Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3953

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
03-07-2017
Zaaknummer
13/993054-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijf. BTW carrousel. Katvanger. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993054-14 (Promis)

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 en 16 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. Pestman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

primair:

[bedrijf] B.V. in de periode van 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010, te Amsterdam en/of Noordwijk en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte omzetbelasting over het 2e kwartaal 2010, op naam gesteld van [bedrijf] B.V., niet doet terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, dan wel alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, dan wel alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

(Artikel 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen,

Artikel 51 lid 2 Wetboek van strafrecht)

subsidiair:

[bedrijf] B.V. in de periode van 1 juli 2010 tot en met 17 oktober 2012, te Amsterdam en/of Noordwijk en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte omzetbelasting over het 2e kwartaal 2010, op naam gesteld van [bedrijf] B.V., niet doet en/of heeft laten doen, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belastingen werd geheven en/of afgedragen,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 oktober 2012 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, een bankrekeningnummer ten name van [bedrijf] geopend/willen openen en/of de te naam stelling van een bankrekeningnummer ten name van [bedrijf] BV (willen) over(genomen)/nemen en/of zich voorgedaan als bestuurder/enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V. en/of door zich voor te doen als bestuurder van [bedrijf] B.V. aan anderen die werkzaam waren in [bedrijf] BV de gelegenheid heeft gegeven geen aangiften omzetbelasting te doen.

art. 69 lid 1 AWR jo. 47 en 48 Wetboek van Strafrecht

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard, althans dat in ieder geval het subsidiair ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard als verdachte van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

[bedrijf] B.V. heeft geen aangifte omzetbelasting gedaan over het tweede kwartaal van 2010. Hierdoor heeft de Belastingdienst nadeel genoten. Verdachte heeft dit bedrijf op zijn naam laten zetten, puur uit eigen belang. Daarmee is hij een onmisbare schakel voor de fraude geweest.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte opzet had om als katvanger op te treden voor de ten laste gelegde feiten. De omstandigheid dat verdachte formeel bestuurder was van [bedrijf] B.V. betekent niet dat hij ook feitelijk leidinggever was. De ondergrens voor bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven is bekendheid met de strafrechtelijke gedragingen. Nu die bekendheid er niet was, kan opzet ook niet worden bewezen. Om die reden kan ook medeplichtigheid aan het feit niet worden bewezen. Overigens kan het proberen van een bankrekening te openen nooit tot een veroordeling leiden, aangezien poging tot medeplichtigheid niet strafbaar is.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf] B.V. geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan over het tweede kwartaal van 2010, terwijl er in die periode wel economische activiteiten op haar naam zijn verricht. Immers uit het dossier blijkt dat er een groot aantal goederen op naam van [bedrijf] B.V. zijn gekocht en verkocht. Door hierover geen aangifte omzetbelasting te doen, is te weinig omzetbelasting geheven. Dit gebeurde bovendien opzettelijk, nu alle handelingen binnen [bedrijf] B.V. plaatsvonden in het kader van een BTW carrousel, een vorm van fraude die per definitie gericht is op het verkrijgen van voordeel als gevolg van het niet (volledig) voldoen aan de belastingplicht.

Verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan door [bedrijf] B.V. gepleegde strafbare feiten.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] B.V. was. Formeel was hij dus verantwoordelijk voor de handelingen van het bedrijf. Uit het dossier blijkt echter ook dat verdachte feitelijk geen handelingen heeft verricht voor het bedrijf, maar dat de feitelijke handelingen zijn verricht door [persoon] .

Hoewel is gebleken dat verdachte zijn functie als statutair bestuurder lichtvaardig heeft aanvaard en nooit uitvoering heeft gegeven aan de wettelijke verplichtingen die daaruit voortvloeiden – verdachte heeft zich immers op geen enkel moment bekommerd om de vraag of er economische activiteiten binnen [bedrijf] B.V. plaatsvonden, noch heeft hij zicht proberen te krijgen op de administratie van het bedrijf – kan niet worden bewezen dat verdachte al vanaf het aanvaarden van het bestuurderschap er van op de hoogte was dat de vennootschap enkel bedoeld was voor het plegen van (BTW) fraude. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om verdachte als feitelijk leidinggever van de gepleegde strafbare feiten aan te merken. Daarvoor moet immers blijken dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om maatregelen ter voorkoming van die strafbare gedragingen te nemen. Dit vereist een zekere macht, invloed en verantwoordelijkheid ten aanzien van de strafbare gedragingen. Ten aanzien van verdachte is daarvan niet gebleken.

Gelet hierop acht de rechtbank het primair ten laste gelegde niet bewezen.

4.3.2.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – had op de gepleegde strafbare feiten. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte wist dat er fraude zou worden gepleegd met [bedrijf] B.V. Voor een bewezenverklaring is dan noodzakelijk dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat zou gebeuren en dat hij dat met zijn handelen mogelijk zou maken. De enkele omstandigheid dat hij niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen van een formeel bestuurder, is daarvoor onvoldoende. Dit zou mogelijk anders zijn als vastgesteld kon worden dat verdachte een aanzienlijk geldbedrag heeft gekregen voor zijn (geringe) handelingen of wist dat er economische activiteiten plaatsvonden, maar zich daar niet om heeft bekommerd, maar het dossier biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt.

Verdachte moet daarom ook worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de ten laste gelegde feitelijke handelingen van verdachte nooit tot medeplichtigheid aan het opzettelijk niet doen van aangifte omzetbelasting konden strekken. Immers, niet valt in te zien hoe het proberen te openen van een bankrekening – hetgeen niet is gelukt – of het zich voordoen als bestuurder, er aan bij zou kunnen dragen dat anderen nalaten om aangifte omzetbelasting te doen.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 maart 2017.