser sub 2] , [eiser sub 4] , [eiser sub 5] en [eiser sub 6] (eisers sub 2, 4, 5 respectievelijk 6), vergezeld door de gemachtigden. KLM is verschenen bij [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , vergezeld door de gemachtigden. Namens VNV waren haar gemachtigden aanwezig. Mr. Planten heeft voorafgaand aan het pleidooi nog aanvullende stukken (producties 19 en 20) overgelegd. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnota’s en hebben nog over en weer op elkaar gereageerd. [eiser sub 5] heeft namens de vliegers gesproken aan de hand van schriftelijke aantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

KLM is een luchtvaartmaatschappij met ruim 2845 vliegers in dienst.

1.2.

VNV is als enige werknemersvereniging partij aan werknemerszijde bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor KLM-vliegers op vleugelvliegtuigen (hierna: de CAO).

1.3.

Eiser sub 1 (hierna: [eiser sub 1] ), geboren op [datum] , is op 22 januari 1990 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B747.

1.4.

Eiser sub 2 (hierna: [eiser sub 2] ), geboren op [datum] , is op 16 februari 1989 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B777.

1.5.

Eiser sub 3 (hierna: [eiser sub 3] ), geboren op [datum] , is op 9 juli 1992 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type A330.

1.6.

Eiser sub 4 (hierna: [eiser sub 4] ), geboren op [datum] , is op 9 februari 1990 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B777.

1.7.

Eiser sub 5 (hierna: [eiser sub 5] ), geboren op [datum] , is op 9 juli 1992 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B777.

1.8.

Eiser sub 6 (hierna: [eiser sub 6] ), geboren op [datum] , is op 5 februari 1991 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type A330.

1.9.

Eiser sub 7 (hierna: [eiser sub 7] ), geboren op [datum] , is op 1 februari 1991 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B747.

1.10.

Eiser sub 8 (hierna: [eiser sub 8] ), geboren op [datum] , is op 26 mei 1994 bij KLM in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B777.

1.11.

De arbeidsovereenkomsten van de vliegers bevatten een incorporatiebeding op grond waarvan de CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. Daarnaast zijn vliegers, behoudens [eiser sub 4] , lid van VNV.

1.12.

De CAO geldend tot 1 januari 2015 kent de volgende bepalingen, voor zover hier van belang:
Artikel 5.4 - Einde arbeidsovereenkomst
Behalve op de in de wet geregelde of uit de wet voortvloeiende wijzen van beëindiging neemt de arbeidsovereenkomst in ieder geval een einde zonder dat daartoe opzegging is vereist:

(1) Met ingang van de 56e verjaardag van de vlieger respectievelijk de leeftijd van de vlieger voortvloeiend uit art. 5.8 (2)b;

Artikel 5.8 - Verminderde productie en deeltijdpensioen

(…)

(2) Op de ingangsdatum van de verminderde productie, zoals bedoeld in punt 2a, wordt de 56-jarige pensioenleeftijd van de vlieger verhoogd met het aantal dagen vanaf deze datum tot de 56e verjaardag, vermenigvuldigd met een factor 0,25 (80% productie), 0,5 (662/3% productie), 0,54 (65% productie) dan wel 1 (productiefactor 50%) en vervolgens algebraïsch afgerond op hele dagen. De pensioendatum wordt gecorrigeerd afhankelijk van de periodes en de bijbehorende tewerkstellingspercentages onder deze regeling vóór de leeftijd van 56. Bij deze berekening wordt een jaar gesteld op 360 dagen en een maand op 30 dagen. De verhoogde pensioendatum bedraagt in alle gevallen uiterlijk de dag waarop de 60-jarige leeftijd wordt bereikt.

1.13.

Omdat de vliegers allen in deeltijd werken en gebruik maken van de regeling verminderde productie gold voor hen de volgende data van verplichte pensionering:

 [eiser sub 1] : 22 maart 2017

 [eiser sub 2] : 10 juli 2017

 [eiser sub 3] : 4 april 2017

 [eiser sub 4] : 7 oktober 2018

 [eiser sub 5] : 24 juni 2018

 [eiser sub 6] : 26 mei 2017

 [eiser sub 7] : 24 mei 2019

 [eiser sub 8] : 21 september 2020

1.14.

Eind oktober/begin november 2015 hebben KLM en VNV een nieuwe CAO getekend en aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De nieuwe CAO is op 1 januari 2015 in werking getreden en daarin is onder meer geregeld dat de pensioenontslagleeftijd stapsgewijs wordt verhoogd van 56 naar 58 jaar. Onderdeel van de CAO is de overgangsregeling. Deze luidt als volgt, voor zover hier van belang:

1.15.

In de CAO is ook een loonoffer van de werknemers overeengekomen teneinde KLM in staat te stellen de komende jaren een aanzienlijke kostenbesparing te realiseren. Sinds 2016 leveren de vliegers hun pensioenpremietoelage in. In de overgangsregeling is geregeld dat de stijging van de pensioenleeftijd gelijke tred houdt met het inleveren van pensioenpremietoelage. Een vlieger die op grond van de overgangsregeling 6 maanden langer doorvliegt levert 6 maanden pensioenpremietoelage in.

1.16.

Op grond van de overgangsregeling blijft de datum van het verplichte pensioenontslag voor eisers sub 1 t/m 7 ongewijzigd en wordt die van eiser sub 8 met 6 maanden verhoogd (zie 1.13). Eisers sub 1 t/m 7 leveren geen pensioenpremietoelage in en eiser sub 8 6 maanden.

1.17.

Bij brief van hun gemachtigde van 30 december 2015 hebben de vliegers zich op het standpunt gesteld dat zij - samengevat - door de nieuw gekozen pensioenregeling gebaseerd op geboortedata, waarbij zij geheel dan wel gedeeltelijk van de doorvliegregeling worden uitgesloten, benadeeld worden ten opzichte van collega vliegers en dat er geen objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid bestaat.

1.18.

Bij brief van 20 januari 2016 heeft KLM daarop gereageerd, stellend dat - kort gezegd - de Hoge Raad tot tweemaal toe heeft geoordeeld dat het leeftijdsontslag met 56 niet in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (hierna: Wgbl) is omdat daar volgens hem legitieme doelen voor bestaan.

Vordering en verweer

2. De vliegers vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. verklaart voor recht dat het in artikel 5.4 van het CAO-akkoord 2015-2017 gehanteerde leeftijdsonderscheid niet objectief gerechtvaardigd is, zodat deze bepaling in strijd met de WGBLA en derhalve nietig is;

  2. verklaart voor recht dat het KLM niet zal worden toegestaan om de vliegers in strijd met het ontslagrecht en de CAO met vervroegd pensioen te sturen (het zogenaamde ‘wegmanagen’) althans dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege door het bereiken van de pensioendatum berekend op basis van de pensioenrichtleeftijd van 56 jaar (56,5 bij [eiser sub 8] ) nietig is;

  3. verklaart voor recht dat eisers de voor hen op grond van artikel 5.8.(2) b van het CAO-akkoord 2015-2017 te berekenen pensioendatum ook op de pensioenrichtleeftijd van 58 jaar mogen baseren;

  4. KLM gebiedt eisers ook na de pensioendatum berekend op grond van de pensioenrichtleeftijd van 56 (56,5 bij [eiser sub 8] ) toe te (blijven) laten tot hun werkzaamheden totdat zij hun pensioendatum gebaseerd op de pensioenrichtleeftijd van 58 jaar hebben bereikt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  5. veroordeling van KLM tot uitbetaling met terugwerkende kracht van het salaris met emolumenten aan de vliegers vanaf de datum waarop iedere vlieger zijn pensioenleeftijd op basis van de pensioenrichtleeftijd van 56 jaar (56,5 bij [eiser sub 8] ) voor de datum van het vonnis heeft bereikt en zijn arbeidsovereenkomst mitsdien van rechtswege is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW), vermeerderd met de wettelijke rente;

  6. veroordeling van KLM in de kosten van de procedure.

3. De vliegers leggen - kort gezegd - aan hun vordering ten grondslag dat KLM met de per 1 januari 2015 in werking getreden CAO handelt in strijd met het verbod op leeftijdsdiscriminatie door de pensioenleeftijd stapsgewijs op te hogen van 56 tot 58 jaar en hen daarvan vanwege hun leeftijd uit te sluiten. De vliegers zouden ook tot hun 58e willen doorvliegen en worden benadeeld ten opzichte van hun jongere collega’s doordat KLM hen die mogelijkheid niet biedt. Volgens de vliegers is het door KLM gemaakte leeftijdsonderscheid niet objectief gerechtvaardigd: het is geen passend en noodzakelijk middel ter verwezenlijking van legitieme doelen. De vliegers stellen dat de door KLM gemaakte verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad niet opgaat omdat daarin de vraag werd beantwoord of het verplichte pensioenontslag met 56 jaar op zich leeftijdsdiscriminatie oplevert, terwijl toen gold dat iedereen met 56 verplicht met pensioen ging en in het onderhavige geval alleen vliegers geboren voor 1 juli 1960 van de doorvliegregeling zijn uitgesloten. Voorts stellen de vliegers zich op het standpunt dat KLM door de gestaffelde verhoging van de pensioenleeftijd boventalligheid ‘wegmanaget’. Hierdoor handelt KLM in strijd met het ontslagrecht, meer in het bijzonder het afspiegelingsbeginsel.

4. KLM en VNV erkennen - samengevat - dat in de overgangsregeling onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt maar voeren aan dat dit objectief gerechtvaardigd is.

5. De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden toegelicht.

Beoordeling

6. Tussen partijen is naar de kern genomen in geschil of het in de overgangsregeling gemaakte leeftijdsonderscheid bij de verhoging van de voor vliegers geldende pensioenleeftijd van 56 naar 58 - te weten in vier stappen in plaats van ineens - objectief gerechtvaardigd is, zoals KLM en VNV stellen en de vliegers betwisten.

7. Op grond van artikel 7 lid 1, aanhef en onder c, Wgbl geldt het in artikel 3, aanhef en onder c Wgbl opgenomen verbod op leeftijdsonderscheid niet indien dit objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Daarbij geldt overeenkomstig artikel 12 Wgbl dat de bewijslast van de objectieve rechtvaardiging op KLM (en VNV) rust.

8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 oktober 2004 (NJ 2005/117) geoordeeld dat het pensioenontslag voor vliegers bij KLM bij het bereiken van de leeftijd van 56 jaar objectief gerechtvaardigd is. Dit oordeel is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 (NJ 2012/547) dat dateert van na de inwerkingtreding van de Wgbl. Alhoewel de vliegers op zich terecht hebben aangevoerd dat het daar ging om een andere beoordeling - het betrof de voor alle vliegers geldende pensioenleeftijd van 56 terwijl thans de vraagt voor ligt of er sprake is van leeftijdsdiscriminatie omdat de vliegers vanwege hun geboortedatum niet (geheel) kunnen deelnemen aan wat zij de doorvliegregeling noemen - waren de doelen, die KLM en VNV voor dat onderscheid stelden te hebben en die door de HR legitiem werden geacht, dezelfde als die thans door hen naar voren zijn gebracht. Inmiddels heeft het College voor de Rechten van de Mens (CRM) zich in een uitspraak van 27 september 2016 over de overgangsregeling en derhalve over een soortgelijk geval als het onderhavige uitgelaten. Het CRM oordeelde dat het door KLM gemaakte leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is. De vliegers hebben bij akte uitlating laten weten dat zij het met die uitspraak niet eens zijn. De kantonrechter zal hierna zelfstandig beoordelen of het in de overgangsregeling gemaakte onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

9. Partijen zijn het erover eens dat een door KLM benodigde (en door VNV gesteunde) cashinjectie en de maatschappelijke ontwikkelingen rondom de verhoging van de pensioenleeftijd aanleiding zijn geweest om de pensioenleeftijd voor KLM vliegers te verhogen. De vliegers protesteren ook niet tegen het verhogen van de pensioenleeftijd op zich. Zij willen net als hun jongere collega vliegers van die mogelijkheid gebruik kunnen maken. Zoals KLM en VNV hebben gesteld, wordt bij een dergelijke verhoging per definitie onderscheid gemaakt naar leeftijd. Er moet een ingangsdatum worden gekozen en dit maakt dat er vliegers zijn voor wie 56 de pensioenleeftijd is en vliegers voor wie 58 als pensioenleeftijd geldt. De stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd maakt dit niet anders.

10. Het belangrijkste doel wat KLM en VNV met die stapsgewijze verhoging nastreven is een gezond doorstroombeleid met een spreiding van de stagnatie onder de jongere vliegers. In dit verband hebben zij toegelicht dat en hoe door de verhoging van de pensioenleeftijd de doorstroming van jongere vliegers stagneert. De vliegers hebben dit betwist maar de kantonrechter kan hen in dit betoog niet volgen. Wanneer de pensioenleeftijd wordt verhoogd zijn er vliegers die later met pensioen gaan. Dit staat tussen partijen ook vast. Bij een ongewijzigde vraag naar vliegers beperkt dit per definitie de in-en doorstroom van de jongere vliegers. Daar komt bij dat KLM en VNV gemotiveerd hebben gesteld dat het beloningssysteem bij KLM gebaseerd is op senioriteit en dat er sprake is van een cascade-effect. Volgens KLM en VNV hebben vliegers een vast promotietraject en wordt er geselecteerd op senioriteit en dus niet op geschiktheid. Bij elke promotie gaan de vliegers op steeds grotere vliegtuigen vliegen, hetgeen gepaard gaat met een inkomensverhoging en dus een hogere pensioenopbouw. Het cascade-effect houdt in dat als er een vlieger met pensioen gaat, er vijf tot zes jongere vliegers doorstromen naar een hogere positie met een hoger salaris.

11. De reden om de pensioenleeftijd niet ineens maar stapsgewijs te verhogen is dat de doorstroom niet teveel en niet schoksgewijs stagneert en dat de inkomsten- en pensioenverwachtingen van de jongere vliegers niet te zeer worden geschaad. De kantonrechter merkt dit aan als een legitiem doel, waarbij zij van belang acht dat de oudere vliegers - die van meet af aan een pensioenleeftijd van 56 voorgehouden hebben gekregen en wiens verwachtingen dus niet worden geschaad - in een tijd van groei hebben gevlogen en dus om die reden snel zijn doorgestroomd. Ook de conjunctuur speelt namelijk een rol bij de doorstroomsnelheid van de vliegers zij het dat dit, anders dan de vliegers aanvoeren, niet de enige bepalende factor is. De jongere vliegers daarentegen hebben die snelle doorstroommogelijkheden mogelijk niet en hun doorstroom stagneert hoe dan ook vanwege de verhoging van de pensioenleeftijd. Dit is des te prangender nu KLM onderbouwd heeft gesteld en de vliegers onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat zij - doorgaans afkomstig van de KLM luchtvaartschool (KLS) - met een buitengewoon hoge studieschuld moeten wachten totdat er een plaats vrijkomt als vlieger.

12. Nu de goede doorstroom met de bijbehorende gespreide stagnatie onder de jongere vliegers kwalificeren als een legitiem doel, behoeven de overige door KLM en VNV gestelde doelen geen bespreking. Het doel wordt beoordeeld als een doelstelling van sociaal beleid, met name op het gebied van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt en de beroepsopleiding en betreft dus, anders dan de vliegers menen, niet louter individuele beweegredenen van KLM.

13. Het middel van de overgangsregeling acht de kantonrechter passend en noodzakelijk om het aldus legitiem bevonden doel te bereiken. Door de stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd wordt immers bereikt dat de doorstroom van de vliegers niet al te zeer en ineens stagneert, maar dat dit op een beperktere en zo geleidelijk mogelijke manier gebeurt. De kantonrechter is voorts van oordeel dat het middel - de overgangsregeling - proportioneel is en dat KLM en VNV de belangen van de vliegers in de verschillende leeftijdscategorieën zorgvuldig hebben afgewogen. Als onweersproken staat vast dat KLM en VNV flankerende maatregelen hebben genomen om de pijn voor de verschillende categorieën zoveel mogelijk te verzachten. Zo hebben eisers sub 1 t/m 7 geen en eiser sub 8 slechts een beperkt loonoffer hoeven brengen. Dit in tegenstelling tot hun jongere collega's, die wel langer mogen werken maar in het kader van de noodzakelijke kostenbesparingen - in gelijke tred met het aantal maanden dat zij doorvliegen - hun pensioenpremietoelage inleveren.

14. De vliegers hebben nog betoogd dat de verhoging van de pensioenleeftijd facultatief had moeten worden gemaakt, maar KLM en VNV hebben daartegen aangevoerd dat de stagnatie dan nog in volle omvang zou plaatsvinden omdat het hun verwachting was dat alle vliegers dan voor doorvliegen zouden hebben gekozen. Inmiddels is ook gebleken dat deze verwachting voor de vliegers van de eerste van de vier stappen is uitgekomen, zodat het argument van de vliegers de kantonrechter niet overtuigt. Het in hetzelfde verband door de vliegers aan KLM gemaakte verwijt dat zij geen enquête heeft gehouden onder haar vliegers acht de kantonrechter niet terecht. Daartoe is redengevend dat de overgangsregeling onderdeel uitmaakte van collectief onderhandelingen, waarbij VNV voor de werknemersbelangen en dus ook voor die van de vliegers is opgekomen. Gelet op de zeer hoge organisatiegraad (98%) van VNV en de onvoldoende betwiste omstandigheid dat 89% van de VNV-leden vóór de gewijzigde regeling heeft gestemd, moet VNV geacht worden daar ook in te zijn geslaagd. Een en ander neemt niet weg dat er dan nog steeds vliegers teleurgesteld kunnen zijn over het resultaat. Ook het door de vliegers aangedragen alternatief om de KLS-opleiding kosteloos aan te bieden aan leerling-piloten biedt geen soelaas omdat KLM nu juist - zo staat tussen partijen vast - moet bezuinigen. Hetzelfde geldt voor het facultatief maken van het volgen van de vliegopleiding bij KLS. Nu gesteld noch gebleken is dat de pilotenopleiding elders goedkoper is, valt niet in te zien hoe dit zou bijdragen aan de oplossing van het bestaande probleem, laat staan dat de doorstroom hiermee gebaat zou zijn.

15. Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat het leeftijdsonderscheid in de overgangsregeling objectief gerechtvaardigd en dus niet verboden in de zin van de Wgbl is.

16. Met een beroep op het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 september 2015 (JAR 2015/184) hebben de vliegers nog gesteld dat er sprake is van een verkapte reorganisatie en dat KLM in strijd met het afspiegelingsbeginsel handelt. Ter onderbouwing verwijzen zij naar een antwoord dat VNV-bestuurslid [naam 4] tijdens een KLM ledenraad gaf, inhoudende dat er ongeveer 147 fte boventallig raken door de invoering van de CAO en waarbij hij het woord ‘wegmanagen’ gebruikte. KLM en VNV hebben beiden uitdrukkelijk betwist dat er vliegers boventallig zijn en KLM heeft ter zitting zelfs verklaard dat er sprake is van een lichte groei. KLM heeft uitdrukkelijk afstand genomen van de opmerking van [naam 4] , die haar volgens haar niet kan worden toegerekend en waarvan zij - speculerend - heeft aangegeven dat deze mogelijk zag op de situatie dat er geen overgangsregeling zou zijn maar de pensioenleeftijd in een keer zou worden verhoogd (met als gevolg een groter aantal vliegers). VNV voert aan dat de CAO maatregelen in de toekomst mogelijk drukken op het aantal benodigde vliegers maar dat dit potentiële overschot zich voor een deel op natuurlijke wijze zal oplossen door de komst van nieuwe toestellen (B787) bij KLM. De vliegers hebben tegenover het aldus gevoerde verweer niets gesteld waaruit blijkt dat er desondanks wel sprake is van een reorganisatie, laat staan dat zij dit zouden hebben aangetoond, zoals zij stellen. Er worden juist KLM vliegers langer in dienst gehouden als gevolg van de nieuwe CAO. De door de vliegers voorgestane vergelijking met de uitspraak van het hof Amsterdam gaat daarom mank.

17. Ook het beroep van de vliegers op het kortgeding vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 27 september 2016 (ECLI:HL:RBAMS:2016:6084) gaat niet op. Die zaak betrof een geschil tussen KLM en VNV over de bruto pensioenregeling van de vliegers en is niet relevant voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

18. Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen van de vliegers worden afgewezen. De overige stellingen en verweren van partijen leiden niet tot een ander oordeel zodat deze geen bespreking behoeven.

19. Bij deze uitkomst worden de vliegers in de kosten van KLM veroordeeld. De kantonrechter ziet geen aanleiding hen ook in de kosten van VNV te veroordelen. Het is VNV zelf geweest die zich in de procedure heeft gevoegd, terwijl de noodzaak daarvan voor de uitkomst van de zaak niet is gebleken, zodat onder die omstandigheden de kosten van VNV voor haar eigen rekening dienen te blijven. De kosten van het incident worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt de vliegers in de proceskosten die aan de zijde van KLM tot op heden begroot worden op € 750,00 aan salaris van de gemachtigden, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt de vliegers tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en de vliegers niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. F.J. van de Poel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.