Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4061

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
C/13/585603 / HA ZA 15-394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bindend advies. De vordering tot vernietiging wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/585603 / HA ZA 15-394

Vonnis van 14 juni 2017

in de zaak van

de vereniging

WESTFRIESCHE KUNSTRIJ CLUB,

gevestigd te Hoorn,

eiseres,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de vereniging

GEWEST NOORD-HOLLAND/UTRECHT VAN DE KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE SCHAATSENRIJDERS BOND,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.C.J. Ris te Amsterdam.

Partijen zullen hierna WKC en het Gewest genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 april 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van het Gewest, zonder producties,

  • -

    het tussenvonnis van 22 juli 2015 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal (houdende een minnelijke regeling) en het aanvullende inhoudelijke proces-verbaal van comparitie, beide van 11 november 2015, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Vervolgens is de procedure aangehouden op verzoek van partijen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

WKC is een vereniging ter bevordering van de kunstrijsport.

2.2.

Het Gewest is een vereniging die onderdeel uitmaakt van de organisatie van de (nationale) Koninklijke Nederlandsche Schaatsenrijders Bond (KNSB).

2.3.

Het Gewest verhuurt tijdens het schaatsseizoen de kunstijsbaan “De Westfries” in Hoorn (hierna: de kunstijsbaan). WKC is de (onder)huurder.

2.4.

Tussen partijen geldt het Reglement op de bondsrechtspraak van de KNSB. Dat Reglement houdt, voor zover hier van belang, in:

Artikel 20

Conform artikel 24 van de Bondsstatuten, zijn aan de berechting door de geschillencommissie met uitsluiting van de burgerlijke rechter onderworpen alle geschillen tussen […] Enerzijds een gewest en anderzijds een […] bondslid of een lid van of aangesloten bij een bondslid; […]

Artikel 21

1. Als de geschillencommissie fungeert de commissie van beroep […].

Artikel 23

In alle zaken, waarin […] het belang van partijen een onmiddellijke voorziening vordert, kan de voorzitter van de geschillencommissie een geschil als spoedeisend behandelen. […]”

2.5.

Het Gewest heeft aangekondigd dat WKC vanaf 1 januari 2014 niet meer van de kunstijsbaan gebruik mocht maken. Daarop heeft WKC een vordering ingesteld bij de (voorzitter van de) geschillencommissie, bedoeld in het reglement. Haar vordering strekte ertoe om te worden toegelaten tot het gebruik van de kunstijsbaan voor de “standaard” ijsuren van WKC.

2.6.

In zijn beslissing van 21 januari 2014 op dit geschil overwoog de voorzitter van de geschillencommissie, rechtdoende in kort geding:

“Overwegingen

Aan alle onderdelen van de vordering van WKC ligt de stelling ten grondslag dat WKC in de afgelopen jaren telkens bevoegd was de nakoming van haar jegens het Gewest bestaande betalingsverplichtingen volledig op te schorten op de grond dat de haar door het Gewest toegezonden facturen niet altijd volledig juist waren.

Die stelling is onjuist. Een opschortingsbevoegdheid kan worden geldend gemaakt om de wederpartij te prikkelen tot nakoming van haar verplichtingen, in dit geval het doen toekomen van een volledig juiste factuur. Daarbij dient van die bevoegdheid evenwel te allen tijde een niet-disproportioneel gebruik te worden gemaakt. Met name klemt dit wanneer aannemelijk is dat de opschortende partij er zelf meermalen debet aan was – door nalatigheid bij het tijdig verstrekken van de nodige informatie aan het Gewest dat niet telkens meteen een volledig kloppende factuur is verstuurd. Door telkens te lang te wachten met het betalen van de (in ieder geval) verschuldigde huur, ook na herhaalde bezwaren van het Gewest tegen een dergelijk betalingsgedrag, is het WKC zozeer tekort geschoten in de nakoming van haar jegens het Gewest bestaande betalingsverplichtingen dat niet kan worden gezegd dat het Gewest de huurverhouding tussen partijen thans niet wegens wanbetaling zou mogen ontbinden per 1 februari 2014, zoals zij voornemens is te gaan doen.

De door WKC gevraagde voorzieningen zullen haar dan ook worden geweigerd.”

2.7.

Bij brief van 16 april 2014 schreef het Gewest aan WKC:

“Om met hernieuwd vertrouwen de toekomst in te kunnen gaan verzoeken wij U dringend te komen tot een nieuwe, evenwichtige bestuurssamenstelling, hetgeen een juiste afspiegeling zal moeten zijn van de leden van UW vereniging. […]”

2.8.

Op 6 september 2014 schreef [naam 1] ( [functie] ) aan WKC:

“Gisteren heb ik alle mails die u mij had gestuurd goed doorgelezen. Vandaag heb ik gesproken met [naam 2] , voorzitter van het geweest Noord-Holland/Utrecht.

Uit deze bronnen maak ik op dat WKC een conflictueuze geschiedenis heeft gehad met het bestuur van het gewest NH/U. Om die problemen op te lossen zijn juristen ingeschakeld waaruit ook uitspraken van de rechter zijn voortgekomen. Ook hebben AB-leden van de bond, [naam 3] en [naam 4] , met succes bemiddelende rollen gespeeld.

Het eerste is dat de uitspraken van de rechter bindend en richtinggevend zijn.

Het bestuur van het gewest geeft aan in haar besluiten steeds het belang van de sporters het zwaarst te hebben laten wegen en doet dat nog steeds.

De uitspraak van het bestuur van het gewest over de bestuurssamenstelling van WKC moet u daarom opvatten als een dringend advies. Die uitspraak is geen voorwaarde voor ijshuur.

WKC kan ijs huren in de door u aangegeven periode (van 4 oktober 2014 tot 11 maart 2015), als de huur vooraf wordt voldaan volgens de eerdere afspraken daartoe.

Indien, zoals u aangeeft, WKC haar financiële problemen heeft overwonnen, kunt u door de ijshuur vooraf te voldoen ijs huren, zonder verdere voorwaarden.

Er is wat betreft het gewestelijk bestuur geen dispuut meer over achterstallige huur. De uitspraak over de bestuurssamenstelling is geen voorwaarde voor ijshuur.

Met deze uitleg hoop ik u en WKC van dienst te zijn geweest.”

2.9.

Daarna heeft WKC opnieuw een vordering ingesteld bij de (voorzitter van de) geschillencommissie die ertoe strekte het Gewest te gelasten WKC op de kunstijsbaan toe te laten.

2.10.

In zijn beslissing van 9 oktober 2014 op dit geschil overwoog de voorzitter van de geschillencommissie, rechtdoende in kort geding:

“Overwegingen

1. Na de Uitspraak van de voorzitter van de geschillencommissie in kort geding tussen partijen van 21 januari 2014 heeft het Gewest in april 2014 de deur voor hernieuwde ijshuur voor WKC willen openzetten. Daarbij werd door het Gewest wijziging van de bestuurssamenstelling van WKC uitdrukkelijk als voorwaarde gesteld.

2. Aan die voorwaarde is ook thans nog niet voldaan, zoals blijkt uit de schriftelijke berichten tussen partijen van 3 en 5 september 2014.

3. Bij deze stand van zaken kan WKC aan de enkele omstandigheid dat het Gewest eerst op 30 september 2014 met zoveel woorden de e-mail van 6 september 2014 van [naam 1] ( [functie] ) aan WKC heeft weersproken niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben ontleend dat het Gewest in september 2014 niettemin bereid was andermaal aan WKC ijs te gaan verhuren.

4. [naam 1] is immers niet bevoegd namens het Gewest uitspraken/toezeggingen te doen. Het had in de gegeven omstandigheden dan ook op de weg van WKC gelegen om bij het Gewest te informeren of zij de uitspraken van [naam 1] wel goed had verstaan.

5. Hiermee is aan het verzoek van WKC de daarvoor aangedragen grondslag komen te ontvallen. De gevraagde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd met compensatie van kosten als na te melden.”

2.11.

Bij brief van 30 oktober 2014 schreef (de advocaat van) WKC aan het Gewest:

“[…] Beide uitspraken zijn gedaan in de vorm van een bindend advies […]. WKC is van oordeel dat beide beslissingen in verband met de inhoud en de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn en vernietigt hierbij beide beslissingen.”

3 Het geschil

3.1.

WKC vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitspraken van de geschillencommissie van 21 januari 2014 en 9 oktober 2014 vernietigt en het Gewest in de kosten veroordeelt.

3.2.

Het Gewest voert verweer. Haar conclusie strekt ertoe de vorderingen van WKC af te wijzen, WKC te veroordelen in de kosten en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen geldt dat al hun geschillen door de geschillencommissie worden beslist. Partijen merken de beslissingen van de voorzitter van de geschillencommissie, rechtdoende in kort geding, aan als bindend advies. Op grond van artikel 7:904 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is een bindend advies vernietigbaar als de gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.2.

Wat betreft de wijze van totstandkoming van de bindende adviezen heeft WKC op de comparitie gesteld dat zij “steeds afgekapt” werd op de mondelinge behandeling van de geschillencommissie. Naar haar mening heeft de voorzitter van de geschillencommissie haar, op de zitting die plaatsvond in het kader van het bindend advies van 21 januari 2014, niet de gelegenheid gegeven om uiteen te zetten dat geen sprake was van disproportioneel gebruik van een opschortingsbevoegdheid en dat WKC altijd alle bedragen had betaald die WKC diende te betalen, bestaande uit uren × verschuldigd tarief. Haar standpunt luidt dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om haar stellingen toe te lichten, zodat de regels van hoor- en wederhoor zijn geschonden. Het Gewest bestrijdt dit en voert aan dat de zitting ruim een uur heeft geduurd, waarbij iedereen aan het woord is geweest en dat zowel de gemachtigde als de voorzitster van WKC in de gelegenheid zijn gesteld het standpunt van WKC uiteen te zetten.

4.3.

Tot uitgangspunt strekt dat alleen ernstige gebreken kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de wederpartij te houden aan de door een bindend adviseur in opdracht van partijen gegeven beslissing over een geschil (vgl. o.m. HR 22 december 2009, NJ 2010, 18). De rechtbank is van oordeel dat hetgeen WKC ter onderbouwing van haar klacht aanvoert niet voldoende is om tot vernietiging te concluderen. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. WKC is beide procedures begonnen en heeft schriftelijk haar vorderingen kunnen toelichten en stukken kunnen overleggen. Vervolgens is er steeds een mondelinge behandeling geweest, waarbij beide partijen het woord hebben kunnen voeren en dat ook hebben gedaan. Niet gebleken is dat de behandeling van de geschillen die zijn uitgemond in de bindende adviezen zodanig gebrekkig is geweest, dat het Gewest WKC niet aan die bindende adviezen zou mogen houden.

4.4.

WKC stelt dat ook vanwege de inhoud van de beslissingen van de voorzitter van de geschillencommissie de gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Vooropgesteld wordt dat, als gezegd, alleen ernstige gebreken tot vernietiging kunnen leiden. Uitgangspunt is dat een partij bij een bindend advies niet elke onjuistheid in het advies kan inroepen teneinde de bindende kracht daarvan te bestrijden, maar die bestrijding slechts hierop kan gronden dat het advies uit hoofde van zijn inhoud of wijze van totstandkoming zo zeer indruist tegen de redelijkheid en billijkheid dat het naar de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende maatstaven onaanvaardbaar zou zijn dat zij aan dit advies zou kunnen worden gehouden (HR 25 maart 1994, NJ 1995, 23). Dat wil zeggen dat de rechtbank niet het hele geschil tussen WKC en het Gewest (opnieuw) kan beoordelen. Ook is de procedure bij de rechtbank geen (verkapt) hoger beroep tegen de beslissingen van de geschillencommissie. Waar het om gaat is of de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, zijn overschreden.

4.5.

Voor de beslissing van 21 januari 2014 wijst WKC erop dat er sprake is van een evidente misslag, omdat zij haar betalingsverplichting niet volledig heeft opgeschort terwijl de voorzitter van de geschillencommissie dat wel overweegt. WKC betaalde steeds wat zij verschuldigd was, dat wil zeggen hetgeen volgens haar eigen administratie correct was. De voorzitter heeft ten onrechte vastgesteld dat WKC helemaal niets heeft betaald en de voorzitter heeft een “verkeerd argument (namelijk dat WKC een beroep deed op haar opschortingsbevoegdheid) gemotiveerd” en daarmee ook het motiveringsbeginsel geschonden, aldus WKC.

4.6.

Vooropgesteld wordt dat in deze vernietigingsprocedure namens WKC is erkend dat WKC alleen de factuurbedragen heeft betaald voor zover deze volgens haar correct waren, dat niet alle bedragen op tijd zijn betaald en dat WKC op enig moment is gestopt met het betalen van voorschotnota’s. De rechtbank volgt WKC niet in de uitleg die zij aan het bindend advies geeft. De voorzitter van de geschillencommissie heeft niet geoordeeld dat WKC geen enkel bedrag heeft betaald. De tekortkoming van WKC bestaat er volgens de voorzitter uit dat WKC telkens te lang heeft gewacht met het betalen van de (in ieder geval) verschuldigde huur. Van een motiveringsgebrek is evenmin sprake. De voorzitter heeft beoordeeld of de door WKC gevraagde voorzieningen toewijsbaar waren. Daarvoor heeft hij in zijn uitspraak weergegeven hoe hij de stellingen van WKC verstond, te weten als een beroep op een opschortingsrecht. Het gaat hier dus om de uitleg van de stellingen van WKC en niet om een “verkeerd argument”. Daarna heeft de voorzitter de stellingen van partijen over het betalingsgedrag van WKC beoordeeld en geoordeeld dat WKC, ook na herhaalde bezwaren van het Gewest, telkens te lang wachtte met het betalen van de (in ieder geval) verschuldigde huur. Op basis daarvan is de voorzitter tot zijn oordeel gekomen dat WKC disproportioneel gebruik heeft gemaakt van haar opschortingsbevoegdheid. Daarmee heeft de voorzitter zijn oordeel gemotiveerd dat – kort gezegd – het Gewest de huurverhouding tussen partijen wegens wanbetaling mocht ontbinden en dat de door WKC gevraagde voorzieningen zouden worden geweigerd. Gebondenheid aan die beslissing is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.7.

Voor de beslissing van 9 oktober 2014 wijst WKC erop dat de voorzitter van de geschillencommissie ten onrechte niet als uitgangspunt heeft genomen dat het Gewest de eis van een wisseling binnen het bestuur heeft laten varen, zoals blijkt uit de e-mail van 6 september 2014 (zie onder 2.8).

4.8.

Door WKC is niet gesteld dat [naam 1] ( [functie] ) bevoegd was om namens het Gewest toezeggingen te doen. Als vaststaand dient daarom te worden aangenomen dat hij dat niet was. Het gaat er dan ook om of WKC desondanks erop mocht vertrouwen dat [naam 1] namens het Gewest sprak, en meer in het bijzonder, of zij erop mocht vertrouwen dat het Gewest [naam 1] een toereikende volmacht had verleend, als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW.

4.9.

Tussen partijen staat vast dat de leden van het bestuur van het Gewest in de cc van de e-mail van 6 september 2014 waren opgenomen. Uit het verzoekschrift en de pleitnota van de gemachtigde van WKC bij de mondelinge behandeling bij de geschillencommissie blijkt dat dit punt ook onder de aandacht van de geschillencommissie is gebracht. Uit het bindend advies blijkt dat de voorzitter van de geschillencommissie dat onvoldoende vond. In het bindend advies ligt het oordeel besloten dat, ook als het Gewest de e-mail van [naam 1] tegelijk met WKC heeft ontvangen, WKC aan de enkele omstandigheid dat het Gewest deze e-mail pas op 30 september 2014 met zoveel woorden heeft weersproken niet het op grond van artikel 3:61 lid 2 BW vereiste vertrouwen mocht ontlenen. Het oordeel dat het enkele uitblijven van een reactie in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om aan te nemen dat het Gewest het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging droeg, overschrijdt de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen niet. Gebondenheid aan die beslissing is daarom niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.10.

Voor het eerst op de comparitie in deze procedure heeft WKC aangevoerd dat het Gewest misbruik “lijkt” te maken van haar machtspositie. Dit argument is tijdens de behandeling van de geschillen die zijn uitgemond in de bindend adviezen (onbetwist) niet naar voren gebracht door WKC. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank WKC daarom niet volgen in haar betoog dat de geschillencommissie hier tweemaal ten onrechte aan voorbij is gegaan. Ook deze klacht wordt daarom tevergeefs voorgesteld.

4.11.

Slotsom is dat de rechtbank dit bindend advies zal vernietigen omdat niet is gebleken dat aan het bepaalde in artikel 7:904 lid 1 BW is voldaan. De daarop gerichte verklaring voor recht zullen derhalve worden afgewezen.

4.12.

WKC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Gewest worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.517,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt WKC in de proceskosten, aan de zijde van het Gewest tot op heden begroot op € 1.517,00,

5.3.

veroordeelt WKC in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat WKC niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.