Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4374

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
C/13/622983 / JE RK 17-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing is bij beschikking van 13 juni 2017 door het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

zaakgegevens : C/13/622983 / JE RK 17-84

datum uitspraak: 6 maart 2017

beschikking

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Amsterdam.

betreffende

[kind 1] , geboren op [datum] te [plaats] , hierna te noemen: [kind 1] of de minderjarige,

[kind 2] , geboren op [datum] te [plaats] , hierna te noemen: [kind 2] of de minderjarige.

[moeder] , wonende te [plaats] , is de moeder.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [kind 1] , de moeder en Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA).

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 27 januari 2017, ingekomen bij de griffie op 27 januari 2017.

Op 2 maart 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] , die ieder apart zijn gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar raadsman, mr. M.R.P. Hoppenbrouwers,

- een vertegenwoordigster van de Raad: [naam 1]

- een vertegenwoordigster van JBRA: [naam 2] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

[kind 1] verblijft in een woonvoorziening van [woonvoorziening] . [kind 2] verblijft in een pleeggezin.

Bij beschikking van 9 december 2016 is [kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 maart 2017. Tevens is [kind 2] bij voornoemde beschikking middels een spoedmachtiging voor de duur van 2 weken uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg.

Bij beschikking van 20 december 2016 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] verleend voor verblijf in een pleegezin voor de duur van drie maanden, te weten tot 9 maart 2017.

Het verzoek

De Raad heeft ten aanzien van [kind 1] een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden verzocht, alsmede een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsvervangende omgeving voor de duur van twaalf maanden.

Ten aanzien van [kind 2] heeft de Raad eveneens een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden verzocht, alsmede een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsvervangende omgeving voor de duur van twaalf maanden.

Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de Raad het volgende aangevoerd.

Er is lange tijd veel onrust binnen het gezin geweest, waarbij de psychiatrische problematiek van de moeder een grote rol speelde. De wisselende stemmingen en emoties van de moeder zorgden ervoor de kinderen voortdurend op hun hoede moesten zijn. Op de momenten dat de moeder zich overbelast voelde, was sprake van fysiek geweld en werd er door de moeder naar de kinderen geschreeuwd. Dit alles is schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen. [kind 1] kampt daarbij met PDD-NOS problematiek. Als gevolg van alle onrust woont hij nu, na een plaatsing van ongeveer zes maanden op een crisisplek, in een pleeggezin van [woonvoorziening] . [kind 2] is in december vorig jaar met spoed uit huis geplaatst en verblijft nu ook in een pleeggezin. Het is in het belang van de kinderen dat er rust komt in de situatie en dat er een stabiele omgeving met voorspelbaarheid voor hen wordt gecreëerd. Alhoewel het inmiddels beter lijkt te gaan met de moeder, zij weer medicatie slikt en ook instemt met de plaatsing van [kind 1] bij [woonvoorziening] , blijft zij hierin wisselend en is haar situatie thans nog niet voldoende stabiel. De Raad acht het dan ook van belang dat er eerst langdurige begeleiding en behandeling plaatsvindt, alvorens kan worden begonnen aan een terugplaatsingstraject van de kinderen. In de tussentijd moet worden bezien hoe de omgang tussen de moeder en de kinderen het beste kan worden vormgegeven en op welke wijze en onder welke voorwaarden de kinderen uiteindelijk weer bij de moeder kunnen gaan wonen. De Raad acht het daarbij wenselijk indien op frequente basis contact plaatsvindt tussen de moeder en JBRA, zodat de moeder weet waar zij aan toe is en er in de tussentijd niet onnodige onrust ontstaat.

Het standpunt van belanghebbenden

JBRA heeft ter zitting te kennen gegeven dat moeder inmiddels wordt begeleid door GGZInGeest en hulp ontvangt vanuit haar netwerk binnen de Joodse gemeenschap. Verder is zij recentelijk gestart met het volgen van een emotieregulatietherapie.

[kind 2] verblijft nu in een pleeggezin vanuit de Joodse gemeenschap. Hij lijkt hier nog zijn draai te moeten vinden. [kind 2] is wisselend in zijn stemmingen en kan soms uit het niets boos worden. Gelet daarop zal er binnenkort diagnostisch onderzoek bij hem worden verricht. Aanvankelijk vond de (begeleide) omgang op frequentere basis plaats, maar met de overgang naar een onbegeleide omgang zijn de contactmomenten nu tijdelijk teruggeschroefd. Er vindt nu één dagdeel in de week onbegeleid contact met de moeder plaats en er is een wekelijks belmoment.

Tijdens de evaluatiemomenten, die nu één maal in de zes weken met alle betrokkenen plaatsvinden, wordt de voortgang van de omgang, alsmede de verdere stand van zaken omtrent [kind 2] , steeds nader bepaald. Op basis daarvan kunnen vervolgens weer nieuwe afspraken met elkaar worden gemaakt en kan er langzaam worden toegewerkt naar een definitieve terugplaatsing.

[kind 1] lijkt het naar zijn zin te hebben bij [woonvoorziening] . Hij is wel erg moe en zijn schoolprestaties zijn omlaag gegaan. Gelet daarop is er onderzoek bij de Bascule voor hem aangevraagd. Alhoewel de moeder nu instemt met deze plaatsing, is zij hierin wel wisselend, wat maakt dat een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ook ten aanzien van hem noodzakelijk zijn.

De raadsman heeft zich namens de moeder verweerd tegen de verzoeken van de Raad. De raadsman heeft hiertoe een pleitnota overlegd, welke hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Kort gezegd heeft de raadsman hierin uiteengezet dat de moeder zich op

dit moment in rustiger vaarwater bevindt. De plaatsing van [kind 1] bij [woonvoorziening] heeft tot rust in huis geleid. De moeder erkent dat zij aanvankelijk haar twijfels had over deze plaatsing, gelet op de reisafstand naar school, maar met het regelen van leerlingenvervoer is dit probleem opgelost. De moeder staat dan ook achter deze plaatsing van [kind 1] bij [woonvoorziening] . Gelet daarop is de raadsman van mening dat hulpverlening binnen een gedwongen kader voor [kind 1] niet noodzakelijk is en dat de verzoeken ten aanzien van [kind 1] op grond daarvan dan ook dienen te worden afgewezen.

Ten aanzien van [kind 2] verzoekt de raadsman primair eveneens om een afwijzing van de verzoeken tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De raadsman voert hiertoe aan dat niet wordt voldaan aan de voor een ondertoezichtstelling noodzakelijke wettelijke vereisten ex artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:256b BW, waarmee het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 2] evenmin kan worden toegewezen.

Subsidiair verzoekt de raadsman om het verzoek tot een ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van zes maanden en het verzoek tot uithuisplaatsing af te wijzen en meer subsidiair het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor zes maanden toe te wijzen.

In aanvulling op de raadsman heeft de moeder ter zitting onder meer naar voren gebracht dat zij passende hulpverlening krijgt, steun ontvangt vanuit haar Joodse netwerk en medicatie slikt. Het gaat goed met haar. De moeder betreurt het dat zij zo lang heeft moeten wachten op de juiste hulp voor [kind 1] . Zij heeft meermalen aan de bel getrokken bij JBRA, maar werd daar telkens niet gehoord. De hulp die [kind 1] nu bij [woonvoorziening] krijgt, had zij graag in een eerder stadium al vanuit de thuissituatie willen ontvangen. Ondanks dat, staat de moeder achter deze plaatsing. Alhoewel de moeder het een emotioneel lastige keuze vond om [kind 1] ergens anders te laten gaan wonen, bemerkte zij ook direct dat er met zijn vertrek rust kwam in de thuissituatie en dat het nu beter met [kind 1] gaat. Er is sprake van een goede samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening en de moeder ziet in dat het goed als [kind 1] bij [woonvoorziening] blijft wonen. De gang van zaken omtrent de uithuisplaatsing van [kind 2] acht de moeder schadelijk en onnodig. Nu met het vertrek van [kind 1] de thuissituatie weer veilig is, bestaat er geen enkele reden meer om [kind 2] nog langer ergens anders te laten wonen. De moeder wil graag dat [kind 2] weer terugkeert. Zij en [kind 2] missen elkaar ontzettend en [kind 2] geeft ook aan dat hij erg graag terug naar zijn moeder wil. Daarbij gaat het volgens de moeder nu ook niet goed met [kind 2] . Hij is beschadigd en heeft nu ook geen contact met zijn familie. De door de JBRA aangehaalde woedeaanvallen zijn volgens de moeder een uiting van zijn onmacht omdat hij al die tijd niets te zeggen heeft gehad en zomaar in een gezin is geplaatst. De moeder is zijn ankerpunt en het zal volgens de moeder dan ook beter met hem gaan als hij weer thuis komt te wonen. De moeder kan zich verder niet vinden in de omgang

zoals deze nu plaatsvindt. Het is onbegrijpelijk dat de frequentie hiervan is teruggedraaid. Dit voelt als een achteruitgang, terwijl er nu juist zich zou moeten komen op een vervolgstap.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat sprake is van een lange geschiedenis van incidenten en zorgelijke gebeurtenissen binnen het gezin, waarin de persoonlijke problematiek van de moeder een centrale rol speelt. Alhoewel er veel is gebeurd en de zorgen ook groot waren, lijkt nu sprake van een positieve wending waarbij de moeder in rustiger vaarwater is beland en zelf ook stappen heeft gezet. Zij slikt medicatie, krijgt passende hulpverlening en ontvangt steun vanuit haar netwerk. Daarbij is er met het vertrek van [kind 1] rust in de thuissituatie ontstaan. De moeder ervaart dit zelf ook en staat daarmee achter de plaatsing van [kind 1] in [woonvoorziening] . Alhoewel de Raad stelt dat de moeder hierin wisselend is en een aantal malen mogelijk aarzelde of toestemming hiervoor weigerde, is dit punt op zitting uitvoerig aan de orde gekomen en door moeder en haar raadsman van een toelichting voorzien, waardoor naar het oordeel van de kinderrechter niet vast is komen te staan dat de moeder haar medewerking heeft geweigerd of deze weer zal gaan weigeren. Met deze opstelling van de moeder is de kinderrechter van oordeel dat begeleiding en behandeling van [kind 1] binnen een vrijwillig kader mogelijk is gebleken en er niet wordt niet voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 255 lid 1 onder a BW en artikel 265b BW. Gelet op het voorgaande wijst de kinderrechter zowel het verzoek tot een ondertoezichtstelling, als ook het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 1] af.

Ten aanzien van [kind 2] stelt de kinderrechter vast dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat [kind 2] weer bij de moeder moet worden teruggeplaatst, maar dat er verschil van mening bestaat over het tempo waarin dit dient te plaats te vinden. Gelet op de grote zorgen die er over de thuissituatie waren en het feit dat de recentelijk ingezette positieve wending ten aanzien van dit punt thans nog pril te noemen is, acht de kinderrechter een definitieve terugplaatsing van [kind 2] op dit moment nog te vroeg. Wel is de kinderrechter van oordeel dat, gelet ook op de leeftijd van [kind 2] en de bereidwillige houding van de moeder, deze terugkeer zo spoedig mogelijk in gang moet worden gezet. Een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden acht de kinderrechter daarbij afdoende. Op die manier kan goed vinger aan de pols worden gehouden bij het terugplaatsingstraject en kunnen de hiertoe noodzakelijk stappen zorgvuldig worden gezet. De kinderrechter acht het daarbij van belang dat de evaluatiemomenten tussen alle betrokkenen op frequentere basis plaatsvinden, zodat de moeder goed op de hoogte is van het hele proces, weet waar zij aan toe is en onder welke voorwaarden [kind 2] definitief weer bij haar kan gaan wonen.

Een langdurige en goede begeleiding door JBRA acht de kinderrechter bij dit alles noodzakelijk en de kinderrechter is dan ook van oordeel dat een ondertoezichtstelling van [kind 2] voor de verzochte duur van een jaar passend is.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [kind 2] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:

- moeder krijgt ondersteuning in haar persoonlijke problematiek;

- moeder krijgt op korte termijn handvatten om voorspelbaar contact met haar kinderen te hebben en op lange termijn mogelijk opvoedondersteuning;

- [kind 2] wordt niet meer blootgesteld aan de boosheid van de moeder. Hij wordt niet meer geslagen, geschopt of door haar tegen hem geschreeuwd;

- [kind 2] krijgt passende therapie waarbij er aandacht is voor eventueel opgelopen trauma’s;

- er dient zicht te komen op een veilige omgang tussen [kind 2] en de moeder en tussen [kind 2] en [kind 1] .

De kinderrechter zal daarom [kind 2] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.

Ook is de kinderrechter, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de uithuisplaatsing van [kind 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [kind 2] onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam, Amsterdam, met ingang van 9 maart 2017 tot 9 maart 2018;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 9 maart 2017 tot 9 september 2017;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling ten aanzien van [kind 1] af;

wijst het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 1] af;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Schoorl, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Wouters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam