Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4165

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
13/665181-15 (A) en 13/669080-16 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man uit Aalsmeer is veroordeeld voor stalking van zijn ex-schoonzus en voor het bedreigen en belasteren van verschillende personen met wie hij een conflict had, waaronder een gezinsmanager van Jeugdbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/665181-15 (A) en 13/669080-16 (B)

Datum uitspraak: 16 juni 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [gba adres] wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2017.

1.2.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

1.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kersten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.E. Lof, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

ten aanzien van zaak A:

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, éénmaal of meermalen, zich voordoend als [slachtoffer 2] en/of [naam 2] ,

- voornoemde [slachtoffer 1] (een) tekstbericht(en) en/of (een) afbeelding(en) gestuurd via Facebook-messenger onder meer een naaktfoto van verdachte ( [verdachte] ) en/of "Dit is de eerste foto die online gaat luister je niet." en/of "Wij willen een filmpje van je anders gaat ook die foto van je zus online ik heb exact zo'n foto als van die eikel borsten kut kont alles zie je,

moet je zien als bewijs." en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] (een) tekstbericht(en) en/of (een) afbeelding(en) gestuurd per SMS onder meer "Heb jij dat virus verstuurd? ik heb nog steeds je fotos en de cam van je zus gehackt. die fotos gaan online tenzij jij filmpje maakt dat je je vingert totdat je klaarkomt." en/of "Filmpje naar [e-mail adres] ." en/of "Ik wil nog een keer neuken." en/of "Als ik geen foto van je kut krijg gaat er een brief naar [naam 3] aalsmeer." en/of [e-mail adres] je hebt 5 minuten." en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] (op één dag 120) tekstbericht(en) en/of afbeelding(en) gestuurd via Telegram onder meer "Hoi" en/of "Ik zag vandaag een e-mail van je zwager" en/of "ik wist niet dat het zo uit de hand zou lopen." en/of "klopt het dat hij een contactverbod heeft geregeld." en/of "ik wilde je alleen maar naakt zien.";

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten het Facebook –account van [slachtoffer 1] , heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [slachtoffer 1] te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn/is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, het Facebook-account van die [slachtoffer 1] (weer) online gezet en/of (vervolgens) voornoemd Facebook-account gebruikt om vrouwen te benaderen die een fotoshoot wilde doen voor geld;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2015 tot en met 30 juni 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten het Facebook Messenger-account en/of het (valse) e-mailadres [e-mail adres] van [slachtoffer 2] , heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [slachtoffer 2] te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn/is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook Messenger en/of [e-mail adres] (seksueel getinte en/of bedreigende) berichten verstuurd als ware hij, verdachte, die [slachtoffer 2] ;

4.

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met openlijk in vereniging geweld tegen personen en/of goederen en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "De bus van de buurman op huisnummer 67 wordt in de brand gestoken." en/of " [verdachte] moet zijn huis uit

anders gaat er nog iets ergs gebeuren. Ook [naam 4] en [naam 5] moeten hun huis vannacht uit. [verdachte] moet zijn huis uit anders steken wij zijn huis in de brand. [naam 5] de groeten.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december 2014 tot en met 22 december 2014 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 4] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel vanaf het e-mailadres: [e-mail adres] (door) gestuurd aan verschillende personen waarin wordt opgeroepen het huis van [verdachte] /verdachte in brand te

steken en/of [verdachte] /verdachte te vermoorden, althans (een) geschrift(en) (e-mails) verspreid, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was/waren;

6.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2015 tot en met 6 oktober 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 5] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel, vanaf het e-mailadres: [e-mail adres] een e-mail gestuurd naar

[e-mail adres] met daarin een tekst die er op wijst dat die [slachtoffer 5] verdachte/ [verdachte] en zijn gezin zou bedreigen, althans (een) geschrift(en) (e-mails) verspreid, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was/waren.

ten aanzien van zaak B:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 maart 2016 tot en met 21 april 2016 te Aalsmeer en/of Kudelstaart, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 6] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 6] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen (te weten het aangaan van een -seksuele- relatie), niet te doen, te dulden en/of vrees aan

te jagen, door die [slachtoffer 6] een (groot) aantal sms-berichten te sturen en/of een (groot) aantal Whatsapp-berichten (waaronder op of omstreeks 16 april 2016 een of meer berichten met de tekst(en) "Ik wil seks met je" en/of "Je vol spuiten" en/of "Sorry ik liet me gaan") te sturen en/of een (groot) aantal berichten door middel van Facebook Messenger te sturen;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van de Jeugdbescherming en/of [slachtoffer 7] heeft aangerand, door tenlastelegging van (een) bepaald feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij,

verdachte, met voormeld doel,

- op de nieuwssite dichtbij.nl een artikel geplaatst/laten plaatsen waarin staat dat een medewerkster van de Jeugdbescherming contact had opgenomen met de redactie om te vertellen dat verdachte [verdachte] zijn zoon half dood had geslagen en/of

- bij een externe klachtencommissie een klacht tegen die [slachtoffer 7] ingediend omdat die [slachtoffer 7] contact had opgenomen met de nieuwssite dichtbij.nl en/of,

- een (handgeschreven) brief van de Jeugdbescherming geschreven door [slachtoffer 7] vervalst, immers heeft hij, verdachte, die brief overgetypt en/of daarin excuses (voor het feit dat ze met iemand gesproken had over de casus/zaak van verdachte [verdachte] ) van die [slachtoffer 7] opgenomen, althans (een) geschrift(en) (via internet) verspreid, terwijl verdachte wist

dat dit/deze ten laste gelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

3.

hij op of omstreeks 09 april 2016 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, te weten het Facebook (Messenger)-account van [slachtoffer 8] onder de naam [naam 6] , heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [slachtoffer 8] te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook (Messenger) (seksueel getinte en/of bedreigende) berichten en/of

foto's verstuurd aan [naam ex-zwager] (zijn ex-zwager), als ware hij, verdachte, die [slachtoffer 8] ;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2015 tot en met 3 september 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 9] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel, uit naam van die [slachtoffer 9] via onder meer Facebook bedreigingen geuit in de

richting van verdachte/ [verdachte] en/of [naam 7] en/of e-mails vanaf het e-mailadres van die [slachtoffer 9] verstuurd naar kennissen en/of werkgever(s) van die [slachtoffer 9] met daarin onder meer bedreigende teksten in de richting van verdachte/ [verdachte] en/of [naam 7] en hun families, althans (een) geschrift(en) (berichten op internet) verspreid, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was/waren.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – kort gezegd – gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten met uitzondering van het in zaak B onder feit 4 ten laste gelegde, op grond van de aangiftes, processen-verbaal van bevindingen en, indien van toepassing, de getuigenverklaringen en het proces-verbaal digitaal onderzoek.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 in zaak B stelt de verdediging zich op het standpunt dat van een wederrechtelijk stelselmatig en opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 6] geen sprake is. Ten aanzien van de overige feiten voert de raadsman aan dat verdachte ontkent dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Er is in de computers, telefoons, USB-sticks, SD-servers en externe harde schijven van verdachte geen, althans geen direct, bewijs gevonden van hetgeen hem ten laste wordt gelegd. Het IP-adres [IP-adres] wordt door meerdere personen gebruikt, zodat daaruit niet de conclusie getrokken kan worden dat de berichten sowieso gestuurd zouden zijn door verdachte. Ook bieden de IMEI-nummers geen sluitend bewijs. Daarbij is het kinderlijk eenvoudig om een IMEI-nummer te veranderen met een zogenaamde IMEI-calculator. Tot slot heeft de politie een aantal specifieke vragen op het gebied van ICT onjuist beantwoord, hetgeen vragen oproept over het kennisniveau van de politie op dit vlak.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen in zaak B onder 1 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht volgens vaste jurisprudentie van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Uit het dossier volgt dat verdachte en aangeefster in de ten laste gelegde periode regelmatig contact met elkaar hebben gehad, zowel fysiek als telefonisch via WhatsApp en sms, waarbij in het begin van die periode sprake was van normaal contact over en weer. Uit het dossier valt verder af te leiden dat verdachte aangeefster in de periode van 16 april 2016 tot en met 21 april 2016 een stortvloed aan WhatsApp- en sms-berichten heeft gestuurd. Aangeefster heeft in deze periode te kennen gegeven dat verdachte haar met rust moest laten. Dit blijkt uit de verklaringen van zowel verdachte als aangeefster en uit de bijgevoegde screenshots van de berichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich tegenover aangeefster zodanig hinderlijk gedragen, dat sprake is geweest van een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Deze inbreuk had echter geen stelselmatig en wederrechtelijk karakter. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat kennelijk sprake is of is geweest van een affectieve relatie tussen verdachte en aangeefster, dat de stortvloed van berichten die zijn verzonden slechts gedurende een beperkt aantal dagen zijn verzonden en dat aangeefster zelf ook contact met verdachte heeft gezocht, bijvoorbeeld door verdachte te sms-en nadat verdachte haar op Whatsapp had geblokkeerd, waarmee zij op zijn minst tegenstrijdige signalen heeft afgegeven aan verdachte. Ook heeft het contact tussen verdachte en aangeefster, nadat aangeefster aangifte heeft gedaan, voortgeduurd zonder dat is gebleken van verdere problemen. Een en ander leidt tot het oordeel dat wat aan verdachte wordt verweten niet kan worden bewezen en dat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen wettig bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Belaging en identiteitsfraude [slachtoffer 1] (feit 1 en 2 zaak A)

In haar aangifte verklaart [slachtoffer 1] dat ze wordt gestalkt door [slachtoffer 2] en door [naam 2] . [naam 2] vraagt [slachtoffer 1] om foto’s en filmpjes van zichzelf te maken en aan hem te sturen, terwijl zij seksuele handelingen verricht met zichzelf. Als ze dat niet doet, zal hij naaktfoto’s van haar en/of haar zus openbaar maken en opsturen naar haar werkgever. Vlak daarvoor is [slachtoffer 1] via Facebook Messenger benaderd door de voor haar onbekende [slachtoffer 2] om in een ondergoedlijn van C&A te lopen. Op 16 mei 2015 ontvangt [slachtoffer 1] van [slachtoffer 2] een naaktfoto van haar zwager [verdachte] , waarbij [slachtoffer 2] dreigt de foto openbaar te maken als [slachtoffer 1] niet luistert. Kort daarna wordt [slachtoffer 1] benaderd door het nummer [telefoonnummer] . De inhoud van de berichten sluit aan bij de berichten die ze eerder van [naam 2] en van [slachtoffer 2] heeft ontvangen. Er wordt eveneens gedreigd foto’s online te zetten en ook wordt er gevraagd filmpjes van seksuele handelingen te sturen naar [e-mail adres] . Tevens staat in een bericht het wachtwoord van de hotmailaccount van [slachtoffer 1] . Op 5 juni 2015 is [slachtoffer 1] ongeveer 120 keer benaderd door het nummer [telefoonnummer] . De inhoud van die berichten sluit aan bij de inhoud van de berichten afkomstig van [naam 2] . Ook wordt in de berichten een e-mailbericht aangehaald over een chatsessie met verdachte. Op 3 september 2015 doet [slachtoffer 1] voor de tweede keer aangifte, omdat er vreemde dingen gebeurden met haar Facebook-account. [slachtoffer 1] heeft haar account offline gehaald, maar een paar dagen later bleek dat deze weer online stond. Aan het account is het nummer [telefoonnummer] gekoppeld.

Uit het onderzoek volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld aan het Facebook-account van [slachtoffer 1] en dat het nummer op Telegram is gekoppeld aan het account van [naam 2] . In een sms-bericht vanaf het nummer [telefoonnummer] wordt verwezen naar een eerder verstuurd sms-bericht met daarin het wachtwoord voor de Hotmail-account van [slachtoffer 1] . Dit laatste sms-bericht was echter afkomstig van het nummer [telefoonnummer] . Hieruit kan een verband tussen de gebruiker van deze twee nummers worden afgeleid. Uit onderzoek naar de identiteit van [naam 2] is gebleken dat dit een fictief persoon betreft. Uit onderzoek naar de Samsung telefoon aangetroffen bij verdachte met IMEI-nummer [nummer] is gebleken dat daar verschillende SIM-kaarten in hebben gezeten, te weten [telefoonnummer] (het nummer van verdachte), [telefoonnummer] (nummer van [naam 2] ) en [telefoonnummer] (nummer van [naam 2] ). Verder is op de computer van verdachte zowel een profielfoto van “ [naam 2] ” aangetroffen als het e-mailadres [e-mail adres] .

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon is die onder de naam van [naam 2] berichten heeft verstuurd. De rechtbank vindt bovendien steun voor deze gevolgtrekking in het feit dat de verzender van deze berichten kennelijk beschikte over een naaktfoto van verdachte. Verdachte heeft desgevraagd op zitting geen plausibele verklaring kunnen geven over hoe derden over een dergelijke foto zouden kunnen beschikken. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen heeft benaderd onder de (valse) namen [naam 2] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht bewezen dat verdachte door bovengenoemde wijze van handelen [slachtoffer 1] heeft belaagd. Door de frequentie van de berichten en de inhoud daarvan, heeft verdachte stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Deze inbreuk was bovendien wederrechtelijk. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude door gebruik te maken van de persoonsgegevens van [slachtoffer 1] en deze gegevens te gebruiken om haar Facebook-account te hacken.

Identiteitsfraude [slachtoffer 2] ( feit 3 zaak A)

In haar aangifte verklaart [slachtoffer 2] dat haar personalia zijn gebruikt om vanaf een fake account op haar naam diverse seksueel getinte berichten en een naaktfoto van verdachte te versturen naar onder meer [slachtoffer 1] . In een bericht verstuurd via Facebook Messenger vanuit het fake account van [slachtoffer 2] wordt er gerefereerd aan “ [naam 2] ”. Op de computer van verdachte zijn de twee afbeeldingen welke zijn gebruikt op het account van [slachtoffer 2] aangetroffen.

Op grond van bovengenoemde aangifte in combinatie met de vaststelling dat verdachte de persoon achter [naam 2] is en de aangetroffen foto’s op de computer van verdachte komt de rechtbank tot het oordeel dat bewezen is dat verdachte zich tegenover [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude. Verdachte heeft willens en wetens en zonder toestemming van [slachtoffer 2] haar naam en andere persoonlijke gegevens gebruikt om vervolgens onder haar naam een vals account aan te maken en vanuit daar contact met [slachtoffer 1] op te nemen.

Bedreiging [slachtoffer 3] (feit 4 zaak A)

De heer [slachtoffer 3] heeft op 30 mei 2015 aangifte gedaan van telefonische bedreiging met de woorden “De bus van de buurman op huisnummer 67 word in brand gestoken”. Hierbij is gebeld met het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft vastgesteld is het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik geweest bij verdachte. Dit gegeven, in combinatie met de aangifte en de omstandigheid dat verdachte en aangever destijds buren waren, maakt dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met brandstichting.

Laster [slachtoffer 4] (feit 5 zaak A)

De heer [slachtoffer 4] verklaart in zijn aangifte dat er uit zijn naam via het e-mailadres [e-mail adres] berichten zijn verstuurd naar diverse mensen waarin verdachte wordt bedreigd. [slachtoffer 4] geeft daarbij te kennen dat hij de berichten niet zelf heeft verstuurd. Uit onderzoek in de computer van verdachte blijkt dat het e-mailaccount “ [e-mail adres] ” daarin voorkomt en dat er vanuit dat adres een e-mail is doorgestuurd.

Op grond van bovenstaande aangifte en het aangetroffen e-mailaccount in de computer van verdachte kan bewezen worden dat verdachte de goede naam van [slachtoffer 4] heeft aangetast en zich daarmee schuldig heeft gemaakt laster. Verdachte heeft immers gehandeld met het kennelijke doel aan de inhoud van zijn e-mails ruchtbaarheid te geven.

Laster [slachtoffer 5] (feit 6 zaak A)

Op 12 oktober 2015 heeft [slachtoffer 5] aangifte gedaan, omdat er vanaf het e-mailadres [e-mail adres] berichten zijn gestuurd naar het e-mailadres [e-mail adres] , waarin er op gewezen wordt dat [slachtoffer 5] verdachte en zijn gezin zou bedreigen. Het e-mailaccount komt voor op de computer van verdachte, zoals volgt uit onderzoek van de digitaal rechercheurs.

Op grond van bovenstaande aangifte en het aangetroffen e-mailaccount in de computer van verdachte kan bewezen worden dat verdachte de goede naam van [slachtoffer 5] heeft aangetast en zich daarmee schuldig heeft gemaakt laster. Verdachte heeft immers gehandeld met het kennelijke doel aan de inhoud van zijn e-mails ruchtbaarheid te geven.

Laster [slachtoffer 7] (feit 2 zaak B)

Op 11 maart 2016 heeft [naam 8] namens Jeugdbescherming aangifte gedaan van smaad en laster. Uit de aangifte blijkt dat [slachtoffer 7] als gezinsmanager voor het gezin [verdachte] is aangewezen. Verdachte beschuldigde [slachtoffer 7] dat zij contact had opgenomen met dichtbij.nl en daar dingen over het gezin heeft verteld. Verdachte heeft daarover een klacht ingediend. In februari 2016 heeft [slachtoffer 8] (de toenmalig partner van verdachte) contact opgenomen met [slachtoffer 7] . Zij vertelde dat er waarschijnlijk was gerommeld met de brief van [slachtoffer 7] aan de familie [verdachte] . Een begeleidend schrijven bij een tekst was omgezet in een getypte brief. In dit begeleidend schrijven zou [slachtoffer 7] haar excuses aanbieden voor het feit dat zij gelekt heeft in de richting van de media. Deze brief is nooit door [slachtoffer 7] geschreven. [slachtoffer 8] geeft aan dat zij de envelop van Jeugdbescherming uit de brievenbus heeft gehaald en de brief aan verdachte heeft laten lezen. Verdachte is er vervolgens mee naar zijn kantoor gegaan en heeft daar de hele avond verbleven. Op de vrijdag daarna lag er een andere brief op tafel waarin [slachtoffer 7] excuses aanbood voor het opzoeken van de media. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat het artikel op internet niet te vinden is en nooit door de redacteur, die staat vermeld in het artikel, is geschreven of op hun site is geplaatst.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de brief van de Jeugdbescherming geschreven door [slachtoffer 7] heeft vervalst. De rechtbank komt hiertoe op grond van de verklaring van [slachtoffer 8] , die te kennen geeft dat de oorspronkelijke brief afwijkt van de brief waarin [slachtoffer 7] excuses zou maken, en de verklaring van [slachtoffer 7] , dat zij de brief niet zo heeft geschreven. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte de goede naam van de Jeugdbescherming en van [slachtoffer 7] heeft aangetast door een klacht bij de klachtencommissie in te dienen aangaande [slachtoffer 7] , terwijl de grond van de klacht, het contact opnemen met de nieuwssite dichtbij.nl, onjuist is – het artikel is daarop immers nooit gepubliceerd.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan laster.

Identiteitsfraude [slachtoffer 8] (feit 3 zaak B)

In haar aangifte verklaart [slachtoffer 8] , de ex-echtgenote van verdachte, dat verdachte naaktfoto’s van haar en haar zus ( [slachtoffer 1] ) aan [naam ex-zwager] heeft gestuurd. [naam ex-zwager] , de ex van aangeefsters andere zus [naam zus] , heeft de foto’s ontvangen van iemand die het Facebook-account op naam van [naam 6] gebruikte, waarbij de afzender deed voorkomen alsof hij [slachtoffer 8] was. [slachtoffer 8] verklaart dat de pagina van verdachte is en verdachte bevestigt dat hij het account heeft aangemaakt.

Op grond van bovenstaande aangifte, de getuigenverklaring van [naam ex-zwager] en de verklaring van verdachte kan bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt van identiteitsfraude. Verdachte heeft willens en wetens en zonder toestemming van [slachtoffer 8] haar persoonlijke gegevens gebruikt om vervolgens onder haar naam contact op te nemen met [naam ex-zwager] .

Laster [slachtoffer 9] (feit 4 zaak B)

In zijn aangifte van 24 april 2015 verklaart [slachtoffer 9] dat hij wegens economische redenen is ontslagen bij het bedrijf van [naam 7] , de oom van verdachte. Verdachte trad op dat moment op als juridisch adviseur van het bedrijf. Op een gegeven moment verschijnen er op Facebook berichten (geplaatst door iemand dit zich uitgaf als [slachtoffer 9] ) met bedreigende teksten gericht aan zowel [naam 7] als verdachte. Tevens verschijnt er een bericht op dichtbij.nl, welke eveneens door [slachtoffer 9] zou zijn geplaatst, met de tekst “een mensenmens? Vieze kankerhomo! [naam 9] , [naam 10] en [naam 11] zullen gaan voelen dat ze je steunen!! Ik kom vandaag langs met een geladen geweer.” Op 3 september 2015 doet [slachtoffer 9] opnieuw aangifte, omdat zijn nieuwe werkgever een mail heeft ontvangen met diverse bedreigende teksten. [slachtoffer 9] geeft te kennen ook deze mail niet te hebben gestuurd.

De rechtbank stelt vast dat de kantonrechter in de ontslagprocedure [slachtoffer 9] in het gelijk heeft gesteld. Daarmee staat voldoende vast dat [slachtoffer 9] de dreigende berichten via Facebook niet zelf heeft verstuurd naar [naam 7] , verdachte, kennissen en zijn nieuwe werkgever. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan laster tegenover [slachtoffer 9] . Daarbij gebruikt de rechtbank voor het bewijs van dit feit de aangiftes van [slachtoffer 9] en verklaringen van diverse personen die aangeven dat verdachte degene is geweest die deze bedreigingen via Facebook moet hebben geuit uit naam van [slachtoffer 9] . Tevens gebruikt de rechtbank de bewijsmiddelen uit de hiervoor aanhaalde feiten, als zogenoemd schakelbewijs. De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan voornoemde bewezen geachte feiten kunnen dienen als schakelbewijs voor de laster tegenover [slachtoffer 9] , omdat sprake is van een herkenbare, specifieke modus operandi van verdachte. Er blijkt sprake te zijn van een vast patroon waarbij verdachte meent een probleem te hebben met iemand in zijn directe omgeving. Verdachte verstuurt vervolgens berichten onder naam van die ander waarbij bedreigingen worden geuit waardoor de zogenaamde verzender in diskrediet wordt gebracht bij derden. Opvallend is dat de bedreigingen vaak ook zien op het bedreigen van verdachte zelf. Zo luidt één van de e-mails: “Als ik die [verdachte] of [naam 7] tegen kom maak ik ze af.”, waarbij kennelijk gedoeld wordt op verdachte en zijn oom [naam 7] . Dit komt ook voor bij bedreigingen in andere zaken die ten laste zijn gelegd.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde

1.

in de periode van 1 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 te Aalsmeer, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, zich voordoend als [slachtoffer 2] en [naam 2] ,

- voornoemde [slachtoffer 1] tekstberichten en afbeeldingen gestuurd via Facebook-messenger onder meer een naaktfoto van verdachte ( [verdachte] ) en "Dit is de eerste foto die online gaat luister je niet." en "Wij willen een filmpje van je anders gaat ook die foto van je zus online ik heb exact zo'n foto als van die eikel borsten kut kont alles zie je, moet je zien als bewijs." en

- voornoemde [slachtoffer 1] tekstberichten gestuurd per SMS onder meer "Heb jij dat virus verstuurd? ik heb nog steeds je fotos en de cam van je zus gehackt. die fotos gaan online tenzij jij filmpje maakt dat je je vingert totdat je klaarkomt." en "Filmpje naar [e-mail adres] ." en "Ik wil nog een keer neuken." en "Als ik geen foto van je kut krijg gaat er een brief naar [naam 3] aalsmeer." en “ [e-mail adres] je hebt 5 minuten." en

- voornoemde [slachtoffer 1] (op één dag 120) tekstberichten gestuurd via Telegram onder meer "Hoi" en "Ik zag vandaag een e-mail van je zwager" en "ik wist niet dat het zo uit de hand zou lopen." En "klopt het dat hij een contactverbod heeft geregeld." En "ik wilde je alleen maar naakt zien.";

2.

in de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten het Facebook-account van [slachtoffer 1] , heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, het Facebook-account van die [slachtoffer 1] online gezet en vervolgens voornoemd Facebook-account gebruikt om vrouwen te benaderen die een fotoshoot wilde doen voor geld;

3.

in de periode van 1 april 2015 tot en met 30 juni 2015 in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten het Facebook Messenger-account en het valse e-mailadres [e-mail adres] van [slachtoffer 2] , heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook Messenger en [e-mail adres] seksueel getinte en bedreigende berichten verstuurd als ware hij, verdachte, die [slachtoffer 2] ;

4.

op 11 mei 2015 te Aalsmeer, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "De bus van de buurman op huisnummer 67 wordt in de brand gestoken.";

5.

in de periode van 21 december 2014 tot en met 22 december 2014 in Nederland, opzettelijk, de goede naam van [slachtoffer 4] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel vanaf het e-mailadres: [e-mail adres] gestuurd aan verschillende personen waarin wordt opgeroepen het huis van [verdachte] /verdachte in brand te steken en [verdachte] /verdachte te vermoorden, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was;

6.

in de periode van 28 september 2015 tot en met 6 oktober 2015 in Nederland, opzettelijk, de goede naam van [slachtoffer 5] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel, vanaf het e-mailadres: [e-mail adres] een e-mail gestuurd naar [e-mail adres] met daarin een tekst die er op wijst dat die [slachtoffer 5] verdachte/ [verdachte] en zijn gezin zou bedreigen, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was;

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

2.

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 te Aalsmeer, opzettelijk, de goede naam van [slachtoffer 7] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel,

- bij een externe klachtencommissie een klacht tegen die [slachtoffer 7] ingediend omdat die [slachtoffer 7] contact had opgenomen met de nieuwssite dichtbij.nl en,

- een brief van de Jeugdbescherming geschreven door [slachtoffer 7] vervalst, immers heeft hij, verdachte, die brief overgetypt en daarin excuses (voor het feit dat ze met iemand gesproken had over de casus van verdachte [verdachte] ) van die [slachtoffer 7] opgenomen, terwijl verdachte wist

dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was;

3.

op 9 april 2016 te Aalsmeer, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, te weten het Facebook (Messenger)-account van [slachtoffer 8] onder de naam [naam 6] , heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook (Messenger) seksueel getinte berichten en foto's verstuurd aan [naam ex-zwager] (zijn ex-zwager), als ware hij, verdachte, die [slachtoffer 8] ;

4.

in de periode van 20 april 2015 tot en met 3 september 2015 in Nederland, opzettelijk, de goede naam van [slachtoffer 9] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel, uit naam van die [slachtoffer 9] via onder meer Facebook bedreigingen geuit in de richting van verdachte/ [verdachte] en [naam 7] en e-mails vanaf het e-mailadres van die [slachtoffer 9] verstuurd naar kennissen en werkgevers van die [slachtoffer 9] met daarin onder meer bedreigende teksten in de richting van verdachte/ [verdachte] en [naam 7] en hun families, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, is verzocht om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging met brandstichting en meermalen aan laster en identiteitsfraude. De laster bestond uit vele seksuele getinte berichten en dreigberichten, en het feitelijk onjuiste gegevens verspreiden waardoor mensen reputatieschade ondervinden. Hij heeft daarmee op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verschillende aangevers. Dat de impact van de gedragingen van verdachte groot is geweest bij de aangevers, blijkt onder meer uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 9] , zoals ter terechtzitting voorgedragen. Zo schrijft [slachtoffer 1] dat zij het nog steeds moeilijk vindt om over de situatie te praten. [slachtoffer 9] verklaart dat hetgeen hem is overkomen te bizar voor woorden is. Hij is tot twee keer toe zijn baan kwijt geraakt. Hij is op staande voet ontslagen als gevolg van de berichten die onder zijn naam aan zijn werkgever zijn verstuurd. Toen hij zei dat hij die berichten niet had verstuurd, werd hij niet geloofd. Niet alleen financieel maar ook persoonlijk is hij daardoor diep getroffen. “Dit gun je niemand”, verklaarde hij.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 mei 2017 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Uit de veelheid aan feiten en het structurele karakter van de identiteitsfraude leidt de rechtbank echter toch een hoog recidiverisico af.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitie rapport van 22 augustus 2016 van O. Stam , GZ-psycholoog i.o. en het Pro Justitia rapport van 31 augustus 2016 van M.C. Heus , psychiater. Beide deskundigen stellen vast dat vanwege de beperkte medewerking van verdachte geen diagnostische conclusies kunnen worden getrokken. Dit was voor de officier van justitie aanleiding om ten aanzien van de straf geen bijzondere voorwaarden te eisen.

Uit de huidige onderzoeken komt echter wel naar voren dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat er bij verdachte sprake is van psychische problematiek, waarbij gedacht wordt aan een stemmingsstoornis in het kader van persoonlijkheidsstoornis, dan wel een aanpassingsstoornis.

Gelet op de ernst en vooral de veelvoud aan feiten, zou het in beginsel passend zijn om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De bevindingen van de onderzoekers dat waarschijnlijk sprake is van - naar de indruk van de rechtbank: stevige -psychische problematiek vormen voor de rechtbank evenwel aanleiding om, zoals de officier ook eiste - te volstaan met een maximale werkstraf en een vooralsnog voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dat de in beginsel op te leggen gevangenisstraf vooralsnog achterwege blijft valt echter enkel en alleen te rechtvaardigen, als verdachte meewerkt aan diagnose en behandeling van deze psychische problematiek. De rechtbank acht dit noodzakelijk om de kans op recidive op een zinvolle manier te verkleinen. De rechtbank zal daarom

bijzondere voorwaarden op leggen waardoor verdachte verplicht wordt om mee te werken aan diagnostisch onderzoek en aan eventuele behandelingen die blijkens dat onderzoek aangewezen zijn. Ter zitting heeft de verdachte aangegeven dat, als het moet, hij wel mee zal werken aan psychologisch onderzoek en behandeling. De rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat het zinloos zal zijn om deze bijzondere voorwaarden te stellen. De rechtbank wijkt hierin af van de officier van justitie.

Al het voorgaande afwegend acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, plus een taakstraf van maximale duur (240 uur) passend en geboden. Als bijzondere voorwaarden worden opgelegd een meldplicht, het houden aan aanwijzingen van de reclassering ook als dit een behandeling inhoudt en het meewerken aan onderzoek naar zijn psychische gesteldheid. De rechtbank acht daarbij een proeftijd van drie jaar op zijn plaats. Gelet op het recidivegevaar legt de rechtbank een langere proeftijd dan gebruikelijk op.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

[slachtoffer 8]

De benadeelde partij vordert met betrekking tot het in zaak B onder 3 ten laste gelegde een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 7.500,-, € 5.000,- of € 2.500,-, althans een bedrag dat de rechtbank passend acht.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot afwijzing van vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, omdat hij vrijspraak bepleit. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt het volgende. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4.4. in zaak B bewezen geachte feit 3, rechtstreeks schade geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro)schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.2.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij vordert met betrekking tot het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van een bedrag van € 1.000,00. De raadsman heeft bepleit dat de vordering sterk moet worden gematigd.

De rechtbank overweegt het volgende. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 4.4. in zaak A bewezen geachte feiten 1 en 2, rechtstreeks schade geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro). Voornoemd bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.3.

[slachtoffer 9]

De benadeelde partij vordert met betrekking tot het in zaak B onder 4 ten laste gelegde in totaal € 8.187,63,- aan materiële schadevergoeding (bestaande uit misgelopen inkomsten van € 7.203,45, reiskosten van € 29,58, verletkosten van € 640,- en advocaatkosten van € 314,60 plus bijkomende kosten voor het bijwonen van de zitting) en € 4.060,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij, aangezien zij heeft betoogd dat verdachte van feit 4 in zaak B moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft bepleit dat de post ten aanzien van de misgelopen inkomsten moet worden afgewezen, omdat de benadeelde partij na het vonnis van de kantonrechter alsnog een uitkering had kunnen aanvragen.

De rechtbank overweegt het volgende.

- Materiële schade

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4.4. in zaak B bewezen geachte feit 4, rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Anders dan de raadsman van verdachte heeft bepleit acht de rechtbank de kosten voor misgelopen inkomsten toewijsbaar. De kosten zijn goed onderbouwd en de raadsman van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting nader toegelicht dat het niet mogelijk is om alsnog met terugwerkende kracht een uitkering aan te vragen over die periode. De reiskosten komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank acht het redelijk en billijk om ten aanzien van de verletkosten een bedrag van € 160,- toe te wijzen. De rechtbank begrijpt de vordering voor de advocaatkosten aldus dat dit een vordering zoals bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) betreft en zal deze na de vordering tot immateriële schadevergoeding beoordelen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 7.393,03 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

- Immateriële schade

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4.4. in zaak B bewezen geachte feit 4, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.000,- (duizend euro).. Voornoemd bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

- Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde voor een bedrag van in totaal € 8.393,03 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

- Kosten voor rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Sv. Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief,1 uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 750,00 (3 punten à € 250,00).

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 231b, 262, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 in zaak A

- belaging

ten aanzien van feit 2 en 3 in zaak A en ten aanzien van feit 3 in zaak B

- identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van de ander te misbruiken, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 4 in zaak A

- bedreiging met brandstichting

ten aanzien van feit 5 en 6 in zaak A en ten aanzien van feit 2 en feit 4 in zaak B

- laster, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam moet melden, zolang en zo frequent als de reclassering dit wenselijk acht;

2. zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering zolang de reclassering dit wenselijk acht ook als dat een behandeling inhoudt;

3. zal meewerken aan een onderzoek door een of meer (gedrags)deskundigen om zijn psychische diagnose vast te stellen.

Geeft Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Benadeelde partijen:

[slachtoffer 8]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] , wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 8] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 8] , te betalen de som van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

[slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro) bestaande uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 2.000,- (tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

[slachtoffer 9]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] , wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 7.393,03 (zevenduizenddriehonderddrieënnegentig euro en drie cent) aan materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 9] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] , te betalen de som van € 7.393,03 (zevenduizenddriehonderddrieënnegentig euro en drie cent) aan materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 77 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte in de advocaatkosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van € 750,-.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.A.J. Purcell, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en M.R.J. van Wel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2017.

1 Bij de toepassing van het liquidatietarief dient aansluiting te worden gezocht bij de competentieregels voor de civielrechtelijke procedure. Dat wil zeggen dat voor vorderingen tot en met € 25.000,- het Liquidatietarief kanton (http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Landelijke-regelingen/Sector-kantonrecht/Pages/Staffel-incasso-kosten-en-salarissen-in-rolzaken-sector-kanton.aspx) (zie de staffel salarissen in rolzaken) wordt gehanteerd en voor vorderingen boven € 25.000,- het Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven (http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Landelijke-regelingen/Sector-civiel-recht/Pages/Liquidatietarief-rechtbanken-en-gerechtshoven.aspx).