Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:4007

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
AMS 17/623
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huursituatie als uitzondering op partnerbegrip ex artikel 3 Awir.

Eiseres en de andere bewoner hebben geen gezamenlijke huurovereenkomst. De woonsituatie tussen eiseres en de andere bewoner is van puur zakelijke aard. Beiden voerden feitelijk een gescheiden huishouding. Op basis van deze feiten en omstandigheden wordt een uitzondering ex artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/623

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2017 in de zaak tussen

[de vrouw 1] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. S. Mathoerapersad),

en

de Belastingdienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. van de Griendt).

Procesverloop

Met een besluit van 3 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft de Belastingdienst Toeslagen het verzoek van [de vrouw 1] om haar kinderopvangtoeslag over 2014 te wijzigen, afgewezen.

[de vrouw 1] heeft bezwaar gemaakt. Met een besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft de Belastingdienst Toeslagen [de vrouw 1] gedeeltelijk gelijk gegeven en een nieuw besluit genomen, waarmee de kinderopvangtoeslag 2014 is verhoogd.

[de vrouw 1] is het niet eens met het nieuwe besluit en heeft beroep ingesteld. De Belastingdienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep van [de vrouw 1] is besproken op de zitting van 4 mei 2017. Namens de Belastingdienst Toeslagen was [de persoon] aanwezig. [de vrouw 1] en haar gemachtigde waren niet aanwezig op de zitting.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?

1. [de vrouw 1] heeft een minderjarig zoontje dat in 2014 naar de kinderopvang ging. [de vrouw 1] ontving daarvoor kinderopvangtoeslag. In de maanden januari tot en met juni 2014 woonde [de vrouw 1] en haar zoontje op hetzelfde adres als [mevrouw] ( [de vrouw 2] ). Volgens de Belastingdienst Toeslagen zijn [de vrouw 1] en [de vrouw 2] daarom toeslagpartners. De kinderopvangtoeslag voor [de vrouw 1] wordt toegekend aan [de vrouw 2] , omdat zij als eerste kinderopvangtoeslag voor haar kinderen heeft aangevraagd. [de vrouw 1] en [de vrouw 2] moeten dit volgens de Belastingdienst Toeslagen onderling verrekenen.

Waarom is [de vrouw 1] het hier niet mee eens?

2. [de vrouw 1] vindt dat zij en [de vrouw 2] geen toeslagpartners zijn. Zij zijn allebei dakloos geweest en vervolgens na en los van elkaar opgevangen in een speciaal daarvoor ingerichte groepswoning van woningbouwvereniging Rochdale. Zij kennen elkaar niet. Zij en [de vrouw 2] hebben ieder een eigen woonruimte en delen alleen de keuken en badkamer samen. Ze hebben gescheiden huishoudens en gescheiden financiën. Het gevolg van het toeslagpartnerschap is dat [de vrouw 2] ten onrechte de kinderopvangtoeslag van [de vrouw 1] ontvangt. [de vrouw 1] vreest bovendien dat [de vrouw 2] , met wie zij geen persoonlijke relatie heeft, zal weigeren de kinderopvangtoeslag aan [de vrouw 1] te betalen of fraude zal plegen met haar toeslaggegevens.

Wat staat er in de wet?

3. Voor deze uitspraak is artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van belang.1 Uit dit artikel blijkt dat de hoofdregel is dat twee volwassenen die staan ingeschreven op hetzelfde adres, waarop ook een kind van één van hen staat ingeschreven, automatisch elkaars toeslagpartner zijn. Op deze hoofdregel wordt een uitzondering gemaakt als de ene bewoner als onderhuurder een deel van de woning huurt van de andere bewoner en hiervan een zakelijke overeenkomst is opgemaakt.

Hoe was de woonsituatie van [de vrouw 1] in 2014?

4. In het dossier zit een ongedateerde huurovereenkomst tussen Rochdale als verhuurder en [de vrouw 2] en [de heer] als huurders van de onzelfstandige woonruimte aan [de straat] . Verder zit in het dossier een brief van Rochdale aan [de vrouw 2] waarin staat vermeld dat [de vrouw 1] per 6 mei 2013 huurder is van deze groepswoning en dat zij beiden vanaf die datum verantwoordelijk zijn voor betaling van de huur en goede oplevering van de groepswoning. Ten slotte is er een brief van Rochdale van 21 februari 2014 gericht aan [de vrouw 2] en [de vrouw 1] waarin staat dat de woning op hun namen staat, dat het een groepswoning betreft met twee woon/slaapkamers met een slot waardoor deze ruimte niet voor de medebewoner toegankelijk is en dat het gaat om een onzelfstandige woonruimte waar de badkamer, toilet en keuken gedeeld worden. De bestemming van deze groepswoning is volgens Rochdale om afzonderlijk te wonen/huren. Helaas geeft het verwarring omdat het één huisnummer betreft en er maar één huurprijs is, die zij zelf onderling dienen te verdelen, aldus Rochdale.

Wat betekent dit voor deze zaak?

5.1.

Omdat [de vrouw 1] en [de vrouw 2] samen met hun minderjarige kinderen op één adres woonden waren zij in dat jaar volgens de hoofdregel automatisch toeslagpartners. Van onderhuur, waarbij de ene bewoner huurt van de andere, was geen sprake. Dit is ook het standpunt van de Belastingdienst Toeslagen.

5.2.

De rechtbank heeft zichzelf de vraag gesteld of – gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden – in het geval van [de vrouw 1] toch een uitzondering op de hoofdregel moet worden gemaakt. De rechtbank heeft in dit verband gekeken naar de wetsgeschiedenis van de wijziging van de Awir, waardoor samengestelde gezinnen vanaf 2013 onder het partnerbegrip vielen. Toen deze regel werd ingevoerd, heeft de wetgever toegelicht wat het doel ervan is.2

De wetgever schrijft:

Met deze bepaling wordt beoogd om zogenoemde samengestelde gezinnen in een vergelijkbare situatie te brengen als gezinnen waarvan de ouders voor de fiscaliteit en toeslagen wel als partner worden aangemerkt. Hiermee wordt voorkomen dat samengestelde gezinnen waarvan de ouders niet onder de bestaande partnercriteria vallen een voordeel kunnen genieten ten opzichte van gezinnen waarvan de ouders voor de fiscaliteit en toeslagen wel als partner worden aangemerkt.

Uit deze toelichting blijkt volgens de rechtbank duidelijk dat de regeling is bedoeld voor samengestelde gezinnen, dus twee partners die samen met één of meerdere kinderen van één van hun tweeën een nieuw gezin vormen. Samengestelde gezinnen vormen net zo goed als traditionele gezinnen, waarbij twee ouders samen met hun kind(eren) in één huis wonen, een gezamenlijk huishouden en daarom wil de wetgever dat zij op dezelfde manier behandeld worden. Partners in een traditioneel gezin waren al toeslagpartners en met deze regeling worden partners in samengestelde gezinnen dat ook.

Op de gemaakte uitzondering op de hoofdregel geeft de wetgever de volgende toelichting:

Om ongewenste effecten te voorkomen [wordt] een tegenbewijsregeling opgenomen voor het geval sprake is van een (onder)huursituatie.”

De rechtbank begrijpt dat met ongewenste effecten wordt bedoeld dat op grond van de hoofdregel ook mensen als toeslagpartner worden aangemerkt die wel op één adres wonen, waar ook een kind van één van beiden woont, maar geen samengesteld gezin zijn en enkel een zakelijke (onder)huurrelatie met elkaar hebben.

5.3.

In de letterlijke wettekst wordt alleen een uitzondering gemaakt voor een onderhuursituatie. In de toelichting heeft wetgever het echter niet over een onderhuursituatie maar over een ‘(onder)huursituatie’, die dus uit meer kan bestaan dan alleen onderhuur. In een uitspraak van 31 januari 2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2017:637) daarom geoordeeld dat, gelet op de bedoeling en de toelichting van de wetgever, ook bij huur sprake kan zijn van de bedoelde uitzondering, als deze huursituatie puur zakelijk van aard is en feitelijk een gescheiden huishouding wordt gevoerd. De rechtbank verwijst naar het dilemma waar ook de rechtbank Midden-Nederland zich in die zaak voor geplaatst zag en sluit aan bij de in die uitspraak verwoorde motivering en uitleg die tot de uiteindelijke beslissing in die zaak heeft geleid.

5.4.

Op de zitting heeft de rechtbank deze uitspraak met de Belastingdienst Toeslagen besproken. De Belastingdienst Toeslagen is het met [de vrouw 1] eens dat zij en [de vrouw 2] niet samen één huishouden vormden, maar vindt ook dat op basis van de hoofdregel, waarvan niet kan worden afgeweken, zij wel elkaars toeslagpartner zijn. Verder vindt de Belastingdienst Toeslagen dat de situatie van [de vrouw 1] niet vergelijkbaar is met de situatie waarover de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland gaat. In die zaak was namelijk sprake van twee aparte huurovereenkomsten, terwijl [de vrouw 1] en [de vrouw 2] de woning samen huurden en gezamenlijk één huurprijs betaalden.

5.5.

De rechtbank stelt vast dat [de vrouw 1] en [de vrouw 2] in 2014 geen samengesteld gezin vormden en hun huishoudens economisch gescheiden waren. Zij hadden alleen een zakelijke huurrelatie met elkaar. Dat zij gezamenlijk één huurprijs betaalden die zij onderling moesten verrekenen, maakt hun huurrelatie niet minder zakelijk. Uit het dossier blijkt namelijk duidelijk dat de woningbouwvereniging, en dus niet [de vrouw 1] en [de vrouw 2] , voor deze constructie heeft gekozen. Van een gezamenlijke huurovereenkomst is bovendien, anders dan de Belastingdienst Toeslagen beweert en net als in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, geen sprake. De situatie van [de vrouw 1] en [de vrouw 2] valt daarmee onder de uitzondering die ook de rechtbank Midden-Nederland heeft aangenomen. Dat betekent dat zij in 2014 geen toeslagpartners waren.

Conclusie

6.1.

Het beroep is gegrond. De Belastingdienst Toeslagen heeft [de vrouw 1] en [de vrouw 2] ten onrechte als toeslagpartners aangemerkt. Het besluit wordt vernietigd en de Belastingdienst Toeslagen moet de kinderopvangtoeslag 2014 van [de vrouw 1] opnieuw vaststellen, zonder daarbij uit te gaan van [de vrouw 2] als toeslagpartner.

6.2.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de Belastingdienst Toeslagen aan [de vrouw 1] het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten moet vergoeden. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Als aan [de vrouw 1] een toevoeging is verleend, moet de Belastingdienst Toeslagen de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [de vrouw 1] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van [de vrouw 1] tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.R. Vastenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S. Boomhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u daartegen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Is uw zaak heel spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u daarom vragen bij de hogerberoepsrechter.

Bijlage met wettelijke bepalingen

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 3. Partner

1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

2 In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en:

[…]

e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander

[…].

1 De letterlijke wettekst is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.

2 Memorie van toelichting, wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, Kamerstukken II, 2011/12, 33 004, nr. 3, blz. 78-79