Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4510

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
C/13/622884 / FA RK 17-597
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

stiefouder-adoptie twee mannen. De relationele situatie van twee mannen is een andere dan de relationele situatie van twee vrouwen voor wat betreft het binnen die relatie geboren worden van een kind. Geen strijd met artikel 14 EVRM.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 227
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/73
JPF 2017/112
PFR-Updates.nl 2017-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team familie & Jeugd

Locatie Amsterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/13/622884 / FA RK 17-597

Beschikking van 26 juni 2017 betreffende stiefouderadoptie

in de zaak van:

[verzoeker 1] ,

hierna te noemen verzoeker [verzoeker 1] ,

wonende te [plaats] ,

en

[verzoeker 2] ,

hierna te noemen verzoeker [verzoeker 2] ,

wonende te [plaats] ,

mede te noemen verzoekers,

advocaat mr. W.J. Eusman te Amsterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt: de biologische moeder van het betreffende kind in deze zaak, te weten: [naam 1] , wonende te [plaats] .

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het op 26 januari 2017 ingekomen verzoekschrift met bijlagen.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met gesloten deuren op 20 april 2017. Verschenen en gehoord zijn: verzoekers bijgestaan door hun advocaat alsmede [naam 1] , de biologische moeder.

2 De vaststaande feiten

Verzoekers hebben gesteld dat zij sedert 2011 een relatie met elkaar hebben. Zij hadden een kinderwens. In verband hiermee hebben zij met [naam 1] voornoemd afspraken gemaakt, die er kort gezegd op neerkomen dat [naam 1] voor verzoekers een kind zal dragen en dat zij afstand zal doen van haar rechten en haar verplichtingen met betrekking tot het kind, dat het kind na de bevalling mee zal gaan met verzoekers en dat verzoekers de verzorging en de opvoeding voor hun rekening nemen. Het is van begin af aan de bedoeling geweest dat verzoeker [verzoeker 2] via stiefouderadoptie eveneens de juridische vader zou zijn van het kind.

Met behulp van semen van verzoeker [verzoeker 1] is [naam 1] ten gevolge van zelfinseminatie zwanger geworden en is zij op [datum] te [plaats] bevallen van een dochter genaamd: [kind], hierna te noemen [kind] . [kind] was als ongeboren vrucht op 11 december 2014 door verzoeker [verzoeker 1] al erkend. Sedert haar geboorte wordt [kind] verzorgd en opgevoed door verzoekers.

De biologische moeder had van rechtswege het ouderlijk gezag over [kind] . Bij beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2015, is het gezag gewijzigd en is verzoeker [verzoeker 1] belast met het éénhoofdig ouderlijk gezag over [kind] .

Verzoekers en [kind] hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek

Verzocht wordt de adoptie uit te spreken door verzoeker [verzoeker 2] van genoemde minderjarige.

Tevens wordt verzocht te verstaan dat de familierechtelijke betrekking tussen [kind] en haar biologische vader, te weten verzoeker [verzoeker 1] , in stand blijft.

4 De beoordeling

Rechtsmacht

Nu verzoekers kiezen voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam en wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de bevoegde rechtbank, acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het onderhavige verzoek.

Adoptie

Wettelijke grondslag

Het betreft hier een Nederlandse stiefouderadoptie. Derhalve is het bepaalde in de artikelen 1:227, tweede lid en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.

Volgens het bepaalde in artikel 1:227, tweede lid, BW kan een verzoek tot (stief-

ouder-) adoptie onder de omstandigheden zoals in de onderhavige zaak (adoptant is echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder) slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verzoekers, nu zij niet aantoonbaar drie jaren op hetzelfde adres stonden ingeschreven voor de indiening van het onderhavige verzoek, voldoen aan het vereiste van drie jaren samenleving.

Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers tot voor kort – sinds 4 januari 2017 wonen verzoekers op hetzelfde adres – niet op hetzelfde adres geregistreerd stonden. Dit was vooral, zoals verzoeker [verzoeker 2] ter terechtzitting nader heeft toegelicht, om financiële redenen.

Voorts is gebleken, onder andere uit de afspraken tussen de biologische moeder en verzoeker [verzoeker 1] , dat reeds in november 2013 beide verzoekers, in verband met de bij hen levende kinderwens, betrokken waren bij de gesprekken over de mogelijkheid dat [naam 1] als draagmoeder zou gaan optreden en dat het vervolgens van het begin af aan de bedoeling is geweest dat ook verzoeker [verzoeker 2] , als partner van verzoeker [verzoeker 1] , evenals verzoeker [verzoeker 1] , de juridische vader van het kind zou worden. Daarnaast is gebleken dat verzoekers vanaf de geboorte van [kind] haar samen opvoeden en verzorgen. Tenslotte is ook uit de op de zitting getoonde foto`s onder meer gebleken dat verzoekers langer dan drie jaren een relatie met elkaar hebben.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verzoekers meer dan drie jaren vóór de indiening van het verzoek tot adoptie een zodanige bestendige relatie met elkaar hadden dat deze situatie gelijk kan worden gesteld aan de vereiste drie jaren samenleving, zoals bepaald in artikel 1:227, tweede lid, BW. Bij dit oordeel neemt de rechtbank tevens in beschouwing dat in toenemende mate in de jurisprudentie een tendens is waar te nemen, waarbij de in de wet gestelde termijnen worden losgelaten in het geval die termijnen geen zinnig doel dienen. Dit doet zich vooral voor in afstammings- en adoptiezaken.

Nu ook voldaan is aan de overige vereisten van het bepaalde in genoemde artikelen en het verzoek in het belang van [kind] wordt geacht, is het verzoek aangaande de adoptie, waarmee de biologische moeder instemt, voor toewijzing vatbaar.

Met betrekking tot het betoog van verzoekers dat hun (relationele) situatie waarbinnen zij hun kind hebben gekregen gelijk dient te worden gesteld aan de (relationele) situatie van twee vrouwen waarbinnen een kind wordt geboren overweegt de rechtbank als volgt:

De wetgever heeft bewust onderscheid gemaakt tussen de hierboven vermelde situaties. Wanneer een kind wordt geboren binnen de relatie van twee vrouwen geldt er geen samenlevings- en verzorgingstermijn, terwijl dat bij twee mannen, zoals in de onderhavige casus, wel het geval is. In het eerste geval wordt het kind geboren uit een vrouw, die een relatie heeft met een andere vrouw. Niet alleen de geboorte, maar ook de daaraan voorafgaande zwangerschap vindt binnen die relatie plaats. Als twee mannen een relatie hebben is er een draagmoeder, die buiten die relatie staat en die het kind baart. Hierbij vindt de zwangerschap en de geboorte niet binnen de relatie van de twee mannen plaats. Met andere woorden, er is door de wetgever bewust een verschil gemaakt tussen het geboren worden van een kind binnen een relatie (met behulp van een spermadonor) en het geven van semen aan een draagmoeder die zich buiten de relatie bevindt, waarmee de rechtbank overigens niet wil afdoen aan de gevoelens, emoties en blijde verwachting van twee vaders die, dankzij een draagmoeder een gezin kunnen stichten.

De rechtbank acht echter het door de wetgever gemaakt onderscheid niet zodanig dat in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de bepalingen ter zake in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel, verwoord in artikel 14 van het EVRM.

Familierechtelijke betrekking

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1: 229, derde lid, BW de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten blijft bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder het kind adopteert.

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing
De rechtbank

- spreekt uit de adoptie door verzoeker [verzoeker 2] van de minderjarige:
[kind] , geboren te [plaats] op [datum] ;

- verstaat dat de familierechtelijke betrekking tussen genoemde minderjarige en haar biologische vader, zijnde verzoeker [verzoeker 1] , in stand blijft.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Baggerman, voorzitter, mr. M.E.A. Nijssen en

mr. L. van der Heijden, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M. Langereis, griffier, op 26 juni 2017.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.