Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:435

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
13/751705-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen | executie | geen ondubbelzinnige onvoorwaardelijke verzetgarantie | gedeeltelijke weigering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751705-16

RK nummer: 16/7395

Datum uitspraak: 10 januari 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 november 2016 (ontvangen door deze rechtbank op 4 november 2016) en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juni 2016 door The Regional Court, 3rd criminal department, in Poznań 19 (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 december 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsvrouw mr. M. Hersman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van de volgende vonnissen:

A: Judgment District Court in Pila (Polen), met kenmerk II K 1081/09, II Ko 2079/12 van
26 januari 2010.

B: Judgment District Court in Pila (Polen) met kenmerk II K 507/14, II Ko 2370/14 van
9 september 2014.

C: Judgment in absentia van District Court in Pila (Polen) met kenmerk II K 661/14 van
22 oktober 2014.

D: Judgment District Court in Pila (Polen) met kenmerk II K 254/14 van 26 maart 2015.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk 8 maanden (vonnis A), 1 jaar en 2 maanden (vonnis B), 1 jaar en 8 maanden (vonnis C) en 1 jaar en 8 maanden (vonnis D), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteert volgens het EAB (en de aanvullende informatie) nog 1 maand en 1 dag (vonnis A), 1 jaar en 2 maanden (vonnis B), 1 jaar, 7 maanden en 29 dagen (vonnis C) en 1 jaar en 8 maanden (vonnis D). De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van onder meer twee verstekvonnissen.

Aan de orde is de vraag of deze vonnissen – kort gezegd – zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12 sub d OLW mag de rechtbank in dat geval de overlevering alleen toestaan indien dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en zij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over haar recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij zij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) zij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen zij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 21 december 2016 het volgende verklaard:

With regard to case B, [opgeëiste persoon] will be entitled to a retrial pursuant to section 540b (1) of Polish code of criminal procedure, which provides that court proceedings concluded by a final decision can be reinitiated further to an application made by the defendant, filed within one month of the date when the defendant finds out that a court decision had been passed against him/her, if the case was tried in the defendant’s absence and the defendant had not been notified of the date of the hearing or the hearing notice was not served on him/her in person, if the defendant can prove that he/she did not know about the date of the hearing and that a decision could be passed in his/her absence.

Ten aanzien van vonnis C, staat het volgende vermeld:

With regard to case C, [opgeëiste persoon] will not be entitled to a retrial, as pursuant to section 540b (2) of Polish code of criminal procedure, provisions of subsection (1) shall not apply in circumstances referred to in sections 133 (2), 136 (1) or section 139 (1) of code of criminal procedure or if the defendant was represented at the hearing by a legal representative. Since [opgeëiste persoon] was deemed to have been duly served with the summons to the hearing held in the course of case C under section 133 (2) of criminal code, she will not be entitled to a retrial.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verstekvonnissen de overlevering niet toegestaan zou mogen worden. Ten aanzien van vonnis B merkt de raadsvrouw op dat, alhoewel er een verzetgarantie lijkt te zijn, deze niet onvoorwaardelijk is, aangezien hieraan de voorwaarde is gesteld, dat de opgeëiste persoon aantoont dat ze niet op de hoogte was van de zitting. Dit is een onmogelijke bewijsopdracht.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de dagvaarding voor zaak C weliswaar naar Pools recht juist is betekend, maar niet naar Nederlands recht. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarom aan de orde.

Voor wat betreft vonnis B, stelt de officier van justitie zich primair op het standpunt dat de opgeëiste persoon gegeven de aanvullende informatie kennelijk de mogelijkheid heeft om in verzet te gaan en de overlevering voor dat vonnis daarom kan worden toegewezen. Subsidiair voert zij aan dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW aan de orde is, nu de verzetgarantie niet helder is geformuleerd.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat ten aanzien van vonnis C niet is vast komen te staan dat de opgeëiste persoon tijdig persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, dan wel tijdig anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat zij op de hoogte was van het voorgenomen proces. Nu geen verzetgarantie is verstrekt zal de rechtbank de overlevering weigeren voor vonnis C.

Ten aanzien van vonnis B is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de Poolse autoriteiten met betrekking tot the right to retrial niet is aan te merken als een ondubbelzinnig geformuleerde garantie dat de zaak op verzoek opnieuw wordt behandeld waarbij nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten welke kan leiden tot een herziening van het oorspronkelijke vonnis. De rechtbank overweegt dat uit de tekst van de verklaring niet met zekerheid is af te leiden dat de verzetgarantie geen andere voorwaarden meebrengt dan in artikel 12 OLW gesteld. Ook voor dit vonnis zal de rechtbank de overlevering weigeren.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten in de vonnissen A en D niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, tweede lid, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Vonnis A, feit I:

- mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, in vereniging gepleegd

en/of

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Vonnis D, feit X:

  • -

    diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/verbreking

  • -

    diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/verbreking

  • -

    poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/verbreking

Vonnis D, feit XI:

- diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/verbreking

5 Slotsom

Nu ten aanzien van vonnis A en D, feiten I, X en XI, is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering in zoverre te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 47, 141, 302, 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan The Regional Court, Poznań (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die zijn opgelegd wegens feit I (vonnis A) en feiten X en XI (vonnis D).

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de vonnissen B en C.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en M. van Mourik rechters,

in tegenwoordigheid van C.E. van Diepen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 januari 2017.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]