Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4329

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7504
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college heeft terecht de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken. Met de gedetailleerde en ondertekende verklaring van eiser en de waarnemingen van zijn auto heeft het college aannemelijk gemaakt dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eiser heeft de werkzaamheden niet bij het college gemeld en heeft daarmee zijn inlichtingenplicht geschonden. Het college kan als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand van eiser niet vaststellen. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/7504

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2017 in de zaak tussen

[de man] (hierna: [de man] ), te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. S. van Andel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het college), verweerder

(gemachtigde: drs. H. van Golberdinge).

Procesverloop

In het besluit van 22 juli 2016 heeft het college de bijstandsuitkering van [de man] vanaf 31 mei 2016 ingetrokken.

In het besluit van 1 december 2016 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [de man] tegen het besluit van 22 juli 2016 ongegrond verklaard.

[de man] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017.

[de man] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?

1.1.

[de man] ontving een bijstandsuitkering van het college. Op 16 februari 2016 heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een anonieme tip over [de man] ontvangen. De anonieme tipgever heeft gezegd dat [de man] al zes jaar zwartwerkt bij autogarage [naam] in Amsterdam. De DWI heeft naar aanleiding van deze tip een onderzoek naar [de man] ingesteld. De resultaten van dit onderzoek staan in het rapport van bevindingen van 18 juli 2016.

1.2.

In het rapport van bevindingen staat dat handhavingsspecialisten van de DWI tien keer langs de autogarage zijn gereden. Alle keren hebben zij gezien dat de auto van [de man] bij de garage geparkeerd stond. Ook heeft een handhavingsspecialist gebeld met de autogarage en gevraagd of [de man] daar aanwezig was. De man aan de telefoon heeft volgens het rapport van bevindingen toen verklaard dat [de man] weg was voor een klusje, maar dat hij morgen en overmorgen gewoon aan het werk zou zijn. Ten slotte is [de man] op 11 juli 2016 op het kantoor van de DWI geweest voor een gesprek. Tijdens dit gesprek heeft [de man] verklaard dat hij vrijwel elke dag in de garage is en dat hij weleens een band plakt, auto’s wegbrengt, met zijn eigen auto onderdelen ophaalt en bezemt. Ook heeft hij verklaard dat hij sleutels van de autogarage heeft voor het geval dat ’s nachts het alarm afgaat. Ten slotte heeft [de man] gezegd dat hij in ruil voor zijn hulp in de garage vaak bij de eigenaar van de garage eet en dat zijn auto gratis wordt gemaakt en gekeurd.

2. In het besluit van 22 juli 2016 heeft het college de bijstandsuitkering van [de man] vanaf 31 mei 2016 ingetrokken. [de man] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

3. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [de man] ongegrond verklaard en het besluit van 22 juli 2016 in stand gelaten. Op basis van de verklaringen van [de man] en de waarnemingen van zijn auto bij de garage, stelt het college dat [de man] activiteiten heeft verricht die in het maatschappelijke verkeer een economische waarde vertegenwoordigen. [de man] heeft de zogenoemde inlichtingenplicht geschonden, omdat hij zijn activiteiten bij de garage niet bij het college heeft gemeld. Het college kan door de schending van de inlichtingenplicht de inkomsten van [de man] en daardoor ook zijn recht op bijstand niet vaststellen.

Heeft het college aannemelijk gemaakt dat [de man] zijn inlichtingenplicht heeft geschonden?

4.1.

Bij een besluit om een bijstandsuitkering in te trekken ligt de bewijslast in eerste instantie bij het college. Het college moet dus aannemelijk maken dat in het geval van [de man] aan de voorwaarden om zijn bijstandsuitkering in te trekken, is voldaan.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter die dit soort zaken behandelt, de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad), is het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee deze werkzaamheden worden verricht en of daarmee daadwerkelijk inkomsten worden verdiend. Als iemand, die bijstand van het college ontvangt, dit soort werkzaamheden niet aan het college meldt, schendt hij zijn inlichtingenplicht. Als iemand de inlichtingenplicht schendt, mag het college de bijstandsuitkering intrekken als hierdoor niet kan worden vastgesteld of de persoon in kwestie nog wel recht had op bijstand. Het is dan aan degene die de inlichtingenplicht heeft geschonden om aannemelijk te maken dat, als hij wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, toch nog recht had op een bijstandsuitkering.

4.3.

De rechtbank moet dus beoordelen of het college aannemelijk heeft gemaakt dat [de man] vanaf 31 mei 2016 bij de garage heeft gewerkt en dit niet aan het college heeft gemeld.

De verklaring van [de man]

5.1.

[de man] voert in beroep aan dat het college onterecht heeft geconcludeerd dat hij bij de garage heeft gewerkt. Het college heeft namelijk alleen de verklaring van [de man] als bewijs gebruikt en dat is onvoldoende.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat deze stelling van [de man] onjuist is, omdat de verklaring van [de man] wordt ondersteund door de anonieme tip en de waarnemingen van de auto van [de man] bij de garage door de handhavingsspecialisten. De rechtbank vindt overigens dat de gedetailleerde en ondertekende verklaring van [de man] op zichzelf al voldoende is om aan te nemen dat hij bij de garage werkte.1

6.1.

[de man] stelt verder dat hij niet aan zijn verklaring mag worden gehouden, omdat hij het medicijn tramadol had ingenomen vóór het afleggen van de verklaring, waardoor hij zich suf voelde.

6.2.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring.2 Aan het begin van het gesprek is het gebruik van tramadol ter sprake gekomen. [de man] heeft toen aangegeven dat hij in staat was een verklaring af te leggen en is hier later in het gesprek ook niet op teruggekomen. [de man] heeft in beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van bijwerkingen van het medicijn geen reële verklaring kon afleggen. De inhoud van de verklaring van [de man] geeft ook geen enkele reden om hieraan te twijfelen. [de man] mag daarom aan de door hem afgelegde en ondertekende verklaring worden gehouden.

Het rapport van bevindingen

7.1.

[de man] voert aan dat het college het bestreden besluit niet mag baseren op dit rapport van bevindingen, omdat het een samenvattend rapport is. Een samenvattend rapport mag niet ten grondslag worden gelegd aan een besluit tot intrekking van een bijstandsuitkering, aldus [de man] . [de man] heeft hierbij verwezen naar uitspraken van de Raad.3

7.2.

De uitspraken waar [de man] naar verwijst gaan over het gebruik van samenvattingen van processen-verbaal van door getuigen en verdachten afgelegde verklaringen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank stelt voorop dat hier geen sprake is van verklaringen die zijn afgelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Daarbij is ook geen sprake van een samenvatting van het gesprek met [de man] , maar is de ondertekende verklaring van [de man] als bijlage aan het rapport van bevindingen toegevoegd door het college. Deze beroepsgrond van [de man] slaagt daarom ook niet.

Telefonisch contact met de autogarage

8.1.

[de man] stelt dat het telefoontje door de handhavingsspecialist naar de autogarage onzorgvuldig is geweest, omdat de handhavingsspecialist zich niet als zodanig bekend heeft gemaakt aan de eigenaar van de garage. De informatie uit het telefoongesprek mag dan ook niet als rechtmatig verkregen bewijs worden beschouwd.

8.2.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college de inhoud van het telefoongesprek met de eigenaar van de garage ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Alleen al hierom kan deze beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De schriftelijke verklaring van de eigenaar van de garage

9.1.

[de man] stelt vervolgens dat het college onterecht geen belang heeft gehecht aan de door [de man] overgelegde schriftelijke verklaring van de eigenaar van de garage. In deze verklaring stelt de eigenaar dat [de man] niet in zijn garage werkt.

9.2.

De rechtbank hecht ook weinig waarde aan de verklaring van de eigenaar. De verklaring van de eigenaar is namelijk pas opgesteld na de door [de man] afgelegde verklaring en is in strijd met de verklaring van [de man] . Ook is de verklaring niet afkomstig uit objectieve bron.

Strijd met de ambtseed

10.1.

[de man] voert ten slotte aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de ambtseed. De handhavingsrapporteur heeft in het rapport van bevindingen immers aangegeven dat hij twijfelt of het onderzoek overeind blijft, omdat er volgens hem geen daadwerkelijk bewijs is dat [de man] inkomsten heeft ontvangen voor de activiteiten bij de garage. De rapporteur concludeert echter dat hij de uitkomsten van het onderzoek niet kan negeren en daarom toch adviseert de uitkering van [de man] te beëindigen.

10.2.

De rechtbank ziet in het bovenstaande geen schending van de ambtseed. Hieruit blijkt juist dat de rapporteur zich een zelfstandig oordeel vormt. Hij uit twijfels, maar vindt uiteindelijk dat de uitkomsten van het onderzoek niet moeten worden genegeerd. Overigens heeft niet de rapporteur, maar de Directeur Inkomen namens het college het primaire besluit genomen en is het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank ziet daarom niet dat er sprake is van strijd met de ambtseed of onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit.

Conclusie

11. Het college heeft met de verklaring van [de man] en de waarnemingen door de handhavingsspecialisten voldoende aannemelijk gemaakt dat [de man] vanaf 31 mei 2016 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij de garage. Vaststaat dat [de man] dit niet aan het college heeft gemeld. Daardoor kon het college niet vaststellen of [de man] in deze periode recht had op een bijstandsuitkering. [de man] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, als hij aan zijn inlichtingenplicht zou hebben voldaan, toch recht zou hebben op bijstand. Er is dus voldaan aan de voorwaarden om de bijstandsuitkering van [de man] in te trekken.

12. Het college heeft terecht de bijstandsuitkering van [de man] vanaf 31 mei 2016 ingetrokken. [de man] krijgt geen gelijk; zijn beroep is ongegrond.

13. De rechtbank ziet geen reden om het door [de man] betaalde griffierecht of zijn gemaakte proceskosten door het college te laten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter ook vragen een voorlopige maatregel te nemen.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 21 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3100.

2 Uitspraak van de Raad van 31 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:979.

3 Uitspraken van de Raad van 6 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN8469 en van 10 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP1520.