Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:421

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
13/684349-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Belediging verbalisanten. Wederspannigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/684349-16

Datum uitspraak: 25 januari 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [plaats] , gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Schwab, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (gedurende enige tijd) de keel van voornoemde [persoon 1] heeft dichtgeknepen en/of dichtgehouden (waardoor voornoemde [persoon 1] geen lucht kreeg);

Subsidiair:

hij op of omstreeks 18 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [persoon 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen, althans eenmaal, (gedurende enige tijd) dichtknijpen en/of dichthouden van de keel van voornoemde [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 18 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (hoofdagent politie Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door meermalen, althans eenmaal, in/op/richting het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] te spugen;

3.

hij op of omstreeks 18 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten belast met assistentiedienst van politie Eenheid Amsterdam, door zich (met kracht) te pogen los te rukken en/of trekken en/of schoppende bewegingen te maken in de richting van

voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of zijn, verdachtes, arm(en) in een andere richting te trachten te bewegen dan de richting waarin voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] hem trachtten te brengen en/of bijtende bewegingen te maken in de richting van de benen van voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

4.2

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aan de hand van haar pleitnotities betoogd dat verdachte van het hem onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden gesteld dat de gedragingen van verdachte naar zijn aard gericht waren op het doden van dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte bij het dichtknijpen van de keel van het slachtoffer een dusdanige kracht gebruikte dat de dood had kunnen intreden of zwaar lichamelijk letsel had kunnen ontstaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het slachtoffer heeft ter plaatse tegenover een verbalisant verklaard dat zij samen met verdachte in de woonkamer zat toen hij haar aankeek en zei: “Wat nou als ik jou zou vermoorden?” Voordat zij erop kon reageren sprong verdachte op van de bank, greep haar bij haar keel en kneep met beide handen haar keel dicht. Verdachte kneep zo hard, dat het slachtoffer dacht dat zij dood zou gaan. In de tijd dat haar moeder hulp was gaan halen, bleef verdachte haar keel dichtknijpen. Zij voelde zich duizelig worden en is uiteindelijk buiten onwel geworden, aldus het slachtoffer.

Getuige [getuige] heeft ter plaatse tegenover een verbalisant verklaard dat hij door de moeder van het slachtoffer geroepen werd en dat hij in hun woning verdachte op het slachtoffer zag liggen. Hij zag dat verdachte het slachtoffer aan het wurgen was. Later heeft de getuige een uitgebreidere verklaring afgelegd, waarbij hij heeft verklaard dat hij zag dat verdachte met kracht de keel van het slachtoffer dichtkneep en dat hij haar hoorde gorgelen. Hij zag dat het slachtoffer spartelde met haar benen en hij had het gevoel dat zij geen lucht kreeg. Hij hoorde verdachte zeggen “ik wil haar vermoorden”. Samen met buurtbewoners heeft hij verdachte opgesloten in zijn kamer, alwaar hij verdachte meerdere malen het volgende hoorde zeggen: “Ik wil mijn zus vermoorden, ik ga mijn zus vermoorden”.

De rechtbank constateert dat er sprake is van letsel aan beide zijden van de keel van het slachtoffer.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte met meer dan geringe kracht en gedurende enige tijd de keel van het slachtoffer heeft dichtgeknepen en dichtgehouden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de door verdachte gebruikte bewoordingen, gehoord door zowel het slachtoffer als de getuige, in samenhang met de door hen waargenomen gedragingen van verdachte en het letsel van het slachtoffer, kan worden afgeleid dat het opzet van verdachte gericht was op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook bewezen.

ij

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

op 18 juli 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] van het leven te beroven met dat opzet gedurende enige tijd de keel van voornoemde [persoon 1] heeft dichtgeknepen en dichtgehouden waardoor voornoemde [persoon 1] geen lucht kreeg;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 18 juli 2016 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren [verbalisant 1] , hoofdagent politie Eenheid Amsterdam, en [verbalisant 2] , hoofdagent politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden heeft beledigd, door in het gezicht van voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te spugen;

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 18 juli 2016 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten belast met assistentiedienst van politie Eenheid Amsterdam, door zich met kracht te pogen los te trekken en schoppende bewegingen te maken in de richting van voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en zijn, verdachtes, armen in een andere richting te trachten te bewegen dan de richting waarin voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem trachtten te brengen en bijtende bewegingen te maken in de richting van de benen van voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 (tien) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en met als bijzondere voorwaarde verplicht maandelijks contact met zijn casusregisseur in het kader van de Top 600 Aanpak, zijnde [persoon 2] van de politie Amsterdam-Amstelland, met een opdracht aan Reclassering Nederland om op voornoemd contact toe te zien.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bij pleidooi aan de hand van haar pleitnotities verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan hem geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest. Voor het geval de rechtbank haar primaire standpunt tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde niet volgt, heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht om te overwegen de op te leggen gevangenisstraf met een voorwaardelijk deel aan te vullen, eventueel voorzien van een lange proeftijd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn zus door gedurende enige tijd haar keel dicht te knijpen en dicht te houden, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Het handelen van verdachte had fatale gevolgen kunnen hebben. Dat het slachtoffer niet is komen te overlijden en geen ernstig letsel heeft overgehouden, is niet aan de handelswijze van verdachte te danken, maar aan het feit dat de moeder van het slachtoffer buurtbewoners heeft gealarmeerd die het slachtoffer te hulp zijn geschoten. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk misdrijf daarvan nog geruime tijd psychisch nadeel ondervinden. Daarnaast heeft verdachte de verbalisanten die naar aanleiding van het voorgaande ter plaatse zijn gegaan, beledigd door hen in het gezicht te spugen. Hiermee heeft hij een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de verbalisanten en een gebrek aan respect getoond voor het gezag van de politie. Vervolgens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid tegen voornoemde verbalisanten. Hij heeft hiermee de uitoefening van de taak van de verbalisanten ernstig bemoeilijkt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële documentatie d.d. 8 december 2016, eerder is veroordeeld voor belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om onderhavige beledigingen te uiten. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een levensdelict, maar wel voor een vermogensdelict met een geweldscomponent.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage betreffende verdachte van 20 december 2016, opgemaakt door M. Hulshof, GZ-psycholoog, en N.J.M. Beuk, kinder- en jeugdpsychiater en psychiater volwassenen. Deze rapportage houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het klinisch observatieonderzoek. Op basis van het onderhavige onderzoek kan geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens worden vastgesteld, maar ook niet worden ontkracht. Op basis van de voorinformatie kan worden aangenomen dat er in het verleden bij verdachte sprake is geweest van gedragsproblemen, mogelijk in het kader van een (antisociale) gedragsstoornis en fors middelengebruik, maar in hoeverre daar ten tijde van het ten laste gelegde sprake van was, is niet onderzoekbaar gebleken. Gezien de beperkte medewerking en de vragen die er zijn omtrent de aanwezigheid van psychopathologie en een – indien aanwezig – eventuele doorwerking van de problematiek in de ten laste gelegde feiten, is het niet mogelijk om het recidiverisico van soortgelijke delicten vanuit eventuele problematiek te onderbouwen. Daarnaast is het niet mogelijk gebleken om een gestructureerde risicotaxatie te maken omdat er beperkt zicht is verkregen op het functioneren van verdachte in de afgelopen jaren. Vanwege de beperkingen van het onderzoek onthouden onderzoekers zich aldus van een advies ter preventie van recidive. Bij de bespreking van de onderzoeksresultaten heeft verdachte expliciet benoemd geen hulp vanuit de reclassering te verwachten en te wensen.

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Om verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is om als bijzondere voorwaarde op te nemen dat verdachte wordt verplicht tot maandelijks contact met zijn casusregisseur in het kader van de Top 600 Aanpak. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf een proeftijd van 2 (twee) jaren verbinden, nu de rechtbank geen aanleiding ziet om de proeftijd op 3 (drie) jaren vast te stellen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 63, 180, 266, 267 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

poging tot doodslag;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

wederspannigheid.

Verklaart het bewezene strafbaar.


Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Veroordeelde wordt verplicht tot maandelijks contact met zijn casusregisseur in het kader van de Top 600 aanpak, zijnde [persoon 2] van de Politie Amsterdam-Amstelland, zolang voornoemde [persoon 2] dit noodzakelijk acht.

De rechtbank geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. G.P.C. Janssen en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2017.