Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
DX EXPL 16-91
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenleaseovereenkomst, gebondenheid aan de WCAM-overeenkomst (Duisenbergregeling),

artikel 7:908 lid 3 BW is in het onderhavige geval niet van toepassing;

Vordering tot betaling van een schadevergoeding; Afnemer heeft niet vóór 1 augustus 2007 bij de notaris een opt-out-verklaring ingediend. Gelet op de verbindendverklaring door het Hof Amsterdam van de WCAM-overeenkomst en nu zowel afnemer als de echtgenote van afnemer niet (tijdig) een opt-outverklaring hebben ingediend, zijn zij gebonden aan deze WCAM-overeenkomst die (ook) jegens hen het karakter van een vaststellingsovereenkomst heeft. Hetgeen afnemer dienaangaande heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Artikel 7:908 lid 3 is in het onderhavige geval niet van toepassing. De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van afnemer worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 5036992 DX EXPL 16-91

vonnis van: 12 januari 2017

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. N. Boerman-Hove,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

De procedure

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 mei 2015 van 10 eisers, waaronder [eiser] , met producties.

  • -

    het verzoek van 14 maart 2016 van Dexia om splitsing van het procesdossier en de reactie van 21 maart 2016 van eisers.

  • -

    Bij rolmededeling van 7 april 2016 is beslist dat het procesdossier zal worden gesplitst. Vervolgens is bepaald dat eisers in de gelegenheid wordt gesteld per eiser een nadere akte in te dienen. Vervolgens zijn ingediend:

  • -

    de nadere akte van [eiser] ,

  • -

    de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

  • -

    Bij tussenvonnis van 14 juli 2016 is bepaald dat de onderhavige zaak schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend.

  • -

    de conclusie van repliek in van [eiser] , met een productie,

  • -

    de conclusie van dupliek van Dexia.

Vonnis is bepaald op heden.

Gronden van de beslissing
De feiten
2. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

2.1. Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2 [eiser] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contractnr]

22-05-1998

Capital Effect

180 mnd

ƒ 90.225,00

II.

[contractnr]

22-05-1998

Capital Effect

180 mnd

ƒ 90.225,00

III.

[contractnr]

22-05-1998

Capital Effect

180 mnd

ƒ 90.225,00

IV.

[contractnr]

28-03-2000

Capital Effect

180 mnd

ƒ 59.976,17

V.

[contractnr]

28-03-2000

Capital Effect

180 mnd

ƒ 59.976,17

VI.

[contractnr]

07-05-1997

Multiplier Effect

60 mnd

ƒ 331.129,08

VII.

[contractnr]

22-05-1998

Multiplier Effect

60 mnd

ƒ 156.671,21

VIII.

[contractnr]

28-03-2000

Multiplier Effect

60 mnd

ƒ 26.375,21

IX.

[contractnr]

29-03-2000

Profit Effect

120 mnd

ƒ 32.962,46

2.3. Dexia heeft met betrekking tot deze lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

01-12-2005

- € 54,67

ja

II.

09-10-2003

+ € 0,00

nvt

III.

28-06-2004

+ € 0,00

nvt

IV.

01-12-2005

+ € 199,18

nvt

V.

01-12-2005

+ € 199,18

nvt

VI.

08-06-1998

+ ƒ 151.445,27

nvt

VII.

23-03-2000

+ € 29.024,64

nvt

VIII.

29-03-2010

- € 2.663,31

ja

IX.

22-11-2012

- € 1.553,88

afgeboekt

2.4. In totaal heeft [eiser] op grond van deze lease-overeenkomsten volgens Dexia een bedrag van € 140.999,58 terzake aan maandtermijnen en een bedrag van € 1.045,37 aan restschuld aan Dexia betaald. Vervolgens heeft [eiser] een bedrag van € 22.988,15 aan dividenden en een bedrag van € 133.758,37 aan ander voordeel terzake de lease-overeenkomsten ontvangen.

3 Vordering van [eiser]

3.1.

[eiser] vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld wegens schending van de bijzondere zorgplicht en schending van artikel 25 NR 1995 dan wel artikel 41 NR 1999 en Dexia te veroordelen tot betaling van primair een schadevergoeding ten bedrage van
€ 88.877,50 en subsidiair een schadevergoeding ten bedrag van 66,67% van de totale schade.

- [eiser] vordert voorts dat bij vonnis voor recht wordt verklaard dat de onbetaald gebleven termijnen en/of onbetaald gebleven bedragen van eindafrekeningen middels ontbinding komen te vervallen.

- [eiser] vordert de artikelen 2,3 of 5 uit de lease-overeenkomsten zelf, welke gaan over het verlenen van en korting van 50% over de nog resterende termijnen of dat van de nog resterende vooruitbetaalde termijnen 50% wordt teruggegeven, evenals artikel 6 Bijzonder Voorwaarden Effectenlease nietig te verklaren wegens strijd met artikel 33 onder e jo artikel 13 Besluit kredietvergoedingen, welke krachtens 35 WCK tot stand is gekomen, aangezien er maximaal en kredietvergoeding van 5% van de kredietsom berekend mag worden;
- [eiser] vordert verder de artikelen 2,3 of 5 uit de lease-overeenkomsten zelf, welke gaan over het verlenen van en korting van 50% over de nog resterende termijnen of dat van de nog resterende vooruitbetaalde termijnen 50% wordt teruggegeven, evenals artikel 6 Bijzonder Voorwaarden Effectenlease te vernietigen, aangezien het hier gaat om oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13/EEG, zodat door de terugwerkende kracht geacht wordt dat de bepalingen nimmer hebben bestaan;
- [eiser] vordert vervolgens het bedrag bedoeld in sub II en sub III te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door de afnemer, althans vanaf d dag dat Dexia in verzuim verkeert tot aan de dag van algehele terugbetaling, conform het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198.
-Tot besluit vordert [eiser] Dexia te veroordelen de uitbetaling van voornoemde bedragen te verrichten aan/op bankrekeningnummer 61.37.25.956 ten name van Stichting Derdengelden Juridico te Almelo conform het gestelde in de volmacht.

4 Standpunten partijen

4.1.

[eiser] stelt dat de Duisenbergregeling door de kantonrechter dient te worden ontbonden dan wel gewijzigd voor zover het overeenkomst I betreft. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat bij de totstandkoming van deze WCAM-overeenkomst geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat betrokken tussenpersonen niet over de vereiste vergunningen ex Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 zouden beschikken.

4.2.

[eiser] stelt verder dat de lease-overeenkomsten II tot en met VII niet tot een vergoeding hebben geleid, zodat hij conform artikel 2.3 onder a jo artikelen 4 tot en met 8 van de WCAM-overeenkomst niet als ‘gerechtigde’ kan worden aangemerkt. Dat betekent volgens [eiser] dat hij geen opt-outverklaring behoefde in te dienen.

4.3.

[eiser] stelt voorts dat de lease-overeenkomsten VIII en IX tijdens de opt-out-periode nog niet waren beëindigd. Dat betekent volgens [eiser] dat de schade zich eerst na het verloop van de periode heeft gemanifesteerd en aldus Dexia hem na de beëindiging van de overeenkomsten nog gelegenheid had behoren te bieden een opt-outverklaring uit te brengen.

4.2.

Dexia betwist de vorderingen van [eiser] .

5 Beoordeling van de vorderingen

5.1.

Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427, LJN AZ7033) heeft het Gerechtshof te Amsterdam de op 8 mei 2006 door Dexia en enige andere belangenorganisaties gesloten overeenkomst (hierna: de WCAM-overeenkomst, in de processtukken overigens ook wel Duisenbergregeling genoemd), algemeen verbindend verklaard. Daarmee gold deze overeenkomst als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:907 BW tussen Dexia en de in de overeenkomst omschreven kring der gerechtigden. De WCAM-overeenkomst bepaalt op welke manier effectenlease-overeenkomsten tussen Dexia en deze gerechtigden behoren te worden afgewikkeld.

5.2.

Het Gerechtshof heeft in voornoemde beschikking aangegeven op welke manier Dexia bekendheid moest geven aan de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, aan de gevolgen daarvan, aan de omstandigheid dat alle gerechtigden daaraan gebonden waren en aan de mogelijkheid om een zogenaamde ‘opt-out-verklaring’ in te dienen. Gewezen wordt op de rechtsoverwegingen 10.2 tot en met 10.6 van de beschikking. Gelet op de datum dat Dexia de bekendmakingen heeft gepubliceerd dienden deze opt-outverklaringen – waardoor een gerechtigde niet langer aan de WCAM-overeenkomst gebonden was – vóór 1 augustus 2007 bij de notaris ingediend te worden.

5.3.

[eiser] heeft niet vóór 1 augustus 2007 bij de notaris een opt-out-verklaring ingediend. [eiser] heeft in de loop van deze procedure een opt-outverklaring gedateerd 11 juli 2016 in het geding gebracht.

Gebondenheid aan de WCAM-overeenkomst (Duisenbergregeling)

6.1.

Voor zover [eiser] heeft bedoeld met betrekking tot de lease-overeenkomsten aan te voeren dat hij niet aan de WCAM-overeenkomst gebonden is of dat het niet tijdig indienen een opt-outverklaring niet aan hem kan worden tegengeworpen, wordt overwogen als volgt.

Zoals bij 5.2. aangegeven heeft het Hof in de beschikking waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend wordt verklaard precies aangegeven op welke manier Dexia bekendheid moest geven aan de regeling en aan de mogelijkheid een opt-outverklaring in te dienen.

6.2.

Ten aanzien van de lease-overeenkomst I wordt het volgende overwogen. Nu [eiser] erkent dat hij als ‘gerechtigde’ kan worden aangemerkt, had hij - indien hij niet aan de betreffende Duisenbergregeling gebonden te willen zijn – vóór 1 augustus 2007 bij de notaris een opt-out-verklaring behoren in te dienen. [eiser] heeft nagelaten de grondslag of samenhangende grondslagen van zijn standpunt dat de Duisenbergeregeling voor zover het overeenkomst I betreft dient te worden ontbonden dan wel gewijzigd inzichtelijk te maken dan wel te onderbouwen. De verwijzing naar recente ontwikkelingen in de rechtspraak met betrekking tot de effectenlease-overeenkomsten is in dat kader onvoldoende. Gewezen wordt nog op de het gedachtegoed en de wijze van totstandkoming van de Duisenbergregeling, waarbij beoogd werd te voorkomen dat betrokkenen in langdurige procedures verzeild raakten. Dit deel van de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

[eiser] is gebonden aan deze overeenkomst die (ook) jegens hem het karakter van een vaststellingsovereenkomst heeft.

6.3.

Gesteld noch gebleken is dat op [eiser] (contractant) met betrekking tot de lease-overeenkomsten II tot en met VII één van de in artikel 2.2 of 2.3 van de WCAM-overeenkomst bepaalde uitzonderingen van toepassing is. Daarbij is het volgende van belang.

Vast staat dat [eiser] geen vergoeding uit hoofde van de Duisenbergregeling heeft ontvangen. Dit hield verband met de omstandigheid dat hij positieve eindresultaten op de
lease-overeenkomsten II tot en met VII heeft behaald.

6.4.

[eiser] meent dat hij met betrekking tot de lease-overeenkomsten II tot en met VII niet kan worden aangemerkt als ‘gerechtigde’, omdat deze overeenkomsten zijn uitgesloten door artikel 2.3 onder a WCAM-overeenkomst. Dat leidt er volgens [eiser] toe dat hij zich kan aan de werking van de Duisenbergregeling kan onttrekken.

Artikel 2.3. onder a WCAM-overeenkomst ziet slechts op die gevallen waarin de Duisenbergregeling niet in enige vergoeding van de afnemer kan voorzien. Daarvan is sprake indien een afnemer partij is bij uitsluitend dergelijke overeenkomsten. In dat geval voorziet de Duisenbergregeling nimmer in een vergoeding. Geconstateerd wordt dat in het geval van [eiser] hiervan geen sprake is. De door hem afgesloten overeenkomsten (althans meerdere daarvan) komen wel voor een vergoeding in aanmerking, maar omdat deze overenkomst(en) positieve eindresultaten hebben geboekt ontvangt [eiser] geen vergoeding. De vergoeding zag slechts op een percentage van de restschuld.
Artikel 11 WCAM-overeenkomst heeft betrekking op voorrang bij de vaststelling van het vergoedingsrecht en niet wie als gerechtigde dient te worden aangemerkt.

[eiser] is daarom overeenkomstig de hoofdregel van artikel 2.1 van de WCAM-overeenkomst aan te merken als een gerechtigde bij die overeenkomst. Op grond van artikel 2.4 van de WCAM-overeenkomst geldt dat ook voor de echtgenote van [eiser] .

Gelet op de verbindendverklaring door het Hof Amsterdam van de WCAM-overeenkomst en nu zowel [eiser] als de echtgenote van [eiser] niet (tijdig) een opt-outverklaring hebben ingediend, zijn zij gebonden aan deze overeenkomst die (ook) jegens hen het karakter van een vaststellingsovereenkomst heeft.

6.5.

Ten aanzien van de lease-overeenkomsten VIII en IX heeft [eiser] nog gesteld dat, nu de hieruit voortvloeiende schade zich eerst na het verloop van de opt-out-periode heeft gemanifesteerd, hij conform artikel 7:908 lid 3 door Dexia in de gelegenheid had behoren te worden gesteld alsnog een opt-outverklaring uit te brengen. Dit standpunt wordt niet gevolgd.

Immers, artikel 7:908 lid 3 BW is slechts aan de orde indien de gerechtigde niet met zijn schade bekend kon zijn. In dat geval heeft een verbindendverklaring geen gevolg indien de gerechtigde na het bekend raken van zijn schade door een schriftelijke mededeling aan in casu Dexia heeft laten weten niet gebonden te willen zijn. Echter, in het onderhavige geval heeft de Duisenbergregeling, de daaraan voorafgaande onderhandelingen en de aan de afnemers gezonden correspondentie met betrekking tot de Duisbergeregeling voor alle afnemers helder gemaakt dat de lease-overeenkomsten met een verlies (schade) kon eindigen. Daarnaast heeft [eiser] ieder jaar terzake deze overeenkomsten jaaroverzichten (productie 6 bij conclusie van antwoord van Dexia) ontvangen, zodat ook hieruit bleek dat er een restschuld zou ontstaan. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] bekend kon zijn met de omstandigheid dat er terzake de twee overeenkomsten VIII en IX een restschuld kon ontstaan.

Weren gericht tegen (al) de effectenlease-overeenkomsten

7.1.

Artikel 14 lid 1 van de WCAM-overeenkomst bepaalt onder meer dat elke gerechtigde aan Dexia kwijting verleent terzake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid, het aangaan en de uitvoering van de effectenlease-overeenkomsten en de wijze waarop voor dergelijke overeenkomst reclame is gemaakt of anderszins het aangaan daarvan is bevorderd, ongeacht de aard en grondslag van dergelijke vordering.

7.2.

Uit artikel 14 lid 1 van de WCAM-overeenkomst volgt aldus dat (als eenmaal de WCAM-overeenkomst verbindend is geworden) de Afnemers en hun eega’s die niet zijn uitgestapt (geen opt-out-verklaring hebben ingediend) ook hun vorderingen in verband met lease-overeenkomsten hebben prijsgegeven, in verband waarmee reeds door een buitengerechtelijke verklaring van de afnemer of zijn eega een beroep op vernietigbaarheid is gedaan.

Hetgeen door [eiser] is aangevoerd ter onderbouwing van zijn stellingen betreffende de effectenlease-overeenkomsten – waaronder het standpunt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld wegens schending van de bijzondere zorgplicht en schending van artikel 25 NR 1995 dan wel artikel 41 NR 1999 – stuit daar op af en behoeft geen bespreking meer.

7.3.

Nu niet is gebleken van een tijdig ingediende en rechtsgeldige opt-out-verklaring, is [eiser] gebonden aan de Duisenberg-regeling in die zin dat hij afstand heeft gedaan van haar recht om Dexia uit hoofde van de lease-overeenkomsten aan te spreken. De vorderingen van [eiser] dienen dan ook te worden afgewezen.

Weliswaar heeft [eiser] bij deze rechtbank nog een opt-outverklaring gedateerd 11 juli 2016 ingediend, maar deze verklaring is a) niet tijdig (te weten voor 1 augustus 2007)
en b) bij de verkeerde instantie ingediend. Aan deze verklaring wordt dan ook voorbij gegaan.

8.1.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van Dexia.

8.2.

Hetgeen partijen overigens verdeeld houdt, behoeft geen verdere beoordeling meer.

Beslissing


De kantonrechter:

I. wijst de vorderingen van [eiser] af;

II. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van Dexia en tot op heden begroot op € 800,00 aan salaris gemachtigde en nihil aan verschotten;

III. veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

IV. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter