Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4137

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
AMS 16/5950
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2043, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De politiekorpschef heeft de nabestaanden van een 42-jarige man terecht volledige inzage geweigerd in e-mails over de zaak. De man overleed in juni 2015, kort nadat hij door de Haagse politie was gearresteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2017/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5950

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , wonende te [woonplaats] en

[eiser 4] , wonende te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde mr. R.A. Korver)

en

De korpschef van politie, verweerder,

(gemachtigde mr. S. Denneman).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 4 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd heeft verweerder overgelegd met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens is een verweerschrift ingediend.


Eisers hebben de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Eiseressen [eisers 1 t/m 3] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiser [eiser 4] is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en standpunt partijen

1.1.

Bij brief van 9 februari 2016 hebben eisers, nabestaanden van wijlen de heer [naam] , die op 27 juni 2015 kort na een arrestatie in [woonplaats] waarbij politiegeweld is toegepast, om het leven is gekomen, een verzoek ingediend op grond van de Wob. Hierbij is verzocht om, samengevat weergegeven, openbaarmaking van gegevens betreffende de rechtsbijstand die is verleend aan agenten die naar aanleiding van de arrestatie en het overlijden van [naam] als verdachte, dan wel als getuige zijn aangemerkt.

1.2.

Eisers verzoeken om alle informatie die verweerder in bezit heeft, waaronder de opdrachtverstrekking, informatie over wie deze opdracht heeft gegeven, alle informatie die hierover is uitgewisseld tussen verweerder en het advocatenkantoor alsmede alle informatie met betrekking tot enig contact dat hierover is geweest met andere overheidsinstellingen, danwel politiek verantwoordelijken, zoals de rijksrecherche, het openbaar ministerie en de minister en/of staatssecretaris.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eisers gedeeltelijk toegewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat op basis van het verzoek van eisers de volgende documenten en emailwisselingen zijn aangetroffen die vallen onder de reikwijdte van het verzoek:
1. Brief van 17 december 2008 van advocatenkantoor Sjöcrona en Van Stigt;

2. Besluitformulier 2012.057;

3. Besluitenlijst van overleg van de korpsdirectie van Politie Haaglanden van 12 juni 2012;

4. Verslag van de agendacommissie van de OR van 2 juli 2012;

5. Emailwisseling tussen medewerkers van het VIK (Veiligheid, Integriteit en Klachten) van de eenheid Den Haag en medewerkers van Juridische Zaken van het politiekorps Den Haag ;

6. Emailwisseling van medewerkers van Juridische Zaken van de eenheid Den Haag met de contactpersoon van advocatenkantoor Sjöcrona en Van Stigt. De doorzending van de onder 5. genoemde mailberichten.

1.4.

Documenten 1 tot en met 4 zijn deels aan eisers verstrekt. In documenten 2, 3 en 4 zijn passages die niet zien op het verzoek van eisers weggehaald. Documenten 5 en 6 (hierna tezamen aangeduid als de emailwisseling) zijn niet openbaar gemaakt. Verweerder heeft openbaarmaking van een deel van de stukken geweigerd met een beroep op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob) en op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden (artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob).

1.5.

Bij het bestreden besluit is de emailwisseling alsnog gedeeltelijk openbaar gemaakt en is overwogen dat persoonsgegevens van politieambtenaren en informatie die in combinatie met andere informatie herleidbaar kan zijn tot personen, niet openbaar worden gemaakt omdat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van voorkomen van onevenredige benadeling, zich tegen het openbaar maken daarvan verzet. Waar namen zijn weggehaald gaat het niet om personen die uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden, aldus verweerder. Verder zijn bepaalde passages uit de emailwisseling, die kunnen worden gezien als persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren, verwijderd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Verweerder vult de weigeringsgronden van het primaire besluit voor documenten 1 tot en met 4 aan met de motivering die hij nu, in het bestreden besluit, geeft voor de emailwisseling.

Verder overweegt verweerder dat de gevraagde informatie betreffende de eind oktober 2015 gestarte advocatenpoule, naar aanleiding van het Wob verzoek van eisers, op 11 juli 2016 openbaar is gemaakt door publicatie op internet1. Ten aanzien van de gevraagde informatie omtrent de in rekening gebrachte tarieven voor advocaten van het kantoor Sjöcrona en Van Stigt overweegt verweerder dat het belang van voorkomen van onevenredige benadeling van het kantoor en van de politie zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Verweerder overweegt dat de weigering van de gevraagde documenten voldoende is gemotiveerd en dat de stelling van eisers dat zij het niet eens zijn met de uitkomst van de belangenafweging niet maakt dat die afweging onjuist is of onvoldoende is gemotiveerd.

1.6.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat er gronden zijn om de emailwisseling, inclusief de namen van de ambtenaren, niet volledig openbaar te maken. Verder zijn eisers het niet eens dat zonder enige motivering passages in de documenten zijn zwart gemaakt op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Eisers zijn het ook niet eens met de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt met betrekking tot de openbaarmaking van de advocatentarieven. Tot slot voeren eisers aan dat niet is voldaan aan het noodzakelijkheidsvereiste; het weigeren van overheidsinformatie is alleen legitiem indien zwaarwegende belangen in het geding zijn. Dit is hier volgens eisers niet het geval en het bestreden besluit geeft geen blijk van zorgvuldigheid.

1.7.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting uiteengezet dat de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob (persoonlijke beleidsopvattingen) ten onrechte is genoemd in het bestreden besluit. Er zijn volgens verweerder in dit dossier geen documenten of passages waarvan openbaarheid is geweigerd omdat die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Gelet op het nader ingenomen standpunt van verweerder ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 11 van de Wob, hebben eisers ter zitting de beroepsgronden die betrekking hebben op deze weigeringsgrond ingetrokken, zodat deze verder onbesproken kunnen blijven.

1.8.

In de documenten 2, 3 en 4 zijn passages zwart gemaakt omdat die passages niet onder de reikwijdte van het verzoek van eisers vallen. De rechtbank stelt vast dat tegen het zwart maken van bepaalde passages in documenten 2, 3 en 4 geen gronden zijn aangevoerd, zodat ook dit verder onbesproken kan blijven.

1.9.

Met betrekking tot de emailwisseling die na bezwaar deels openbaar is gemaakt met zwart maken van namen en persoonsgegevens voeren eisers het volgende aan. Aanvankelijk waren deze documenten in het geheel niet openbaar gemaakt met een beroep op het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Hetgeen nu is openbaar gemaakt laat zien dat de documenten niet alleen maar persoonsgegevens bevatten, maar veel meer informatie. De emailwisseling betreft volgens eisers communicatie tussen ambtenaren. Volgens vaste jurisprudentie kan, als het gaat om ambtenaren en hun beroepsmatig functioneren, slechts in beperkte mate een beroep op de uitzonderingsgrond eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden gedaan. Eisers stellen dat het belang van openbaarmaking zwaarder dient te wegen en dat de weggelakte gedeelten, althans ten minste de namen van de politieambtenaren, alsnog openbaar moeten worden gemaakt. Zonder nader motivering valt niet in te zien dat de belangen van de betrokken ambtenaren zwaarder moeten wegen dan de belangen van openbaarheid.

1.10.

Ook hebben eisers ter zitting aangevoerd dat zij menen dat er meer documenten moeten zijn dan nu door verweerder zijn genoemd. Zo zouden er volgens eisers brieven moeten zijn waarin de tariefwijzigingen van Sjöcrona en Van Stigt staan en zou er ook een lijst moeten zijn van advocaten die de agenten destijds voorgelegd kregen.

1.11.

Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat de communicatie rond de desbetreffende arrestatie en het onderzoek van de Rijksrecherche grotendeels mondeling is verlopen, waardoor er niet meer documenten zijn dan door verweerder genoemd bij de besluitvorming. Verweerder heeft verder aangevoerd dat de betrokken politieambtenaren geen publieke functie hebben en dat daarom de bescherming van hun namen en persoonsgegevens een zwaarwegend belang is waaraan zwaarder gewicht toekomt dan aan het belang van openbaarheid. Het niet openbaar maken van namen, telefoonnummers en andere contactgegevens is in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: De Afdeling). Als voorbeeld noemt verweerder twee uitspraken van de Afdeling2. Ambtenaren hebben inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer te dulden waar het gaat om de uitoefening van hun functie, met uitzondering van hun namen. Voor ambtenaren die uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden komt voor wat betreft hun namen geen bescherming van de persoonlijke levenssfeer toe. Verweerder heeft uiteengezet dat de politieambtenaren in deze zaak vanuit hun functie niet in de openbaarheid treden. Verder voert verweerder aan dat politieambtenaren te maken kunnen hebben met verbaal en fysiek geweld; niet alleen bij het uitoefenen van hun werk, maar ook daarbuiten. Door het openbaar maken van persoonsgegevens van politieambtenaren is de kans op geweld tegen hen groter. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat inmiddels ook sprake is geweest van reële bedreigingen.

1.12.

Ten aanzien van de tarieven van het advocatenkantoor Sjöcrona en Van Stigt heeft verweerder gesteld dat de politie bedragen die door particuliere bedrijven in rekening worden gebracht nooit openbaar maakt. De vergelijking met het inschakelen van de Landsadvocaat gaat volgens verweerder niet op. De Landsadvocaat treedt exclusief voor de overheid op en is bij Koninklijk Besluit aangewezen. De politie heeft daarentegen geen exclusieve relatie met het advocatenkantoor Sjöcrona en Van Stigt. Het kantoor Sjöcrona en Van Stigt heeft er vanuit concurrentieoverwegingen belang bij dat het tarief dat zij voor de politie hanteert niet openbaar is. Daarnaast heeft de politie belang bij een gunstig tarief en een goede verstandhouding met dit advocatenkantoor. Verder bestaat sinds 2016 een politie-advocatenpoule en bestaat daarnaast de mogelijkheid medewerkers van de politie die behoefte hebben aan rechtsbijstand te verwijzen naar een kantoor dat niet op de lijst staat. Ten aanzien van het noodzakelijkheidsvereiste stelt verweerder dat de Wob een wet is die in lijn is met de door eiser genoemde jurisprudentie en dat aan het noodzakelijkheidsvereiste wordt voldaan wanneer met succes een beroep op een van de weigeringsgronden van de Wob wordt gedaan. Artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vereist niet dat alle informatie verstrekt wordt en openbaar is. Artikel 10 van het EVRM geeft de lidstaten juist een mogelijkheid om beperkingen te verbinden aan het verstrekken en openbaar maken van informatie.3 Verweerder meent dat het besluit niet in strijd is met het EVRM en geen blijk geeft van onzorgvuldigheid.

Overwegingen

Wettelijk kader

2. Artikel 10, tweede lid, van de Wob luidt – voorzover hier van belang – als volgt.

“Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.”

Beoordeling

3.1.

Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis te hebben genomen van de niet openbaar gemaakte informatie, overweegt de rechtbank als volgt.

3.2.

Allereerst oordeelt de rechtbank dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat er meer documenten zijn dan de documenten die nu – deels - openbaar zijn gemaakt. Nu verweerder heeft gesteld dat de 6 documenten alle documenten zijn waarop het verzoek om openbaarmaking betrekking heeft, ligt het op de weg van eisers aannemelijk te maken dat er meer documenten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hierin niet geslaagd. De omstandigheid dat Sjöcrona en Van Stigt hebben aangekondigd de tarieven jaarlijks te indexeren, betekent niet zonder meer dat er ook een document bestaat onder verweerder met deze inhoud en strekking. Evenmin is aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van verweerder dat er geen lijsten van advocatenkantoren bestaan die destijds aan de agenten zijn voorgelegd, aangezien de communicatie grotendeels mondeling is verlopen. Deze grond slaagt niet.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet per zwart gemaakte passage in de documenten heeft aangegeven of het gaat om passages die buiten de reikwijdte vallen dan wel onder één van de twee uiteindelijk gehanteerde weigeringsgronden (e en g) van de Wob. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)4 moet in beginsel per document of onderdeel daarvan worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten. Als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen kan daarvan worden afgezien. Indien meer dan één weigeringsgrond van toepassing is geacht op een document dat uit verschillende onderdelen bestaat, kan deze uitzondering zich slechts voordoen indien voldoende kenbaar is van welke weigeringsgrond voor welk onderdeel wordt uitgegaan.

Verweerder heeft toegelicht dat het in dit geval niet nodig is per passage de reden van weigering aan te geven, nu dat uit de context duidelijk blijkt. Na kennisname van de documenten is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van de door verweerder gehanteerde weigeringsgronden niet onevenredig wordt bemoeilijkt door de door verweerder gehanteerde systematiek. Uit de context is voldoende duidelijk welke weigeringsgrond ziet op de desbetreffende zwart gemaakte passage.

3.4.

De rechtbank stelt verder vast dat in documenten 3 en 4 gedeelten niet openbaar zijn gemaakt door het zwart maken van de tekst. Verweerder heeft zich voor een deel van deze tekst op het standpunt gesteld dat die volgens verweerder geen betrekking heeft op informatie die door eisers is verzocht. Na beoordeling van de stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat deze zwart gemaakte passages buiten de reikwijdte van het verzoek vallen.

Weigeringsgrond eerbieding persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob)

3.5.

De rechtbank stelt na beoordeling van de stukken vast dat een deel van de informatie in de documenten persoonsgegevens betreft van of tot personen te herleiden informatie over politieambtenaren en medewerkers van Sjöcrona en Van Stigt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geldt dat, hoewel het in geval van beroepshalve functioneren van ambtenaren slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op deze weigeringsgrond, dit anders kan liggen als het betreft het openbaar maken van namen, omdat namen persoonsgegevens zijn. Dit betekent echter niet dat namen nooit openbaar hoeven te worden gemaakt. Bij beantwoording van de vraag of eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aan openbaarmaking van de namen van ambtenaren in de weg staat, dienen de verschillende belangen tegen elkaar te worden afgewogen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de hiervoor onder 1.11. weergegeven belangenafweging voldoende heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van de informatie die ziet op persoonsgegevens van politieambtenaren, danwel de tot hen te herleiden informatie, niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren. Verweerder heeft derhalve met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob mogen beslissen deze informatie niet openbaar te maken.

Weigeringsgrond onevenredige benadeling (artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob)

3.6.

Met betrekking tot het belang van voorkoming van onevenredige benadeling acht de rechtbank het standpunt van verweerder, dat het kantoor Sjöcrona en Van Stigt onevenredig benadeeld kan worden indien de door dit kantoor gehanteerde tarieven openbaar worden gemaakt, aannemelijk. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat het openbaar maken van de tarieven een rechtstreeks gevolg kan hebben voor de relatie tussen de politie en dit kantoor, waardoor ook het belang van de politie bij een zo gunstig mogelijk tarief voor rechtsbijstand ongunstig beïnvloed kan worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de belangen waarop verweerder zich heeft beroepen. Verweerder heeft dan ook met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob openbaarmaking van de door het kantoor Sjöcrona en Van Stigt gehanteerde tarieven mogen weigeren. In dit verband verwijst de rechtbank ook naar de wetsgeschiedenis van de Wob 1978 waarin voor toepassing van deze weigeringsgrond als voorbeeld is genoemd het verstrekken van prijsopgaven aan de overheid door ondernemingen.5 Het betoog van eisers faalt in zoverre evenzeer.

3.7.

Tenslotte slaagt het betoog van eisers, dat zij op grond van artikel 10 van het EVRM recht hebben op openbaarmaking van de documenten, niet. Met de bepalingen in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. Voorts is voldaan aan het vereiste dat de inbreuk op dat recht noodzakelijk is in het belang van het beschermen van de rechten van anderen. De documenten 1 tot en met 4 en de emailwisseling zijn naar hun aard bestemd voor intern verkeer. Artikel 10 van het EVRM vereist niet dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt. Deze bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten, bijvoorbeeld zoals in deze zaak ter bescherming van het belang van betrokken ambtenaren van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van voorkoming van onevenredig benadeling. De Wob voorziet in artikel 10, tweede lid, onder e en g, in een dergelijke beperking. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met die bepaling heeft gehandeld.

3.8.

De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden niet slagen. Het beroep is ongegrond.

3.9.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. P. Sloot, A.D. Belcheva en P. Vrugt, rechters, in aanwezigheid van mr. J. dos Santos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

de griffier, de voorzitter,

de griffier is buiten staat deze

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc:

D:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Te benaderen via de link www.politie.nl/wob/korpsstaf/2016-advocatenule-politie.html.

2 De uitspraak van 18 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA9807 en de uitspraak van 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4235

3 Verwezen wordt naar ECLI: NL:RVS:2011:BP1315.

4 zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7336

5 Memorie van antwoord Wob 1978, Kamerstukken II 1976/77, 13418, 7-8, p. 27.