Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4146

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AMS 17/1415
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De uitkering van eiser is ingetrokken omdat hij geen hoofdverblijf zou hebben op zijn adres. Verweerder baseert deze conclusie op het lage verbruik van gas, water en elektriciteit. Dit wordt niet betwist door eiser, maar hij geeft wel uitleg voor de reden van zijn lage verbruik. Verweerder gaat niet in op deze uitleg. Daarnaast blijkt uit vaste jurisprudentie dat het lage verbruik van water, gas en energie op zichzelf genomen weliswaar het vermoeden rechtvaardigt dat iemand niet op het door hem opgegeven adres woont, maar dat is onvoldoende om daarop de intrekking van de bijstand te baseren. In dit kader is van belang dat het argument dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hoeveel dagen hij bij zijn ex verblijft, geen argument kan zijn voor het standpunt van verweerder dat eiser geen hoofdverblijf heeft in zijn woning. Immers, in hetzelfde besluit neemt verweerder ook aan dat eiser en zijn ex-vrouw geen gezamenlijke huishouding voeren. Er is dus sprake van onvoldoende onderzoek door verweerder en het besluit is ondeugdelijke gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2017 de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. K.R. Lieuw On),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: drs. H. van Golberdinge).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 28 november 2015 ingetrokken. Eiser heeft op 16 december 2016 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1960 en ontvangt sinds 25 januari 1999 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.

1.2

In het kader van het project ‘’Zoeklicht’’ heeft verweerder gecontroleerd of de opgegeven woonsituatie van eiser en inschrijvingen in onder meer de Basisregistratie Personen overeenkomen met de daadwerkelijke situatie. Het adres van eiser werd opgenomen in het project vanwege een melding dat de hoofdhuurder niet op het uitkeringsadres aan [straat 1] zou wonen, maar bij zijn ex-vrouw aan de [straat 2] Dit vormde voor verweerder aanleiding om een onderzoek in te stellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie van eiser. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen alleenstaande woonsituatie, met afsluitdatum 1 december 2016.

1.3

Op basis van de onderzoeksbevindingen in het rapport heeft verweerder bij besluit van 23 november 2016 het recht op bijstand van eiser opgeschort. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 5 december 2016 met ingang vang 28 november 2015 het recht op bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 8.229,28 van hem teruggevorderd.

1.4

Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk hoofdverblijf houdt op het door hem opgegeven uitkeringsadres. Uit onderzoek is gebleken dat eisers verbruik van gas, water en elektriciteit een jaar zodanig laag is, dat zij het niet aannemelijk vinden dat eiser daadwerkelijk hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Het waterverbruik van eiser was over de periode 13 april 2015 tot en met 10 april 2016 5m3. Het elektriciteitsverbruik was in de periode van 6 juni 2015 tot en met 8 juni 2016 470 kWh. Het gasgebruik was in dezelfde periode 99m3. Dit is ruim onder het gemiddelde verbruik volgens het NIBUD. Tijdens het gesprek met handhaving op 28 november 2016 legt eiser wisselende verklaringen af over het aantal dagen dat hij bij zijn ex-vrouw op visite gaat. Zijn woonsituatie acht verweerder daarom niet aannemelijk. Eiser heeft niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.5

Eiser voert aan dat hij hoofdverblijf houdt op het uitkeringsadres. Het zeer laag verbruik van gas, water en elektriciteit verklaart hij als volgt. Hij wast zijn kleding op zijn werk en doucht bij zijn ex-vrouw. Daarnaast is hij niet vaak thuis, omdat hij ongeveer 20 uur per week werkt, op bezoek gaat bij zijn vrienden en naar de moskee gaat. Het gemiddeld verbruik toont op geen enkele manier dat eiser niet zou wonen op het uitkeringsadres. Eiser heeft contact met zijn ex-vrouw en gaat drie dagen in de week langs bij haar. Ter zitting geeft hij aan dat hij niet bij zijn ex-vrouw slaapt.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.1

In artikel 17, eerste lid, van de Pw is de zogenaamde inlichtingenplicht vastgelegd. Hierin staat – samengevat – dat de belanghebbende uit zichzelf of op verzoek van verweerder alle feiten en omstandigheden meldt waarvan hij weet of zou moeten weten dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand.

Komt de belanghebbende deze verplichting niet of niet behoorlijk na, en heeft dat geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, dan volgt uit het bepaalde in artikel 54 lid, derde lid, van de Pw, dat het college het besluit tot het toekennen van bijstand herziet of intrekt.

Hetgeen teveel aan bijstand is betaald, wordt op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw teruggevorderd.

2.2

De te beoordelen periode loopt van 28 november 2015 tot en met 5 december 2016.

2.3

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) gaat het bij de besluiten inzake intrekking van bijstand om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast met betrekking tot het standpunt van verweerder dat eiser onjuiste informatie heeft verschaft omtrent zijn woon- en leefsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld in beginsel op verweerder rust.

2.4

Op grond van de jurisprudentie dient de vraag naar hoofdverblijf te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3569. In geschil is de vraag of eiser in de beoordelingsperiode hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

3.1

Met betrekking tot de intrekking van de uitkering over de periode van 28 november 2015 tot en met 5 december 2016 is verweerder er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aan te tonen dat eiser niet zijn hoofdverblijf in de woning aan [straat 1] had. Verweerder is op 13 mei 2016 een onderzoek gestart om vast te stellen of eiser zijn hoofdverblijf had aan [straat 1] . In het kader van dit onderzoek heeft verweerder het verbruik van gas, water en elektriciteit van eiser opgevraagd. Uit onderzoek is gebleken dat het verbruik van eiser ver onder het gemiddelde van een vergelijkbaar huishouden is. Uitgaande van een gemiddeld verbruik zoals genoemd in het bestreden besluit, is het verbruik van eiser in de periode in geding door verweerder terecht als zeer laag aangemerkt. Dit wordt ook niet betwist door eiser, maar eiser geeft hier als uitleg voor dat hij zijn kleding op zijn werk wast en doucht bij zijn ex-vrouw waar hij drie dagen per week de hele dag verblijft. Daarnaast is hij niet vaak thuis, omdat hij ongeveer 20 uur per week werkt, op bezoek gaat bij zijn vrienden en naar de moskee gaat. Hiermee heeft eiser uitleg gegeven voor de reden van zijn lage energieverbruik. Verweerder betwist deze uitleg niet en motiveert ook niet waarom het zelfs met de uitleg van eiser onmogelijk is om met zijn verbruikscijfers hoofdverblijf te hebben op het adres aan [straat 1] . Daarbij komt dat het lage verbruik van water, gas en energie op zichzelf genomen weliswaar het vermoeden rechtvaardigt dat eiser niet op het door hem opgegeven adres woont, maar dat is onvoldoende om daarop de intrekking van de bijstand te baseren. Zie hiervoor de uitspraak van de Raad van 28 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV7187). Wat betreft de tegenstrijdige verklaringen die eiser zou hebben gegeven over het verblijf bij zijn ex-vrouw, merkt de rechtbank nog op dat verweerder hier geen duidelijke conclusies aan verbindt in het bestreden besluit. Voor zover verweerder dit als argument hanteert voor de stelling dat eiser geen hoofdverblijf heeft aan [straat 1] , acht de rechtbank dit bevreemdend. Uit het bestreden besluit volgt immers dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met eisers ex-vrouw op haar adres. Gelet hierop gaat verweerder er vanuit dat eiser zijn hoofdverblijf niet bij zijn ex heeft, zodat dit geen argument kan zijn voor het standpunt van verweerder dat eiser zijn hoofdverblijf niet in de woning aan [straat 1] heeft. De stelling van verweerder ter zitting dat in de besluitvorming het buurtonderzoek is betrokken, volgt de rechtbank niet nu dit op geen enkele wijze uit het bestreden besluit blijkt. De conclusie van verweerder dat eiser in de beoordelingsperiode niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, berust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een ontoereikende feitelijke grondslag nu de onderzoeksgegevens onvoldoende duidelijkheid verschaffen.

3.2

Gelet op het vorenstaande is er sprake van een onzorgvuldig onderzoek en is het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit wordt vernietigd nu dit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien omdat enerzijds thans onvoldoende vast staat dat verweerder het geconstateerde gebrek niet zal kunnen repareren en anderzijds voor dat herstel wellicht nader onderzoek door verweerder zal dienen te worden uitgevoerd. Het is aan verweerder om te bepalen of een dergelijk onderzoek opportuun is. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het toepassen van een bestuurlijke lus niet de aangewezen weg. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van D. Sevil, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.