Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4120

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
13/650320-16 (13BRUG)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor handel in harddrugs en deelname aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650320-16 (13BRUG)

Datum uitspraak: 15 juni 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 en 18 mei 2017 en 1 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,
mr. A.M. Lobregt en mr. S.M. van der Veen en van wat verdachte en zijn raadsman
mr. H.E. Brink naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 juni 2016 heeft schuldig gemaakt aan

  1. deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het overtreden van (enkele bepalingen van) de Opiumwet;

  2. (mede)plegen van het verhandelen en opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en/of heroïne en/of MDMA;

  3. (mede)plegen van het verrichten van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen ten aanzien van de misdrijven genoemd in artikel 10 lid 4 en 5 van de Opiumwet;

Voorts is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 13 juni 2016 heeft schuldig gemaakt aan

4. het voorhanden hebben van een vuurwapen van het merk Glock, munitie en een patroonhouder;

5. (medeplegen van) het bezit van 875 gram amfetamine;

6. (medeplegen van) het bezit van 997 gram hasjiesj en/of 489 gram hasjiesj.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding: nietigheid met betrekking tot feit 3

De rechtbank overweegt ambtshalve, ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding wat betreft feit 3, het volgende. Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de tenlastelegging een opgave behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan, zodat duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen. In het geval de tenlastelegging hieraan niet voldoet, kan de tenlastelegging niet als grondslag van het onderzoek ter terechtzitting dienen met als gevolg dat de dagvaarding (al dan niet gedeeltelijk) nietig moet worden verklaard. De begrijpelijkheid van een tenlastelegging moet mede worden bezien tegen de achtergrond van het dossier.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding in de onderhavige zaak gedeeltelijk, namelijk met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde, nietig dient te worden verklaard. De tenlastelegging is in de context van dit dossier onvoldoende specifiek. De tenlastelegging behelst namelijk de beschuldiging dat verdachte, ter voorbereiding van misdrijven strafbaar gesteld in artikel 10, lid 4 en 5 van de Opiumwet, verschillende soorten drugs in zijn bezit heeft gehad. Het dossier bevat geen onderdeel dat duidelijk is toegespitst op deze beschuldiging. Wel komen in het dossier verschillende onderzoeksbevindingen voor die verband lijken te houden met het voorhanden hebben of krijgen van drugs. De gedachten kunnen daarbij uitgaan naar het voorhanden hebben van de cocaïne die een koerier (zelf) zal gaan afleveren, maar bijvoorbeeld ook naar gesprekken die erop lijken te duiden dat grotere hoeveelheden drugs worden ingekocht ten behoeve van de handel. De vermelding van MDMA, waar ook verwijzingen naar te vinden zijn in het dossier, en heroïne in de tenlastelegging van feit 3 komen de duidelijkheid ook niet ten goede. Uit de tekst van de tenlastelegging kan, ook in samenhang bezien met het dossier, dus niet zonder meer worden afgeleid welke concrete gedragingen verdachte onder dit feit worden verweten. De dagvaarding voldoet in zoverre niet aan de eisen van artikel 261 Sv. De dagvaarding zal dan ook ten aanzien van feit 3 nietig worden verklaard. De verdere standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging met betrekking tot feit 3 worden hierna dan ook niet meer besproken.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding voor het overige geldig is.

3.2

Overige voorvragen van artikel 348 Sv

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben overeenkomstig het schriftelijk requisitoir – hier kort en zakelijk weergegeven – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De officieren van justitie hebben daarbij het volgende aangevoerd. Verdachten hielden zich bezig met de handel in verdovende middelen, ze hadden de beschikking over een dealtelefoon en een vaste klantenkring. Onderling hadden verdachten bijnamen voor elkaar, spraken zij in versluierd taalgebruik en hadden zij, doordat zij goed op elkaar waren ingespeeld, vaak aan een paar woorden genoeg om een drugsdeal succesvol af te ronden. De kopers gingen vaak kort bij verdachten in de auto zitten, ze reden samen een stukje en de deal vond in de auto plaats. Verdachten werkten met een vaste structuur. De duurzaamheid van de criminele organisatie kan worden afgeleid uit de afgelegde getuigenverklaringen. Ook was sprake van een goede organisatie, verdachten hadden duidelijke rollen. Zo bracht verdachte cocaïne rond in opdracht van medeverdachten. Ook hield hij zich actief bezig met het verkrijgen van cocaïne en het afwegen en verpakken van cocaïne. Verdachte heeft hiermee een wezenlijke bijdrage geleverd aan de criminele organisatie.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft het hem ten laste gelegde ontkend en heeft zich later steeds op zijn zwijgrecht beroepen. De raadsman heeft zich overeenkomstig zijn schriftelijke pleitnota – hier kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1 t/m 6 ten laste gelegde feiten, nu niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

De raadsman heeft over de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten aangevoerd dat voorafgaand aan de aanhouding van verdachte in een korte periode intensief is getapt en geobserveerd en dat verdachte daarbij slechts incidenteel in beeld is gekomen. De raadsman heeft zich ten aanzien van de observatie van 11 mei 2016, waarbij verdachte werd herkend, op het standpunt gesteld dat de herkenning door verbalisant [verbalisant] niet juist kan zijn omdat hij heeft gerelateerd dat hij verdachte heeft herkend ter hoogte van de kruising Bilderdijkstraat/Overtoom terwijl deze straten elkaar niet kruisen. Ook heeft de raadsman betoogd dat verbalisant [verbalisant] vanuit zijn positie rijdend achter de auto onvoldoende in staat is geweest de bestuurder van de betreffende auto te herkennen. De raadsman heeft voorts betoogd dat de verkregen herkenningen door getuigen niet bruikbaar zijn voor het bewijs vanwege de toegepaste foto-confrontatiemethode.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aanleiding van het onderzoek, 13CIMI

Op 18 januari 2016 vond in onderzoek 13CIMI, ter aanhouding van [naam] , de broer van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ), een huiszoeking plaats in de woning aan het [adres 1] te Amsterdam. Dat was tevens de verblijfplaats van [medeverdachte 1] . Tijdens deze huiszoeking werd een kluis aangetroffen met daarin onder meer een mes, een lepel, weegschalen, vouwpapier, een enveloppe (wikkel) en zakjes met verdovende middelen. Op het mes, de lepel, het papiertje, het plastic zakje en op één van de weegschalen werden resten cocaïne aangetroffen. De randen en ruwe delen van deze weegschaal zijn bemonsterd en opgenomen in de DNA-databank. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] . Ook werden tijdens deze doorzoeking verschillende telefoons in beslag genomen. Uit onderzoek van deze telefoons bleek dat meerdere telefoons contacten bevatten waarvan een groot deel met als naam een locatie. De meeste berichten hadden betrekking op afspraken. Tevens werden conceptberichten aangetroffen op de telefoons met als inhoud: “Beste mensen! Dit is taxi service [bijnaam] . 24/7 bereikbaar! Groeten [bijnaam] ” en “ [telefoonnummer] nieuwe nummer groetjes taxi service”. Telefoonnummers van deze contacten kwamen op meerdere telefoons voor. Bij het onderzoeksteam van 13CIMI kwam het verzoek van de advocaat van [medeverdachte 1] voor teruggave van twee telefoons, te weten een iPhone 6 en een goudkleurige Nokia. In deze goudkleurige Nokia stonden 770 contacten opgeslagen waarvan een groot deel met als naam een locatie of naam. [medeverdachte 1] werd eerder aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. In 2013 werden in de auto waarin [medeverdachte 1] reed softdrugs aangetroffen en papier om wikkels van te vouwen. [medeverdachte 1] werd in 2015 tweemaal aangehouden waarbij in totaal 5 bolletjes en 12 wikkels cocaïne en 12 pillen amfetamine werden aangetroffen. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 1] zich bezig hield met de handel in verdovende middelen en deze handel wilde voortzetten. Naar aanleiding van dit vermoeden is op 8 maart 2016 het onderzoek 13BRUG gestart.

Bevindingen 13BRUG

Op 21 maart 2016 werd een technische actie aangesloten op het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna * [nummer] ), waarvan is vastgesteld dat dit nummer in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Uit de gesprekken opgenomen via de technische actie bleek dat [medeverdachte 1] andere personen aanstuurde om naar klanten of locaties toe te gaan. De gesprekken met de klanten kwamen niet over deze lijn. Meerdere van de namen en locaties kwamen voor in de contactenlijst van de inbeslaggenomen en later aan [medeverdachte 1] teruggegeven goudkleurige Nokia telefoon. Uit de technische actie op * [nummer] bleek onder meer dat [medeverdachte 1] op 9 april 2016 te 22.12.43 uur belde met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna * [nummer] ). Uit onderzoek bleek dat * [nummer] in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] ). [medeverdachte 1] zei: ‘ [bijnaam 1] ’, waarop [medeverdachte 2] vroeg ‘ [bijnaam 1] !!! Westerpark toch?’. [medeverdachte 1] antwoordde hierop met ‘Ja’. In de contactenlijst van de goudkleurige Nokia stond het contact ‘ [bijnaam 1] ’ opgeslagen met telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna * [nummer] ).

Dealtelefoon * [nummer]

Uit onderzoek bleek vervolgens dat de gebruiker van * [nummer] op 9 april 2016 te 22.12.35 uur gedurende 11 seconden uitgaand had gebeld met telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna * [nummer] , ook wel de dealtelefoon). Dit nummer bleek gekoppeld te zijn aan de simkaart die bij inbeslagname in de eerder genoemde goudkleurige Nokia telefoon zat. Ook kwam naar voren dat het nummer * [nummer] op 19 januari 2016, een dag ná de inbeslagname van de goudkleurige Nokia, weer in gebruik was genomen, kennelijk door een vervangende simkaart te regelen. Het nummer * [nummer] werd veelvuldig gebruikt. In de periode van 19 januari 2016 tot en met 19 februari 2016 hebben meer dan 3000 contactmomenten, in de vorm van sms-berichten dan wel telefoongesprekken, via dit telefoonnummer plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze bevindingen zijn de nummers * [nummer] en * [nummer] onder de tap genomen. Een terugkerende werkwijze kwam aan het licht, waarbij een klant kort inbelde op het nummer * [nummer] of een sms-bericht stuurde waarna de gebruiker van de * [nummer] contact opnam met de klant om een tijd en plaats af te spreken. Vervolgens stuurde de gebruiker van het nummer * [nummer] met een andere telefoon, zoals de telefoon met nummer * [nummer] , anderen aan om naar de betreffende klanten toe te gaan.

Het nummer * [nummer] had veelvuldig contact met de nummers [telefoonnummer] (hierna * [nummer] ), in gebruik bij verdachte, en [telefoonnummer] (hierna * [nummer] ), in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna [medeverdachte 3] ). Ook werd tijdens het onderzoek aannemelijk dat de telefoonnummers [telefoonnummer] (hierna * [nummer] ) en * [nummer] in gebruik waren bij [medeverdachte 2] , die werd aangestuurd door * [nummer] ( [medeverdachte 1] ), en dat telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna * [nummer] ) in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna [medeverdachte 4] ). Van alle verdachten zijn een of meerdere telefoons afgeluisterd. Naar aanleiding van de over de tap gekomen locaties zijn in de maanden april, mei en juni 2016 ook verschillende observaties verricht.

Observaties

Op 10 mei 2016 belde getuige [getuige 1] naar de dealtelefoon en sprak met de gebruiker af bij de Mediamarkt. Verbalisanten gingen ter plaatse en zagen daar een zwarte BMW met kenteken [kenteken] staan. Zij zagen [getuige 1] staan bij deze auto. Hij was aan het bellen. Over de tap was te horen dat hij vroeg waar ‘hij’ is. Verbalisanten zagen [medeverdachte 1] vervolgens lopen. Ook hij was op dat moment aan het bellen. Verbalisanten zagen de BMW rijden met twee personen erin en even later stilstaan. Daarna zagen verbalisanten dat [medeverdachte 1] vanuit de richting van de BMW aan kwam lopen. De BMW reed met één persoon weg.

Op 11 mei 2016 werd door het telefoonnummer in gebruik bij getuige [getuige 2] ge-sms’t naar de dealtelefoon en werd een tijd en locatie afgesproken. Bij de opgegeven locatie zagen de verbalisanten [getuige 2] staan en zagen zij dat een Mercedes met kenteken [kenteken] aan kwam rijden. [getuige 2] stapte in en reed een stukje mee. Even later stapte zij weer uit. De bestuurder werd herkend als zijnde verdachte.

Op 11 mei 2016 werd door het telefoonnummer in gebruik bij getuige [getuige 3] gebeld naar de dealtelefoon en vervolgens werd het nummer * [nummer] , in gebruik bij [medeverdachte 2] , gebeld om naar de betreffende locatie te gaan. Toen de verbalisanten op de opgegeven locatie stonden te wachten zagen zij dat een Mercedes met kenteken [kenteken] aan kwam rijden. De verbalisanten herkenden de bestuurder als [medeverdachte 2] . De verbalisanten namen vervolgens waar dat [getuige 3] naar de Mercedes liep, iets aanpakte van [medeverdachte 2] , terugliep naar een geparkeerde VW Golf, daar iets uitpakte, terugliep naar [medeverdachte 2] en hem iets gaf, waarna [medeverdachte 2] met hoge snelheid wegreed.

Op 12 mei 2016 kwam op de dealtelefoon om 16.07 uur een verzoek binnen om af te spreken bij Hotel [naam hotel] . Vervolgens kwam er op de dealtelefoon het bericht binnen “zes uur Artis?” Verbalisanten zijn naar de opgegeven locaties gegaan en hebben [medeverdachte 3] op beide locaties, rond de opgegeven tijdstippen, zien verschijnen.

Op 13 mei 2016 werd door het nummer, in gebruik bij getuige [getuige 1] , gebeld naar de dealtelefoon. Hierna werd per sms een tijd en locatie afgesproken. Verbalisanten gingen naar de opgegeven locatie en namen waar dat [getuige 1] naar buiten kwam en dat een VW Golf met kenteken [kenteken] aan kwam rijden. Verbalisanten herkenden de bestuurder als [medeverdachte 4] . Verbalisanten namen verder waar dat [getuige 1] naar de auto liep, zijn hand door het raam stak en kort daarop weer weg liep.

Pseudokoop

Op 28 mei 2016 heeft een pseudokoop plaatsgevonden. Via de dealtelefoon had de desbetreffende verbalisant afgesproken op de Jan Pieter Heijestraat in Amsterdam en later op de 1e Helmersstraat. Op de afgesproken locatie zag hij een VW Golf aan komen rijden en herkende de bestuurder als [medeverdachte 4] . De verbalisant heeft [medeverdachte 4] € 50,- gegeven en kreeg daar 1 wikkel voor. [medeverdachte 4] heeft daarbij aan de verbalisant duidelijk gemaakt dat hij hem altijd kon bellen als hij wat wilde hebben. De inhoud van deze wikkel bleek cocaïne te bevatten.

Aansturing en bezit dealtelefoon

[medeverdachte 1] heeft in de periode van 22 maart 2016 tot en met 15 april 2016 en op 10 mei 2016 de dealtelefoon in zijn bezit gehad. Hij heeft verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in die periode naar verschillende personen en locaties gestuurd.

[medeverdachte 3] is in de periode van 21 april 2016 tot en met 25 april 2016 én 27 mei 2016 tot en met 3 juni 2016 in het bezit geweest van de dealtelefoon en heeft hij verdachte en [medeverdachte 2] naar verschillende personen en locaties gestuurd.

Van 30 april 2016 tot en met 8 mei 2016, van 11 mei 2016 tot en met 27 mei 2016 en van 3 juni 2016 tot en met 13 juni 2016 was [medeverdachte 4] in het bezit van de dealtelefoon en heeft hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangestuurd naar verschillende personen en locaties te gaan.

Getuigen en herkenningen

Door de observaties en taps zijn meerdere kopers van cocaïne achterhaald en door de politie gehoord. Een groot aantal van hen is later ook door de rechter-commissaris gehoord. Meerdere getuigen hebben verklaard jarenlang via de dealtelefoon, ‘bij deze jongens’, cocaïne te hebben besteld. Zij hebben verdachten ook herkend van de aan hen getoonde politiefoto’s.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zowel verdachte als [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van de foto’s herkent als verkopers van cocaïne en dat hij al meerdere jaren wekelijks cocaïne kocht bij deze verdachten. Over verdachte heeft hij verklaard dat hij hem nog geen jaar kent. [getuige 1] is heel stellig in zijn herkenningen. [getuige 1] heeft daarnaast de Mercedes met kenteken [kenteken] aangewezen als de auto waarin verdachte reed.

Getuige [getuige 4] heeft [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] van de foto’s herkend als verkopers van cocaïne. Verder heeft hij verklaard al ongeveer twee jaar cocaïne bij deze verdachten te hebben gekocht.

De getuige [getuige 5] heeft verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] herkend en heeft verklaard dat zij al drie tot vijf jaar cocaïne kocht bij deze verdachten, zij het dat zij verdachte alleen als medepassagier van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voorin in de auto heeft zien zitten.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] van de foto’s te herkennen als verkopers van cocaïne. Ook deze getuige heeft verklaard al jaren cocaïne bij deze verdachten te kopen.

Afgaande op de telefonische contacten van en met de dealtelefoon hebben in de periode van 3 mei 2016 tot en met 13 juni 2016 in totaal 318 deals met 125 verschillende kopers plaatsgevonden.

Inkoop van cocaïne

Op 15 april 2016 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] geprobeerd om aan cocaïne te komen via een persoon die zij [naam 1] noemden. Verdachten waren geïrriteerd, omdat de leverancier niets van zich liet horen en zij inmiddels 6 à 7 wachtenden hadden. Uit tapgesprekken van 2 en 3 juni 2016 en 10 en 11 juni 2016 bleek dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en verdachte aan cocaïne probeerden te komen, waarbij verdachte telkens als tussenpersoon optrad en dat zowel [medeverdachte 1] , als [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en verdachte hiervoor geld moesten inleggen.

Aanhoudingen en doorzoekingen

Op 13 juni 2016 zijn de verdachten aangehouden. Tevens zijn de woningen van verdachten, althans de woningen waarin zij zich bij aanhouding bevonden, op die dag doorzocht. Onder [medeverdachte 1] werd onder meer een sim-kaarthouder voor de simkaart in de dealtelefoon, de gouden Nokia telefoon en een geldbedrag aangetroffen en inbeslaggenomen. Bij [medeverdachte 2] werden pillen (MDMA) in beslaggenomen. In de woning van verdachte werd onder meer een weegschaal aangetroffen met sporen van cocaïne. Bij [medeverdachte 3] werd onder meer een vuurwapen, een hoeveelheid amfetamine en hasjiesj inbeslaggenomen. In de woning van [medeverdachte 4] zijn onder meer twee telefoons inbeslaggenomen, waaronder de dealtelefoon en een Nokia 1208, in welke telefoon contacten stonden opgeslagen die overeenkwamen met de contacten op de dealtelefoon.

4.3.2

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten

4.3.2.1 Vrijspraak van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde

De rechtbank is, met de officieren van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten. Niet is gebleken dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de drugs, het wapen en de munitie in de woning aan het [adres 2] te Amsterdam en daarover beschikkingsmacht had.

4.3.2.2 Bespreking verweren ten aanzien van feit 1 en 2

Fotoconfrontatie

De rechtbank gebruikt de processen-verbaal van de fotoconfrontaties, waarbij de getuige [getuige 1] verdachte heeft herkend als verkoper van cocaïne en getuige [getuige 5] verdachte heeft herkend als de man die bij sommige deals op de passagiersstoel zat, voor het bewijs. De rechtbank overweegt dat de uitkomst van een enkelvoudige fotoconfrontatie in beginsel voor het bewijs kan worden gebruikt, maar dat daarmee voorzichtig moet worden omgegaan. In de onderhavige zaak vinden de herkenningen van verdachte in ruime mate steun in de overige bewijsmiddelen. Ook daaruit volgt namelijk dat verdachte bij de handel in cocaïne betrokken was. Daar komt bij dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 5] zeer stellig zijn in hun herkenningen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de herkenningen te twijfelen.

Herkenning door verbalisant [verbalisant]

De raadsman heeft aangevoerd dat de herkenning van verdachte tijdens de observatie van 11 mei 2016 enkel is gestoeld op een proces-verbaal dat in strijd met de waarheid is opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , aangezien verdachte zou zijn herkend op een niet bestaande kruising. Deze herkenning is derhalve niet bruikbaar voor het bewijs, aldus de raadsman.

De rechtbank acht de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant] betrouwbaar en overweegt daartoe het volgende. In het proces-verbaal van bevindingen met documentcode [code] is door verbalisant [verbalisant] van minuut tot minuut gerelateerd wat hij tijdens de observatie op 11 mei 2016 ter hoogte van de Bilderdijkkade heeft waargenomen. Op verzoek van koper/getuige [getuige 2] zou daar een ontmoeting plaatsvinden. Op enig moment heeft [verbalisant] beschreven dat hij de Mercedes Benz met kenteken [kenteken] van de Kinkerstraat zag afslaan in de richting van de Bilderdijkstraat en rijden in de richting van de Overtoom. [verbalisant] beschrijft verder dat ter hoogte van de kruising Bilderdijkstraat/Overtoom de bestuurder van de auto uit het raam keek en dat hij de bestuurder op dat moment herkende als verdachte. Hoewel de kruising Bilderdijkstraat/Overtoom inderdaad niet bestaat, aangezien ter hoogte van de kruising met de Overtoom de Bilderdijkstraat inmiddels is overgegaan in de Eerste Constantijn Huygensstraat, is de rechtbank van oordeel dat dit niets afdoet aan de waarneming en herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant] . [verbalisant] heeft verdachte herkend op het moment dat verdachte, wachtend voor een rood verkeerslicht, uit zijn geopende raam naar buiten keek. Daar komt bij dat [verbalisant] op het politiebureau ook nog de foto van verdachte heeft gezien, hetgeen zijn eerdere herkenning bevestigde. De rechtbank acht de herkenning derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.3.2.3 Het onder 2 ten laste gelegde, drugshandel

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte zich heeft beziggehouden met de handel in cocaïne. Het nummer eindigend op * [nummer] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , had veelvuldig contact met het telefoonnummer eindigend op * [nummer] . De rechtbank stelt vast dat dit telefoonnummer in gebruik was bij verdachte. Dit telefoonnummer kwam regelmatig over de tap naar voren, waarbij verdachte naar locaties werd gestuurd om naar klanten toe te gaan en zich als tussenpersoon bezighield met het inkopen van een nieuwe voorraad cocaïne. Naar aanleiding van de over de tap gekomen locaties, waar verdachte naartoe werd gestuurd, hebben observaties plaatsgevonden. Bij deze observaties werd steeds de Mercedes met kenteken [kenteken] waargenomen. Tijdens de observatie van 11 mei 2016 heeft verbalisant [verbalisant] verdachte ook herkend als bestuurder van die Mercedes. Verdachte heeft verklaard wel eens gebruik van die auto te hebben gemaakt en getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte in deze auto reed. Daar komt bij dat de auto meerdere keren is gezien tijdens observaties in Kudelstaart in de nabijheid van de [adres] , waar verdachte staat ingeschreven en dat de auto op naam staat van [naam broer] , de broer van verdachte wonende in Almere. Daarnaast hebben getuigen verdachte herkend als verkoper van cocaïne, althans als degene die bij de verkoop aanwezig was. [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte maximaal twaalf maanden, voorafgaand aan het politieverhoor, als koerier heeft gezien.

Op grond van de hiervoor en in rubriek 4.3.1 beschreven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich in een periode van één jaar tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne.

4.3.2.4 Het onder 1 ten laste gelegde, criminele organisatie

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een criminele organisatie hanteert de rechtbank het volgende beoordelingskader.

Voor een veroordeling ter zake van deelname aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld:

1. dat sprake is geweest van een organisatie,

2. dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, en

3. voor iedere verdachte, dat hij aan die organisatie heeft deelgenomen.

Er dient in de eerste plaats een samenwerkingsverband te zijn om te kunnen spreken van een organisatie. Dit samenwerkingsverband hoeft niet steeds in volle omvang te hebben bestaan. Voldoende is dat er een kern is van personen die de eigenlijke organisatie uitmaken en dat zich daarbinnen en/of daar omheen personen bevinden die met elkaar samenwerken. Daarnaast moet sprake zijn van een zekere structuur. Deze hoeft niet hiërarchisch te zijn, niet vast te liggen en ook is niet vereist dat er een afgebakende taakverdeling is. Zelfs is niet vereist dat alle betrokkenen bij de organisatie elkaar kennen of met elkaar hebben samengewerkt. Organisaties zijn netwerken met een soms minder zichtbare, mogelijk zelfs wisselende structuur. Soms zijn het gelegenheidsnetwerken, gebaseerd op of voortkomend uit vriendschappen of zakelijke relevantie. Voldoende is dat er een harde kern is die over een bepaalde periode met elkaar heeft samengewerkt. Ten slotte mag een samenwerkingsverband niet min of meer toevallig zijn en dient dit verband een zekere duur te hebben.

Een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet ten minste een duidelijke kern hebben die het gemeenschappelijk oogmerk deelt. Het oogmerk van het gestructureerd samenwerkingsverband moet - mede - gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven. Het gaat bij het oogmerk om het naaste doel: de groep kan zich - daarnaast - ook met legale en onschuldige dingen bezig houden. Er hoeft zelfs nog geen misdrijf te zijn begaan, dan wel een strafbare poging of voorbereiding daartoe.

Voor deelneming aan een criminele organisatie is niet nodig dat een verdachte zelf aan de beoogde strafbare feiten heeft meegedaan. Het gaat niet om betrokkenheid bij een bepaald delict, maar om betrokkenheid bij de organisatie. Daarnaast moet hij minimaal die gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. Als een handeling dus in enige relatie staat tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, kan zij al een deelneming opleveren. Zelfs gedragingen die als medeplichtigheid aan een misdrijf kunnen worden beschouwd, waarop het oogmerk van de criminele organisatie was gericht, kunnen als deelnemingshandeling worden gekwalificeerd. Wel is vereist dat de dader opzet moet hebben gehad op het criminele oogmerk van de organisatie en zijn eigen handelen. Daarbij heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk beslist dat voldoende is dat verdachte in zijn algemeenheid wist van het criminele oogmerk en dat voor bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte ook opzet had op concreet door de organisatie beoogde misdrijven. Precieze wetenschap over de daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten is aldus geen vereiste voor een veroordeling ter zake van deelneming.

Organisatie

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een organisatie constateert de rechtbank dat verdachte en medeverdachten onderling en in verschillende samenstellingen en situaties (telefonisch) contact met elkaar hebben gehad over de handel in cocaïne. Dit contact vond voor zover het verdachte betreft ten minste gedurende een periode van één jaar plaats. Hoewel dat niet is vereist, kan een kenmerk van een gestructureerde organisatie worden gevonden in de rolverdeling. De rechtbank leidt, uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, de navolgende rolverdeling af. Verdachte en zijn medeverdachten hielden zich gezamenlijk bezig met de handel in cocaïne. Zij bedienden een in de loop van jaren opgebouwde vaste klantenkring en hanteerden tegenover hun klanten een vaste werkwijze.
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hadden, elkaar afwisselend, de beschikking over de dealtelefoon. Zij stuurden elkaar, maar ook [medeverdachte 2] en verdachte, aan om naar klanten toe te gaan en de deals te sluiten. Verdachten waren goed op elkaar ingespeeld, spraken over de telefoon in versluierd taalgebruik met elkaar en hadden vaak aan een naam van een klant of een straatnaam genoeg informatie om te weten wat er van hen werd verlangd: het leveren van cocaïne. De klant sprak doorgaans niet over de telefoon uit hoeveel cocaïne hij of zij nodig had. Hieruit maakt de rechtbank op dat verdachten kennelijk altijd een voorraad cocaïne bij zich hadden. Ook werd zelden gesproken over geld. Klanten wisten, zoals de getuigen verklaren, dat er € 50,- betaald moest worden voor een gram cocaïne. Dat ging immers al jaren op dezelfde manier. Ook hielden verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich op verschillende momenten bezig met het inkopen van cocaïne. Daarnaast is onder verdachte een weegschaal met resten van cocaïne aangetroffen, waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte zich ook heeft beziggehouden met het afwegen van de cocaïne en het gereed maken van de cocaïne voor de verkoop. In deze structuur hebben verdachte en medeverdachten geruime tijd intensief met elkaar samengewerkt.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband kan worden vastgesteld. Op grond van voornoemde omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een organisatie zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte daar onderdeel van uitmaakte.

Oogmerk

Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of dat samenwerkingsverband het oogmerk heeft gehad om het ten laste gelegde doel, kort gezegd het verhandelen van cocaïne, te bewerkstelligen. Uit het gehele dossier blijkt duidelijk dat verdachte en zijn medeverdachten zich bezig hielden met de handel in cocaïne en dat hun hele samenwerkingsverband op dat doel was gericht. Verdachte hield zich bezig met de inkoop, het afwegen en verpakken van de cocaïne en de verkoop. In een periode van één jaar zijn, door de verdachten, honderden deals gesloten. Het oogmerk van de organisatie was duidelijk gericht op het verkopen van cocaïne.

Anders dan het Openbaar Ministerie acht de rechtbank niet bewezen dat het oogmerk van het samenwerkingsverband gericht was op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, zodat verdachte van dat gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Voor zover moet worden aangenomen dat verdachte en zijn medeverdachten voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne hebben verricht, geldt dat het oogmerk van de organisatie niet zozeer op die voorbereiding, maar op de eigen handel was gericht.

Deelname

Tot slot dient te rechtbank te beoordelen of verdachte wetenschap had van het oogmerk van de organisatie en, zo ja, of zijn bijdrage van dermate gewicht is geweest, dat kan worden gesproken van een strafbare deelname.

Verdachte werd aangestuurd door medeverdachten om naar klanten toe te gaan om cocaïne te verkopen. Zoals gezegd had verdachte genoeg aan een naam van een klant of een straatnaam om te weten wat er van hem werd verwacht. Ook hield hij zich bezig met de inkoop van cocaïne en het afwegen en verpakken van de cocaïne in wikkels. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie, te weten voornoemde handel in cocaïne. Verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de organisatie en deze bijdrage heeft in aanzienlijke mate het oogmerk van de organisatie verwezenlijkt.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 13 juni 2015 tot en met 13 juni 2016 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie - gevormd door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en
[medeverdachte 4] , welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven strafbaar gesteld in de Opiumwet, namelijk:

het opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne,

welke deelneming bestond uit het samen met andere deelnemers aan die organisatie:

  • -

    inkopen en verkopen en vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en

  • -

    hebben van (al dan niet) versluierde telefonische en directe contacten met andere deelnemers aan voornoemde organisatie en/of kopers;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 13 juni 2015 tot en met 13 juni 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd en aanwezig gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder weegt de rechtbank het volgende mee.

De ernst van de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan cocaïnehandel en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die de handel in cocaïne tot oogmerk had. Cocaïne is verslavend en schadelijk voor de gezondheid van gebruikers. Uit de door de gebruikers als getuigen afgelegde verklaringen blijkt ook dat hun gebruik voor diverse problemen heeft gezorgd, onder meer op het gebied van hun gezondheid en in de relationele sfeer. De georganiseerde drugshandel bevordert ook het plegen van andere misdrijven, zoals witwassen. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.

Deze organisatie was een duurzaam en georganiseerd samenwerkingsverband, waarin iedere verdachte een rol vervulde en waarin verdachten goed op elkaar ingespeeld waren. Gedurende tenminste één jaar heeft verdachte met deze organisatie samengewerkt, waarbij – in wisselende samenstelling – dagelijks intensief contact over de handel plaatsvond. Verdachte had in de organisatie een uitvoerende rol, maar heeft zich ook beziggehouden met het inkopen van de cocaïne ten behoeve van deze organisatie. Verdachte werd aangestuurd door medeverdachten om naar klanten toe te gaan om cocaïne te verkopen. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de hiervoor omschreven rol van verdachte in de cocaïnehandel en de criminele organisatie.

Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. De langdurige handel in cocaïne wordt als een ernstig misdrijf beschouwd.

Verdachte heeft ervoor gekozen te zwijgen tijdens het politieonderzoek en bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Hij heeft geen verantwoording afgelegd of blijk gegeven van enig besef van de strafwaardigheid van zijn gedrag.

Al het voorgaande maakt dat de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van langere duur aangewezen acht.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 10 april 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. De rechtbank ziet daarin aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om van de standaard proeftijd van twee jaar af te wijken.

De rechtbank wijkt in matigende zin af van de eis van de officieren van justitie, omdat de rechtbank ten aanzien van verdachte een kortere periode bewezen heeft verklaard en de rechtbank, ook als wordt uitgegaan van een periode zoals de officieren van justitie bewezen achten, van oordeel is dat de door haar opgelegde straf in voldoende mate recht doet aan de ernst van de feiten.

9 Voorlopige hechtenis

Verdachte is op 13 juni 2016 aangehouden en in verzekering gesteld. Daarna is verdachte in bewaring gesteld en is de gevangenhouding bevolen. Met ingang van 9 december 2016 is het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

De officieren van justitie hebben de gevangenneming van verdachte gevorderd.

De raadsman heeft bepleit de vordering van de officieren van justitie af te wijzen.

Bij het beantwoorden van de vraag of de gevangenneming van verdachte bij einduitspraak moet worden bevolen hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat een persoon in beginsel in vrijheid zijn berechting mag afwachten. Hoewel met dit vonnis die berechting is geschied, acht de rechtbank het in de gegeven omstandigheden niet opportuun dat verdachte, zolang dit vonnis nog niet onherroepelijk is, opnieuw vast komt te zitten. De rechtbank zal de vordering tot gevangenneming van verdachte dan ook afwijzen.

10 Beslag

Onder verdachte zijn voorwerpen in beslag genomen, zoals weergegeven op de beslaglijst. Deze beslaglijst is als bijlage III aan dit vonnis gehecht en de inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

10.1

De eis van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot verbeurdverklaring van de items genoemd onder nummers 1, 3 t/m 10, 12 t/m 14, 17 t/m 20 en 23 t/m 26. De items genoemd onder 11, 16 en 21 kunnen worden geretourneerd aan verdachte, aldus de officieren van justitie.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de inbeslaggenomen personenauto, genoemd onder 1 op de beslaglijst, te retourneren aan de rechtmatige eigenaar, zijnde de broer van verdachte, [naam broer] . Voorts heeft de raadsman verzocht de inbeslaggenomen kleding, gelden en het horloge aan verdachte te retourneren.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

10.3.1

Verbeurd verklaring

De rechtbank is van oordeel dat het voorwerp genoemd onder 1 op de beslaglijst, de personenauto met kenteken [kenteken] toebehoort aan verdachte. Het enkele feit dat de personenauto op naam staat van de broer van verdachte, [naam broer] , betekent niet dat de auto niet (ook) aan verdachte toebehoort. Verdachte gebruikte deze auto zo vaak om mee te dealen, dat meerdere getuigen (afnemers) deze auto van een foto konden herkennen als de auto van verdachte. Ook tijdens observaties is deze auto waargenomen. Verdachte had dan ook kennelijk een zodanige zeggenschap over en belang bij deze auto, dat zijn betrekking tot de auto met die van eigenaar gelijk kan worden gesteld. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard.

Het goed genoemd onder 4 en de geldbedragen genoemd onder 3, 5, 6, 7 en 8 op de beslaglijst behoren aan verdachte toe. Hij kan dit voorwerp en deze geldbedragen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu dit voorwerp en deze geldbedragen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 en 2 bewezen geachte zijn verkregen, wordt dit voorwerp en deze geldbedragen verbeurd verklaard.

De voorwerpen genoemd onder 9, 10, 12, 13, 14, 17, 18, 19, 20, 23, 24, 25, 26 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurd verklaard.

10.3.2

Retour aan verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de goederen genoemd onder 11, 16 en 21 kunnen worden geretourneerd aan verdachte.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde nietig.

Verklaart het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd de goederen met nummers 1, 3 t/m 10, 12 t/m 14, 17 t/m 20 en 23 t/m 26, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de goederen met nummers 11, 16 en 21, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.P. Pompe, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2017.