Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4326

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
13/845037-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 42-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden voor oplichting in vereniging van de Belastingdienst en witwassen. Hij heeft fraude gepleegd met Kinderopvangtoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845037-14 (Promis)

Datum uitspraak: 21 juni 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te district [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA adres]
te [plaats] , verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Boerlage, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.A.M. Euverman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

ten aanzien van feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2009 tot en met 15 december 2010 in de gemeente Amsterdam en/of te Amstelveen en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het

handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document(en), te weten (een) valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag (A-222-D-02 (pg 848) en/of A-223-D-10 (pg 941) en/of A-225-D-11 (pg 1012) en/of A-227-D-01 (pg 1092-1093) en/of

A-227-D-02 (pg 1094-1095) en/of D-019 (pg 1310) en/of D-004 (pg 1303) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat

- [naam kind 1] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [naam kinderopvang] (A-222-D-02) en/of

- [naam kind 2] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 buitenschoolse opvang bij [naam kinderopvang] (A-223-D-10) en/of

- [naam kind 3] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang bij [naam kinderopvang] (A-225-D-11) en/of

- [naam kind 4] , BSN [nummer] , gedurende 217 uur per maand en/of [naam kind 5] , BSN [nummer] voor 150 uur per maand, (beiden) vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet(en) bij [naam kinderopvang] (A-227-D-01 en/of A-227-D-02) en/of

- [naam kind 6] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij ' [naam kinderopvang] (D-019) en/of

- [naam kind 7] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij ' [naam kinderopvang] (D-004)

waardoor verdachte en/of zijn mededader(s) de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) ten bedrage van ongeveer 215.536 euro, althans enig geldbedrag;

Subsidiair:

[naam] en/of een of meer (vooralsnog) onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2009 tot en met 15 december 2010 in de gemeente Amsterdam en/of te Amstelveen en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig

goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld,

immers heeft/hebben [naam] en/of zijn mededader(s) (telkens) – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document(en), te weten (een) valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag (A-222-D-02 (pg 848) en/of A-223-D-10 (pg 941) en/of A-225-D-11 (pg 1012) en/of A-227-D-01 (pg 1092-1093) en/of

A-227-D-02 (pg 1094-1095) en/of D-019 (pg 1310) en/of D-004 (pg 1303) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat

- [naam kind 1] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [naam kinderopvang] (A-222-D-02) en/of

- [naam kind 2] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 buitenschoolse opvang bij [naam kinderopvang] (A-223-D-10) en/of

- [naam kind 3] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang bij [naam kinderopvang] (A-225-D-11) en/of

- [naam kind 4] , BSN [nummer] , gedurende 217 uur per maand en/of [naam kind 5] , BSN [nummer] voor 150 uur per maand, (beiden) vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet(en) bij [naam kinderopvang] (A-227-D-01 en/of A-227-D-02) en/of

- [naam kind 6] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij ' [naam kinderopvang] (D-019) en/of

- [naam kind 7] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij ' [naam kinderopvang] (D-004)

waardoor [naam] en/of zijn mededader(s) de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) ten bedrage van ongeveer 215.536 euro, althans enig geldbedrag, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 12 november 2009 in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, aan [naam] en/of aan een of meer (vooralsnog) onbekend gebleven perso(o)n(en) van een of meer aanvragers (onder meer) verstrekt:

-bankrekeningnummers;

-DigiD-codes;

-NAW-gegevens, BSN, geboortedata

ten aanzien van feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2009 tot en met 26 mei 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte een voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 162.646 euro, in elk geval 70.948 euro) verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2009 tot en met 26 mei 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 162.646 euro, in elk geval 70.948 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Kinderopvangtoeslag

Om ouders in de gelegenheid te stellen om werk en zorg voor de kinderen te combineren is een inkomensafhankelijke regeling in het leven geroepen, te weten de Wet Kinderopvang (WKO). Deze wet voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en beoogt de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen. De WKO is op 1 januari 2005 van kracht geworden en is in 2006 opgenomen in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR). De WKO regelt onder andere de voorwaarden voor de opvang van kinderen in kinderdagverblijven en bij gastouders en het recht op kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

In het navolgende wordt uitgegaan van de WKO zoals deze luidde ten tijde van het ten laste gelegde.

Om in aanmerking te komen voor KOT moeten ouders aan onder meer de volgende voorwaarden voldoen:

- de KOT moet worden aangevraagd door (of namens) de ouder(s);

- het kind moet naar een geregistreerde kinderopvangorganisatie gaan;

- de ouders dienen te werken, of een traject naar werk te volgen;

- de hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen van de ouder(s);

- de hoogte van de toeslag is afhankelijk van het aantal opvanguren, het uurtarief en het soort opvang dat plaatsvindt.

De KOT werkt op basis van een maandelijks voorschot dat door de Belastingdienst wordt verstrekt. Het voorschot wordt berekend op basis van de inschatting van de kosten voor kinderopvang en het (gezamenlijke) inkomen van de ouder(s). De KOT kan ook met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Nadat een aanvraag is ingediend, loopt deze het daarop volgende jaar automatisch door en hoeft er geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.

Bij de aanvrager ligt de verplichting om een wijziging van het inkomen of een wijziging in het aantal uren kinderopvang, door middel van een wijzigingsformulier aan de Belastingdienst door te geven. Tevens dient een aanvrager na afloop van een kalenderjaar gegevens door te geven aan de Belastingdienst waaruit onder meer blijkt hoeveel uren kinderopvang er dat kalenderjaar zijn genoten, waarna de KOT definitief wordt vastgesteld. Ter controle van deze definitieve vaststelling schrijft de Belastingdienst achteraf steekproefsgewijs aanvragers aan met het verzoek om de door hen daadwerkelijk gemaakte kinderopvangkosten te onderbouwen. Aanvragers moeten hiervoor een ingevuld antwoordformulier retourneren aan de Belastingdienst, met bijgevoegd een jaaropgave van de gemaakte kinderopvangkosten.

4.2

Start van het strafrechtelijke onderzoek

Tegelijkertijd met het strafrechtelijk onderzoek Triple X van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) Amsterdam werd door de FIOD Alkmaar een soortgelijk onderzoek gedraaid. Beide onderzoeken betroffen grootschalige fraude met onjuiste aanvragen en wijzigingen KOT. In het onderzoek van de FIOD Alkmaar is de betrokkenheid van verdachte, ook wel bekend als [naam 1] (fonetisch), onderzocht en besloten deze over te dragen aan het onderzoek Triple X omdat meerdere aanvragen KOT voorkwamen in het onderzoek Triple X waarbij verdachte vermoedelijk was betrokken. Omdat het onderzoek Triple X moest worden beëindigd zodat die zaak destijds inhoudelijk kon worden behandeld en toen het onderzoek naar verdachte en de mogelijk door hem benaderde aanvragers nog niet was uitgevoerd, werd op 25 juni 2013 dit onderzoek, Triple Z, gestart.

Tijdens het onderzoek Triple Z kwam vervolgens naar voren dat bij de politie Amsterdam Zuidoost een onderzoek liep dat raakvlakken had met Triple Z. Er is toen besloten het dossier van de politie integraal over te nemen in het onderzoek Triple Z.

In het onderzoek Triple X zijn de onjuiste aanvragen KOT verzameld waar verdachte bij betrokken is. Dit is nader uitgewerkt in het onderzoek Triple Z. Van deze aanvragen is door de FIOD nagegaan of er daadwerkelijk sprake was van kinderopvang. In de meeste gevallen werd vastgesteld dat sprake was van ten onrechte aangevraagde KOT omdat er geen kinderopvang was genoten.

In het onderzoek Triple X zijn de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) in beeld gekomen aangezien hun bankrekeningnummers in aanvragen KOT stonden vermeld en op welke bankrekeningnummers de KOT vervolgens werd gestort. In het onderzoek Triple Z kwam naar voren dat er een relatie was tussen enerzijds verdachte en anderzijds [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

4.3

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Het primair tenlastegelegde onder feit 1 dient te worden bewezen. Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde aanvragers heeft verdachte immers samen met anderen de Belastingdienst bewogen tot uitkering van de aangevraagde KOT door van deze aanvragers alle gegevens die nodig zijn voor een aanvraag te verkrijgen en deze door te geven aan ene [naam 3] , [naam] , dan wel onbekend gebleven derden, en ten behoeve van de daadwerkelijke uitkering zijn bankrekening dan wel die van [aanvrager 1] en [medeverdachte 2] ter beschikking te stellen. Met [aanvrager 1] en [medeverdachte 2] , maar ook met de aanvragers [aanvrager 2] en [aanvrager 3] die het geld op hun eigen bankrekening kregen gestort, werd afgesproken dat zij daar een deel van moesten afdragen aan verdachte. Verdachte heeft dit geld, althans een substantieel deel daarvan, in ontvangst genomen. Doordat al deze uitgekeerde KOT contant werd opgenomen is het volstrekt onduidelijk wat er vervolgens met het geld is gebeurd. Verdachte moet daarbij een rol hebben gespeeld nu hij over deze contanten kon beschikken. Daarmee is de rol van verdachte meer geweest dan slechts een ondersteunende, maar heeft hij op diverse momenten een cruciale rol gespeeld bij de oplichting, zowel bij het verzamelen en doorgeven van de voor een aanvraag benodigde informatie als bij het ontvangen en verdelen van de buit. Dat is een zodanig significante bijdrage dat sprake is geweest van medeplegen.

Ook het primair tenlastegelegde onder feit 2, het gewoontewitwassen, dient te worden bewezen. Een deel van de onterecht uitgekeerde KOT is immers terechtgekomen op de bankrekening van verdachte en is door hem contant opgenomen. Daarnaast hebben meerdere aanvragers verklaard dat zij geld aan verdachte hebben gegeven, deels via anderen en deels rechtstreeks aan verdachte. Al deze bedragen zijn uit misdrijf afkomstig, namelijk toeslagfraude, en door deze handelingen heeft verdachte deze gelden overgedragen en omgezet.

4.4

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bij pleidooi, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1. Daarvoor zijn onder meer de volgende omstandigheden van belang. Verdachte is destijds benaderd door [naam 3] met het verhaal dat geld kon worden verdiend met de aanvragen KOT en dat iedereen daar recht op had. Verdachte heeft vervolgens als loopmannetje gefungeerd tussen de aanvragers en [naam] en [naam 3] . Hij kreeg hiervoor een mazzeltje. Verdachte ontkent grote bedragen te hebben ontvangen. Als verdachte had geweten dat de aanvragen niet waren toegestaan, had hij de aanvragers hiervoor nooit benaderd. Tot slot blijkt uit het dossier niet dat door verdachte de valse aanvragen zijn opgesteld, ingevuld en opgestuurd. Dit komt overeen met de verklaring van verdachte. De aanvragers hebben informatie gegeven aan verdachte, verdachte heeft niet geholpen met het aanvragen van een DigiD en hij heeft vervolgens die informatie doorgegeven aan de personen die de aanvraag hebben gedaan.

Ten aanzien van de vals ingediende aanvragen door [naam] en/of [naam 3] bestond geen voorwaardelijk opzet. De omstandigheden waren niet zo dat verdachte had moeten beseffen dat het foute boel was. Verdachte wist niet anders dan dat het legaal was. Bovendien was ook geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte was niet meer dan een doorgeefluik die een mazzeltje kreeg voor wat hij deed. Hiermee was zijn bijdrage niet substantieel van aard. Hij maakte geen documenten, vulde geen formulieren in en stuurde ze ook niet op en had daarmee geen zicht in de wijze waarop de aanvragen werden gedaan. [naam] en [naam 3] waren het brein en degenen die de aanvragen indienden en de gelden kregen. Niet alleen was geen sprake van medeplegen, ook van medeplichtigheid was geen sprake nu het opzet op de oplichting ontbreekt.

Ook van feit 2 dient verdachte te worden vrijgesproken. Verdachte had geen opzet op het witwassen nu hij er niet mee bekend was dat het niet was toegestaan om op deze wijze aanvragen KOT in te dienen. Hij wist dan ook niet dat de gelden afkomstig waren uit een misdrijf. Daarbij komt dat verdachte geen handelingen heeft verricht om enige criminele herkomst te verbergen of te verhullen, hetgeen een vereiste is voor witwassen van gelden die uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Overigens heeft verdachte de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen niet verworven, voorhanden gehad, omgezet of overgedragen en daarvan gebruik gemaakt. De aanvragers behielden immers zelf het geld als dit op hun bankrekening was gestort, verdachte ontving slechts een mazzeltje. De stelling dat de aanvragers [aanvrager 2] , [aanvrager 4] , [aanvrager 3] en [aanvrager 5] de gelden (grotendeels) zouden hebben afgestaan aan verdachte wordt niet ondersteund door bewijs en kunnen in het kader van witwassen niet worden meegerekend.

4.5

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de daarin vermelde redengevende feiten en omstandigheden.1

Ten aanzien van feit 1, primair

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich als medepleger, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Belastingdienst. Zij overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte meerdere aanvragers direct heeft benaderd of via anderen met aanvragers in contact is gebracht met het doel KOT voor hen aan te (laten) vragen. Ten behoeve van deze aanvragen verstrekte de aanvragers gegevens aan verdachte die van belang waren voor het indienen van de aanvraag en het verstrekken van KOT. Dit betroffen naast de persoonsgegevens van de aanvrager ook de persoonsgegevens van het kind, DigiD-code en wachtwoord en een bankrekening waarop de KOT kon worden gestort. Vervolgens gaf verdachte deze gegevens direct door aan [naam] dan wel via [naam 3] , die op zijn beurt de gegevens doorgaf aan [naam] , die de aanvraag bij de Belastingdienst indiende. Na de aanvraag ontving verdachte (een deel van) het geld ofwel rechtstreeks van de Belastingdienst ofwel van degene op wiens rekening de KOT werd gestort, in contanten.2

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring uit van de in de tenlastelegging genoemde aanvragers:

Op naam van [aanvrager 2] / [aanvrager 6] is op 12 november 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat het kind per 1 januari 2009 opvang heeft genoten bij de [naam kinderopvang] . 3 Vervolgens is € 29.085,- uitbetaald op de rekening van [aanvrager 2] / [aanvrager 6] . 4 Na navraag bij de [naam kinderopvang] bleek dat het kind van [aanvrager 2] / [aanvrager 6] daar geen opvang had genoten. 5 [aanvrager 2] heeft verklaard dat zij op bezoek was bij haar buurvrouw, mevrouw [aanvrager 4] , waar ook een man was die zichzelf [naam 1] noemde. Hij had tegen haar gezegd dat ze recht had op KOT omdat haar kind geen kinderopvang genoot. Vervolgens heeft zij alle gegevens aan [naam 1] gegeven. 6

Op naam van [aanvrager 4] is op 7 oktober 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat het kind per 1 januari 2009 opvang zou hebben genoten bij de [naam kinderopvang] . 7 Vervolgens is € 18.952,- KOT uitbetaald op de rekening van [medeverdachte 2] . 8 Na navraag bij de [naam kinderopvang] bleek dat het kind van [aanvrager 4] daar geen opvang had genoten. 9 [aanvrager 4] heeft verklaard dat zij is benaderd door een vrouw in de tram, ene [naam vrouw] , die tegen haar zou hebben gezegd dat ze recht had op KOT, dat zij de volgende dag al bij [aanvrager 4] langskwam met een man die zich [naam 1] noemde en dat zij aan deze [naam 1] de ID gegevens van haar kind heeft gegeven. Tevens verklaarde [aanvrager 4] dat haar kind nooit naar de kinderopvang is geweest, dat het inkomen op de aanvraag niet klopte en dat zij het bankrekeningnummer op de aanvraag niet kende. [naam 1] had haar gezegd dat het rekeningnummer van de organisatie was. Van de ontvangen KOT heeft zij € 1.250,- van [naam 1] gekregen. 10

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij door verdachte werd gebeld met de vraag of hij zijn bankrekening ter beschikking wilde stellen zodat de uitgekeerde KOT van [aanvrager 4] op zijn rekening kon worden gestort, dat hij dit geld in contanten heeft opgenomen van zijn rekening en vervolgens aan verdachte heeft gegeven. 11

Op naam van [aanvrager 7] is op 8 november 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat het kind per 1 januari 2009 opvang zou hebben bij de [naam kinderopvang] . 12 Vervolgens is € 29.085,- KOT uitbetaald op de rekening van verdachte. 13 Na navraag bij de [naam kinderopvang] bleek dat het kind daar geen opvang had genoten. 14 [aanvrager 7] heeft verklaard dat [naam 1] de aanvraag KOT voor haar had gedaan, dat hij haar had verteld dat ze recht had op geld als je kind niet naar de opvang ging, dat haar kind nooit op de opvang heeft gezeten, dat zij haar gegevens aan hem had gegeven en [naam 1] voor haar een DigiD had aangevraagd. Tevens verklaarde zij dat [naam 1] haar had verteld dat het geld naar de organisatie zou worden overgemaakt en dan zou worden verdeeld, dat zij € 1.200,- in contanten van hem heeft ontvangen en dat zij niet wist dat het geld naar de rekening van [naam 1] ging. 15 De storting op en de contante opname van de rekening wordt door verdachte bevestigd. 16

Op naam van [aanvrager 3] is op 9 november 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat de kinderen van [aanvrager 3] vanaf 1 januari 2009 kinderopvang hebben genoten bij [naam kinderopvang] . 17 Op 28 november 2009 is een tweede aanvraag binnengekomen bij de Belastingdienst. 18 Deze aanvragen hebben geresulteerd in een uitbetaling KOT van € 52.378,- op de rekening van [aanvrager 3] . 19 Na navraag bij de [naam kinderopvang] bleek dat de kinderen van [aanvrager 3] daar geen opvang hadden genoten. 20 [aanvrager 3] heeft verklaard dat zij bij zwemles van haar zoon in contact is gekomen met [medeverdachte 1] . Zij kende [naam 1] en hij zou voor haar de aanvraag KOT kunnen doen. Marleen heeft al haar gegevens en van haar kinderen aan [naam 1] gegeven. 21 [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij [aanvrager 3] op het idee heeft gebracht om de KOT aan te vragen en dat [aanvrager 3] daarna een afspraak met verdachte heeft gemaakt. [medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat zij wist dat op naam van [aanvrager 3] een foute aanvraag KOT werd ingediend en dat zij, nadat [aanvrager 3] de KOT had ontvangen,

€ 500,- van haar heeft gekregen. 22 Verdachte heeft deze gang van zaken bevestigd. 23

Op naam van [aanvrager 5] is op 9 maart 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat het kind per 1 januari 2008 kinderopvang heeft genoten bij [naam kinderopvang] . 24 Deze aanvraag heeft geresulteerd in een uitbetaling KOT van € 44.154,- op de rekening van [aanvrager 1] . 25 [aanvrager 5] heeft verklaard dat [naam 1] de aanvraag KOT voor haar heeft ingediend, dat hij en zijn mensen een percentage kregen van het uitgekeerde bedrag en dat zij € 300,- per maand in contanten kreeg, dat zij haar Digid-code aan [naam 1] heeft gegeven en dat haar kind nooit op de crèche heeft gezeten. [aanvrager 5] verklaart ook dat zij in het begin één keer € 5.000,- heeft gekregen en in september 2010 € 500,-. 26

[aanvrager 1] bevestigt het verhaal van [aanvrager 5] , inhoudende dat verdachte haar had benaderd om een aanvraag KOT in te dienen en dat hij, [aanvrager 1] , door verdachte werd gebeld met de vraag of hij zijn bankrekening ter beschikking wilde stellen zodat de uitgekeerde KOT van [aanvrager 5] op zijn rekening kon worden gestort. Hiervoor heeft [aanvrager 1] toestemming gegeven en hij heeft vervolgens telkens bijna het hele gestorte bedrag in contanten opgenomen en aan verdachte gegeven. 27

Op naam van [aanvrager 1] is op 27 februari 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat het kind vanaf 1 maart 2008 kinderopvang heeft genoten bij [naam kinderopvang] . 28 Deze aanvraag heeft geresulteerd in een uitbetaling KOT van € 41.863,- op de rekening van verdachte. 29 [aanvrager 1] heeft verklaard dat hij door verdachte is benaderd en hij hem heeft aangegeven dat hij recht had op KOT en dat hij iemand kende die dit voor hem kon aanvragen. Vervolgens heeft [aanvrager 1] hem zijn gegevens gegeven en die van zijn dochter waarmee verdachte de aanvraag heeft ingediend terwijl zijn dochter nooit op de crèche heeft gezeten. 30 Verdachte heeft deze gang van zaken bevestigd, 31 net als de storting op en de contante opname van zijn rekening. 32

Om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst de KOT maandelijks bleef uitkeren, moesten antwoordformulieren en jaaropgaven worden opgestuurd. Uit het dossier blijkt wellicht niet dat verdachte degene was die deze jaaropgaven zelf invulde en indiende bij de Belastingdienst, maar hij was wel degene die ervoor zorgde dat deze formulieren, ingevuld door [naam] dan wel [naam 3] en of anderen, bij de aanvragers terechtkwamen. Zij gaven dit formulier vervolgens ondertekend terug aan verdachte of deden dit zelf op de post.33 Hierdoor bleef de Belastingdienst in de veronderstelling verkeren dat de kinderen daadwerkelijk opvang hadden genoten.

De werkwijze die onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aanvragen en controles achteraf te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking waarbij verdachte nauw contact onderhield met [naam] en [naam 3] . Verdachte heeft in het samenwerkingsverband een essentiële rol gespeeld bij de oplichting van de Belastingdienst. Immers, het ter beschikking stellen van een bankrekening en het verkrijgen van die persoonsgegevens vormt een wezenlijk onderdeel van het tenlastegelegde fraudepatroon, nu zonder die gegevens de onterechte aanvragen KOT niet zouden kunnen worden ingediend en de beoogde bevoordeling niet kon worden bewerkstelligd. Verdachte verzamelde de gegevens van de aanvragers nadat hij hen had voorgelicht over de procedure. Vervolgens zorgde verdachte ervoor dat die gegevens bij de personen kwamen die de aanvragen daadwerkelijk verrichtten. De rol van verdachte laat zich dan ook niet als enkel medeplichtigheid kwalificeren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte een zodanig significante bijdrage heeft geleverd dat sprake is geweest van medeplegen van oplichting.

Op grond van het voorgaande kan het niet anders dan dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de Belastingdienst werd opgelicht doordat valse aanvragen KOT werden ingediend en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard, te meer nu verdachte zich er niet van heeft vergewist dat de kinderen van de aanvragers daadwerkelijk kinderopvang hadden genoten.34

Ten aanzien van feit 2, primair

Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Deze feiten hebben ertoe geleid dat de Belastingdienst ten onrechte KOT heeft uitgekeerd. Deze ten onrechte uitgekeerde KOT is daarom uit eigen misdrijf afkomstig, waarin wetenschap van de criminele herkomst ligt besloten. De KOT is gestort op de bankrekening van verdachte of op die van de desbetreffende aanvrager dan wel op de bankrekeningen van [medeverdachte 2] . De geldbedragen werden contant opgenomen, waarna (een gedeelte van) het bedrag aan verdachte werd overgedragen. Uit het voorgaande volgt dat de criminele opbrengsten deels bij de aanvragers bleven en deels zijn afgestaan aan verdachte.

Uit de omstandigheid dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de Belastingdienst heeft opgelicht en verdachte of [medeverdachte 2] dan wel de aanvrager (KOT)gelden afkomstig uit dit misdrijf heeft ontvangen, volgt niet automatisch dat verdachte ook moet worden aangemerkt als pleger van het witwassen van het gedeelte dat niet aan verdachte is afgestaan. Ten aanzien van dit gedeelte wordt verdachte dus vrijgesproken. Dit betreffen de gelden die ten behoeve van de aanvragers [aanvrager 3] en [aanvrager 2] zijn uitgekeerd nu behoudens hun eigen verklaring nergens anders uit blijkt welk deel zij aan verdachte (zouden) hebben afgestaan.

Voor de uitgekeerde KOT van de overige aanvragers geldt dat het hier gelden betreffen die ten gevolge van de oplichtingshandelingen van verdachte bij verdachte dan wel bij de aanvrager dan wel bij [medeverdachte 2] zijn binnengekomen en vervolgens (voor een deel) zijn doorgeleid naar verdachte, die deze gelden aldus heeft verworven en in contante vorm voorhanden heeft gehad. Deze overdracht moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een handeling die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Immers, door de overdracht aan verdachte en door de gelden in contanten op te nemen, is er sprake van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de aan hem door de aanvragers overgedragen geldbedragen. Gedurende een lange periode heeft de Belastingdienst onterecht KOT uitgekeerd op bankrekeningen van aanvragers. Een gedeelte van deze onterecht uitgekeerde KOT is overgedragen aan verdachte of – in de gevallen dat het geld op zijn eigen rekening werd gestort – heeft verdachte een gedeelte achtergehouden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich ten aanzien van dit deel schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1, primair:

in de periode van 27 februari 2009 tot en met 15 december 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders telkens – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag –documenten, te weten valselijk opgemaakte elektronische aanvragen Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag (A-222-D-02 (pg 848) en A-223-D-10 (pg 941) en A-225-D-11 (pg 1012) en A-227-D-01 (pg 1092-1093) en A-227-D-02 (pg 1094-1095) en D-019 (pg 1310) en D-004 (pg 1303) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende onder meer dat

- [naam kind 1] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [naam kinderopvang] (A-222-D-02) en

- [naam kind 2] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 buitenschoolse opvang bij [naam kinderopvang] (A-223-D-10) en

- [naam kind 3] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang bij [naam kinderopvang] (A-225-D-11) en

- [naam kind 4] , BSN [nummer] , gedurende 217 uur per maand en [naam kind 5] , BSN [nummer] voor 150 uur per maand, beiden vanaf 1 januari 2009 kinderopvang genieten bij [naam kinderopvang] (A-227-D-01 en A-227-D-02) en

- [naam kind 6] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [naam kinderopvang] (D-019) en

- [naam kind 7] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [naam kinderopvang] (D-004)

waardoor verdachte en/of zijn mededaders de suggestie hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen ten bedrage van 215.517 euro;

ten aanzien van feit 2, primair:

in de periode van 10 maart 2009 tot en met 26 mei 2014 te Amsterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 123.103,50 euro verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Bij het formuleren van deze eis is geen rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie refereert zich voor wat betreft een eventuele strafkorting in dat kader aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de volgende persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft drie keer per week de zorg over zijn zoontje, hij is een first offender en heeft de bedragen die zijn uitgekeerd door de Belastingdienst niet zelf gekregen dan wel gehouden wat strafmatigend dient te werken. Daarnaast zijn de feiten van lange tijd geleden wat ook door moet werken in de op te leggen straf. De verdediging verzoekt derhalve een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft samen met zijn mededaders gedurende een langere periode de Belastingdienst voor ruim tweehonderdduizend euro opgelicht. Verdachte en zijn mededaders hielden zich op grote schaal bezig met het valselijk opmaken en indienen van aanvraagformulieren betreffende door de Belastingdienst uit te keren KOT en het witwassen van de aldus verkregen geldbedragen.

Hiermee hebben verdachte en zijn mededaders misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst dat is ingesteld om grote aantallen aanvragen en wijzigingen KOT zo snel mogelijk te kunnen verwerken. De Belastingdienst gaat daarbij in het algemeen uit van de juistheid van de ingediende verzoeken om zo de aanvragers niet lang in onzekerheid te laten verkeren. Verdachte heeft het vertrouwen dat de basis vormt van het door de Belastingdienst gehanteerde systeem ernstig geschaad en het systeem bewust ondermijnd. Ook neemt door dergelijke grootschalige fraudes de maatschappelijke bereidheid om bij te dragen aan het toeslagenstelstel af.

Het wekt weliswaar verbazing dat de Belastingdienst zonder enige controle vooraf en zonder dat ook maar één bewijsmiddel mee hoefde te worden gestuurd, overging tot onmiddellijke overmaking van soms vele tienduizenden euro’s in één keer. De enige controle vond steekproefsgewijs achteraf plaats. Verdachte heeft daarentegen echter wel een eigen verantwoordelijkheid. Het gemak waarmee de fraude kon worden gepleegd maakt zijn handelen dan ook niet minder strafbaar.

Verdachte heeft door het plegen van deze feiten vele aanvragers aangezet tot strafbaar handelen. Hierbij heeft verdachte niet alleen de Belastingdienst, maar ook deze aanvragers benadeeld. Hoewel een groot aantal aanvragers wisten, dan wel konden vermoeden dat zij de KOT onterecht ontvingen, zijn zij de personen – en niet verdachte – die worden geconfronteerd met naheffingen. Zij zijn het die feitelijk het gehele bedrag dat ten onrechte aan hen is uitgekeerd terug moeten betalen aan de Belastingdienst, daaronder ook begrepen de substantiële bedragen die door de aanvragers aan verdachte en/of zijn mededaders zijn afgestaan.

Gelet op de ernst van de feiten, de essentiële rol die verdachte daarbij wordt verweten en de hoogte van het benadelingsbedrag van ruim € 215.000,-, kan niet worden gekomen tot een andere dan een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte een enorm groot voordeel heeft genoten van de door hem gepleegde feiten. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden passend en geboden is.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank echter de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, in aanmerking genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte voor eerst als verdachte is verhoord als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 26 mei 2014. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 21 juni 2017 – ligt een periode die de redelijke termijn met ruim een jaar overschrijdt. Deze overschrijding is niet te wijten aan enig handelen van de verdediging. Hierdoor zal de rechtbank de straf overeenkomstig vaste jurisprudentie matigen met tien procent.

De rechtbank zal verder rekening houden met het strafblad van 6 april 2017 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van hierna te noemen duur passend en geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, primair:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2, primair:

een gewoonte maken van witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem en R.J.E. Berfelo, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juni 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de dossiers.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 juni 2017, inhoudende de verklaring van verdachte

3 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-222-D-02 (pag 848)

4 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-222-D-13 (pag 877)

5 Zaaksdossier [medeverdachte 1] , ordner 2: AH-42B (pag 467 en 468)

6 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-222-V-01 (pag 835 en 836) en A-222-D-04 (pag 853 en 854)

7 Zaaksdossier [medeverdachte 2] , A-223-D-10, (pag. 152)

8 Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2014, ZD [medeverdachte 2] , A-226-AH-2b (pag. 334-337).

9 Zaaksdossier [medeverdachte 1] , ordner 2: AH-042B (pag. 468).

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [aanvrager 4] bij de rechter-commissaris, d.d. 1 augustus 2016

11 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , ZD [medeverdachte 2] , A-226A-V-01 (pag. 134)

12 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-225-D-11 (pag 1012)

13 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-225-D-09 (pag 1009)

14 Zaaksdossier [medeverdachte 1] , ordner 2: AH-42B (pag 468)

15 Verklaring van getuige [aanvrager 7] bij de rechter-commissaris, d.d. 26 april 2016.

16 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 juni 2017, inhoudende de verklaring van verdachte.

17 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3:A-227-D-01 (pag 1092 en 1093).

18 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-227-D-02 (pag 1094 en 1095).

19 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-227-D-15 (pag 1118).

20 Zaaksdossier [medeverdachte 1] , ordner 2: AH-042B (pag 469).

21 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 3: A-227-V-01 (pag 1050 en 1051).

22 Zaaksdossier [medeverdachte 1] , ordner 1: A-226-V-05 (pag 92 en 95).

23 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris, d.d. 19 april 2016.

24 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 4, dossier Alkmaar, D-019 (pag. 1310).

25 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 4, dossier Alkmaar, D-002 (pag. 1193).

26 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 4, dossier Alkmaar, V08-01 (pag 341) en V08-03 (pag 1283).

27 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 4, dossier Alkmaar, V02-03 (pag 287, 288, 289).

28 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 4, dossier Alkmaar, D-004 (pag 1303).

29 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 4, dossier Alkmaar, D-001 (pag 1192).

30 Zaaksdossier [verdachte] , ordner 4, dossier Alkmaar, V02-02 (pag 1252 t/m 1254).

31 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris, d.d. 19 april 2016 en proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] bij de rechter-commissaris, d.d. 29 april 2016.

32 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 juni 2017, inhoudende de verklaring van verdachte.

33 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 juni 2017, inhoudende de verklaring van verdachte.

34 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 juni 2017, inhoudende de verklaring van verdachte.