Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:394

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
13/707028-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbreuk op het auteursrecht van CBR en IBKI door middel van heimelijk opnemen en verveelvoudigen van examenvragen met commerciële doeleinden. Diefstal in vereniging van examenvragen CBR en IBKI door midden opnemen examenvragen met een spybril. Vrijspraak medeplegen en medeplichtigheid van een partieel deel van het ten laste gelegde nu verdachte als vennoot beperkte zeggenschap en wetenschap had over hetgeen zich in de vennootschap onder firma afspeelde, niet voldaan aan Slavenburgcriterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/707028-15

Datum uitspraak: 25 januari 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. de Groot en van hetgeen de raadsman van verdachte mr. R.J. Mesland naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen),immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- tijdens een of meerdere theorie-examen(s) van voornoemd CBR (met behulp van een spybril) een of meerdere opname(s) gemaakt van een of meerdere examenvra(a)g(en) en/of

- een of meerdere van voornoemde opname(s) van die examenvra(a)g(en) (vervolgens) gebruikt voor de theorieles(sen) en/of openbaar gemaakt tijdens die theorielessen van de rijschool van zijn, verdachte, en/of haar mededader(s) en/of

- voornoemde opname(s) van examenvra(a)g(en) ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en/of uit winstbejag bewaard, terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) van het plegen van voornoemd misdrijf haar/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;

en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans voor zich, (telkens) opzettelijk inbreuk heeft/hebben gemaakt op het auteursrecht van het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn /hun mededader(s) opzettelijk

- tijdens een of meerdere theorie-examen(s) van voornoemd CBR (met behulp van een spybril) een of meerdere opname(s) gemaakt van een of meerdere examenvra(a)g(en) en/of

- een of meerdere van voornoemde opname(s) van die examenvra(a)g(en) (vervolgens) gebruikt voor de theorieles(sen) en/of openbaar gemaakt tijdens die theorielessen van de rijschool van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) en/of

- voornoemde opname(s) van examenvra(a)g(en) ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en/of uit winstbejag bewaard,
terwijl [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) van het plegen van voornoemd misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- actief vennoot te zijn van de rijschool van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , terwijl hij wetenschap had van voornoemde beroepsmatige inbreuk op het auteursrecht van het CBR door medevenno(o)t(en) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of

- een actieve bijdrage te leveren aan een poging diefstal van examenvragen van het CBR op of omstreeks 9 oktober 2013;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans voor zich, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een of meerdere examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/zijn/hun mededader(s),

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- actief vennoot te zijn van de rijschool van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , terwijl hij wetenschap had van voornoemde diefstallen door medevenno(o)t(en) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , alsmede van de daarmee samenhangende en in feit 1 genoemde beroepsmatige inbreuk op het auteursrecht van het CBR en/of

- zelf op 3 april 2013 met een spybril opnames te maken van examenvragen van een theorie-examen van het CBR;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en/of Zwolle en/of Zaandam en/of Best en/of Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het IBKI, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- tijdens een of meerdere theorie-examen(s) van voornoemd IBKI (met behulp van een spybril) een of meerdere opname(s) gemaakt van een of meerdere examenvra(a)g(en) en/of

- een of meerdere van voornoemde opname(s) van die examenvra(a)g(en) (vervolgens) gebruikt voor de theorieles(sen) van de rijschool van zijn, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

- voornoemde opname(s) van examenvra(a)g(en) ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en/of uit winstbejag bewaard,
terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) van het plegen van voornoemd misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en/of Zwolle en/of Zaandam en/of Best en/of Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan het IBKI, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 9 oktober 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het CBR (Centraal bureau Rijvaardigheidsbewijzen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen met zijn mededader(s), althans alleen, met een spybril naar een theorie-examen van het CBR is toegegaan en/of (vervolgens) heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- die spybril opgezet en/of

- deel genomen aan dat theorie-examen van het CBR en/of bij voornoemd theorie-examen een of meerdere opname(s) gemaakt van de examenvra(a)g(en).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van het onder feit 1 en 3 ten laste gelegde:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie ten aanzien van het onder feit 1 en 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uit de Aanwijzing intellectuele-eigendomsfraude (hierna: de Aanwijzing) volgt dat bestrijding van inbreuken op intellectuele eigendomsrechten dient te geschieden via civielrechtelijk optreden van de belanghebbenden. Zowel het Centraal Bureau voor de Rijvaardigheid (hierna: het CBR) als het Innovam Branche Kwalificatie Instituut (hierna: het IBKI) hebben echter geen civielrechtelijke stappen ondernomen. Het strafrecht komt alleen in beeld als het algemeen belang in het geding is, hetgeen volgens de verdediging in de onderhavige zaak niet is gebleken. Nu het Openbaar Ministerie ondanks de Aanwijzing vervolging tegen verdachte heeft ingesteld zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Een zo vergaande sanctie als de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie kan slechts volgen indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Deze situatie is hier niet aan de orde. De Aanwijzing waar de raadsman naar verwijst is recht in de zin van artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Uit de Aanwijzing volgt dat strafrechtelijke vervolging mogelijk is wanneer het algemeen belang in het geding komt. De rechtbank stelt vast dat het systeem van theorie-examinering voor het behalen van het rijbewijs en/of van een certificaat tot rijinstructeur, is ontworpen ten behoeve van de verkeersveiligheid op de openbare weg. Hiermee wordt een algemeen belang gediend. Nu de verdenking het beroepsmatig inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI betreft, is de rechtbank van oordeel dat het reeds beschreven algemeen belang van de verkeersveiligheid in het geding is. Beide instellingen dragen met de examinering van de theorie-onderdelen immers bij aan het waarborgen van de verkeersveiligheid. Daarbij is het niet van belang of al dan niet komt vast te staan dat het handelen van verdachte gevaar voor de verkeersveiligheid heeft opgeleverd. Er is dus geen sprake van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarom is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3, 4 en 5 ten laste gelegde, en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De betrokkenheid van verdachte bij het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van (dan wel medeplichtigheid tot) inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en het onder feit 2 ten laste gelegde (medeplichtigheid tot) diefstal in vereniging van examenvragen van het CBR, kan naar het standpunt van de officier van justitie worden bewezen, nu uit het dossier blijkt dat verdachte op de hoogte was van de gepleegde diefstallen en de inbreuk op het auteursrecht. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een diefstal middels een spybril en op de website van de rijschool werd openlijk geadverteerd met de aanwezigheid van de CBR-vragen. Verdachte was actief vennoot van een rijschool die zich stelselmatig en beroepsmatig bezig hield met het stelen van examenvragen, om deze vervolgens openlijk te gebruiken bij theoriecursussen. Verdachte deelde in de winst die daarmee werd behaald. De bewuste en nauwe samenwerking is daarmee vastgesteld. Indien de rechtbank tot een ander oordeel komt acht de officier van justitie de onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief en feit 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste legde medeplichtigheid bewezen. Verdachte heeft door actief vennoot te zijn en te blijven, expliciet dan wel impliciet bijgedragen en goedkeuring verleend aan de misdrijven en de strafbare feiten bevorderd en vergemakkelijkt.

Ten aanzien van de onder feit 3 ten laste gelegde inbreuk op het auteursrecht van het IBKI en de onder feit 4 ten laste gelegde diefstal in vereniging van examenvragen van het IBKI, acht de officier van justitie medeplegen bewezen. De substantiële rol van verdachte is gelegen in het feit dat hij minstens zes keer heimelijk een IBKI examen heeft gefilmd.


De betrokkenheid van verdachte bij de onder feit 5 ten laste gelegde poging diefstal van examenvragen van het CBR op 9 oktober 2013 volgt volgens de officier van justitie uit de reeds genoemde omstandigheden dat verdachte actief vennoot van de rijschool was en op de hoogte moet zijn geweest van het stelselmatig en beroepsmatig plegen van strafbare feiten. Op grond daarvan kan verdachte als medepleger worden aangemerkt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle laste gelegde feiten en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De verdediging stelt zich ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde op het standpunt dat er geen sprake is van een inbreuk op het auteursrecht van het CBR en IBKI. Het enkele filmen levert nog geen inbreuk op van het auteursrecht nu daarmee nog geen informatie is verspreid, verveelvoudigd of geopenbaard. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts de informatie ten behoeve van zichzelf gebruikt teneinde een lesmethode te creëren. Met betrekking tot verdachte is er voorts geen bewijs voor betrokkenheid bij het onder 1 en 3 ten laste gelegde. Niet is vastgesteld dat verdachte op 5 april 2013 opnamen heeft gemaakt bij het CBR, en indien de rechtbank tot een andere oordeel komt, geeft dat gegeven nog geen wetenschap omtrent de overige in de ten laste gelegde periode gepleegde feiten. Ten aanzien van de beelden bij het IBKI is er alleen sprake van beeldmateriaal waarop zijn relatienummer zichtbaar is, dit is onvoldoende om de overtuiging op te kunnen baseren. Op grond van het dossier is een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht niet vast te stellen. Ten aanzien van de ten laste gelegde medeplichtigheid onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief stelt de verdediging dat wetenschap omtrent de inbreuk op het auteursrecht niet alleen kan blijken uit het gegeven dat verdachte vennoot is. Voorts dient de medeplichtigheid meer dan de wetenschap te bevatten.

Ten aanzien van de onder feit 2 en 4 ten laste gelegde diefstal van examenvragen bij het CBR en IBKI herhaalt de verdediging het standpunt ten aanzien van de feiten 1 en 3, inhoudende dat uit het dossier geen betrokkenheid van verdachte kan worden herleid. Dit geldt ook voor de medeplichtigheid onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief. Voorts merkt de verdediging op dat er – indien de rechtbank tot een ander oordeel komt – geen sprake is van diefstal, nu zowel het CBR als de IBKI nimmer de feitelijk heerschappij over het goed kwijt zijn geweest.

Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde herhaalt de verdediging dat er bij het maken van opnamen nog geen sprake is van diefstal. Op grond hiervan is er ook geen sprake van een poging tot diefstal en dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de raadsman – het onder 5 ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Betrokkenheid verdachte

Uit de registers van de Kamer van Koophandel is gebleken dat de [verkeersschool] staat ingeschreven als vennootschap onder firma (vof). De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte als actief vennoot op de hoogte was van de gedurende de gehele periode ten laste gelegde inbreuken op het auteursrecht van het CBR, alsmede de diefstallen van de examenvragen bij het CBR. De rechtbank heeft voor haar oordeel aansluiting gezocht bij de jurisprudentie omtrent feitelijk leidinggeven. In de Slavenburg-arresten (HR 16 december 1987, NJ 1987, 321/322) heeft de Hoge Raad een ondergrens voor feitelijk leidinggeven vastgesteld. Van feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen kan onder omstandigheden sprake zijn indien de functionaris – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden – maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de functionaris geacht de verboden gedraging opzettelijk te bevorderen. De rechtbank stelt vast dat er binnen de vof van [verkeersschool] sprake is van één volledig bevoegde vennoot, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] , en twee beperkte vennoten, te weten verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . De constructie van de vof houdt in dat extern de vennoten gelijk zijn, maar dit laat onverlet dat de machtsverdeling intern kan verschillen. De invloed en macht tussen de vennoten is immers onderdeel van een vrije overeenkomst tussen de vennoten. Uit de verklaringen in het dossier maakt de rechtbank op dat de beslissingsmacht ten aanzien van [verkeersschool] bij medeverdachte [medeverdachte 1] lag. Voldoende aannemelijk is geworden dat de verhoudingen binnen de vennootschap zodanig waren, dat verdachte buiten de besluitvorming werd gelaten. Hij deed niet meer dan het geven van rijlessen. Gelet op zijn geringe rol binnen de vennootschap, was hij niet in de positie die hem volgens het hiervoor vermelde criterium van de Slavenburg-arresten tot ingrijpen had moeten brengen. Dat leidt ertoe dat hem niet het medeplegen aan de onder feit 5 ten laste gelegde poging tot diefstal van examenvragen mag worden verweten.


Ten overvloede merkt de rechtbank op dat met betrekking tot de poging diefstal van examenvragen op 9 oktober 2013 uit het dossier geen directe betrokkenheid van de verdachte volgt. Verdachte is immers niet zichtbaar op de beelden van de spybril - waarvan overigens niet kan worden vastgesteld dat het beelden van 9 oktober 2013 betreft - en [persoon] verklaart ook niet over een rol van verdachte bij het ontvangen van de spybril.

4.3.2

Partiële vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de raadsman – een partieel deel van de onder 1 eerste cumulatief/alternatief en onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde periode niet bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwijst kortheidshalve naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde onder 4.3.1. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat uit de enkele bewezenverklaring van de inbreuk op het auteursrecht van het CBR en de diefstal van examenvragen bij het CBR op 5 april 2013 – zoals later in dit vonnis uiteen wordt gezet – er geen bewuste en nauwe samenwerking bij of medeplichtigheid aan de overige gedurende de pleegperiode ten laste gelegde handelingen volgt.
De rechtbank merkt voorts op dat in de tenlastelegging niet is opgenomen dat verdachte als vennoot heeft nagelaten in te grijpen in de verboden gedragingen van de vennootschap onder firma.

4.3.3

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief en 3 ten laste gelegde:

Betrokkenheid verdachte

Op een externe harde schijf, inbeslaggenomen onder medeverdachte [medeverdachte 1] , zijn beelden aangetroffen met daarop een videobestand genaamd “motor 1”. Een medewerker fraudepreventie van het CBR herkent hierop de examenruimte van het CBR. Onderzoek wijst vervolgens uit dat het tafelnummer op de beelden in de CBR-systemen is ter herleiden naar verdachte. Als examendatum wordt 5 april 2013 aangegeven. Uit de beelden blijkt eveneens dat de persoon die de spybril draagt zich voorstelt als [medeverdachte 1] .

Verdachte heeft voorts meermalen examenvragen van het IBKI opgenomen. De verdediging stelt dat uit het enkele gegeven dat zijn relatienummer in beeld is, nog niet kan worden gesteld dat verdachte ook daadwerkelijk verantwoordelijk is geweest voor de heimelijk opnames bij het IBKI. De rechtbank verwerpt dit verweer en is van oordeel dat het zichtbaar zijn van het relatienummer van verdachte op de opgenomen beelden bij het IBKI, alsmede de controle in de systemen van het IBKI aangaande de locaties en data wanneer verdachte examen bij hen heeft afgelegd, voldoende is om de betrokkenheid van de verdachte te kunnen vaststellen. Nu er sprake is van het meermalen heimelijk opnemen van examenvragen van het IBKI acht de rechtbank een significante materiële bijdrage van verdachte en daarmee de bewuste en nauwe samenwerking bewezen.


Inbreuk op auteursrecht

De rechtbank verwerpt het verweer dat er geen sprake is van een inbreuk door verdachte op het auteursrecht van het CBR en IBKI en overweegt hiertoe als volgt.

Naar vaste rechtspraak geldt dat, wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in art. 1 in verbinding met art. 10 Auteurswet (Aw), vereist is dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Om van een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen spreken moet dat werk door zijn maker als coherente creatie zijn geconcipieerd. Het werk moet het resultaat zijn van enige, hoe gering dan ook, scheppende activiteit van de maker. Die eis kan ook worden afgeleid uit het nog steeds maatgevende standaardarrest uit 1946, waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt "dat alleen de vormgeving, die de uiting is van datgene, wat de maker tot zijn arbeid heeft bewogen, de bescherming van het auteursrecht geniet" (HR 28 juni 1946, NJ 1946, 712). De rechtbank heeft deze maatstaf ook voorop gesteld en is van oordeel dat hiervan sprake is bij het creëren van examenvragen met bijhorende foto’s van verkeerssituaties, gemaakt ten behoeve van het theorie-examen voor het behalen van een rijbewijs dan wel certificaat tot rijinstructeur. Bij een werk in de zin van de Auteurswet geldt dat de maker (of diens rechtverkrijgende), en dat kan ook de werkgever zijn van degene die het werk feitelijk heeft vervaardigd (artikel 7 Aw) of de rechtspersoon onder wier naam het werk wordt openbaargemaakt (artikel 8 Aw), op grond van artikel 1 Aw “het uitsluitend recht heeft dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld”. De rechtbank stelt vast dat het met een spybril opnemen van examenvragen van het CBR en IBKI, en deze beelden vervolgens verwerken in een theorie-cursus, zonder meer is aan te merken als een verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet. De bij de wet gestelde beperkingen met betrekking tot het verveelvoudigen zijn onder andere neergelegd in de artikelen 16b en 16c van de Auteurswet. Van de in die artikelen omschreven beperkingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De in de artikelen 16b en 16c van de Auteurswet omschreven beperkingen gelden niet indien de verveelvoudiging direct dan wel indirect een commercieel oogmerk bevat. De rechtbank heeft vastgesteld dat van commercieel gebruik in de onderhavige zaak wel degelijk sprake is, nu de verveelvoudiging was gericht op het verbeteren van de concurrentiepositie van de rijschool, teneinde meer klanten te kunnen aantrekken die tegen betaling de theorielessen zouden gaan volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een inbreuk op het auteursrecht van het CBR en IBKI. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief en 4 ten laste gelegde:

Bestanddelen diefstal
De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van diefstal. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Examenvragen zijn een goed waarvan de exclusiviteit en de economische waarde wordt bepaald naar aanleiding van de functie in het maatschappelijk verkeer. Het theorie-examen van het CBR en IBKI verschaft bepaalde rechten, te weten de mogelijkheid tot het behalen van een rijbewijs en een rijinstructeurcertificaat. Binnen de functie die een theorie-examen in het maatschappelijk verkeer heeft, is het wezenskenmerk dat de inhoud daarvan, voor degene die daaraan moeten deelnemen, geheim blijft tot aan het moment dat het examen moet worden gemaakt. Het is dit kenmerk, dat als een intrinsiek element van het examen moet worden aangemerkt, dat maakt dat het examen een economische waarde vertegenwoordigt. Op het moment dat vragen van theorie-examens worden opgenomen en op voorhand terechtkomen bij deelnemers aan die examens, verliest de rechthebbende ook dit intrinsieke element en daarmee de economische waarde van het examen. Het is dit intrinsieke element dat in wezen aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende wordt onttrokken en waar ook het opzet van degene die wegneemt steeds op is gericht.

De exclusiviteit van de vragen van het CBR volgt tevens uit de regels die de instantie ten aanzien van de theorie-examens heeft opgesteld. Voor rijschoolhouders is een vademecum opgesteld waaruit volgt dat opleiders geen theorie-examens mogen bijwonen. Kandidaten van de examens dienen akkoord te gaan met de examenregels, waarin expliciet is vermeld dat in de examenruimte het gebruik van opnameapparatuur is verboden. In de huisregels van het CBR is eveneens vermeld dat het in gebouwen van het CBR niet is toegestaan om zonder toestemming opnamen te maken. De huisregels worden bij elke ingang van de gebouwen van het CBR kenbaar gemaakt. Elke examenkandidaat krijgt omschreven regels ook nog persoonlijk uitgelegd en bij examens hangen er voorts posters met waarschuwingen om geen opnamen te maken.

Ten aanzien van het IBKI geldt dat er door werknemers een geheimhoudingsverklaring moet worden ondertekend. Kandidaten is op grond van het examenreglement niet toegestaan gebruik te maken van opnameapparatuur.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het maken van opnames van de vragen van het theorie-examen moet worden aangemerkt als wegneming van een goed door middel van onttrekking aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief / alternatief bewezen verklaarde

dat hij op 5 april 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk

- tijdens een theorie-examen van voornoemd CBR met behulp van een spybril opnames gemaakt van examenvragen en

- voornoemde opnames van die examenvragen vervolgens gebruikt voor de theorielessen en openbaar gemaakt tijdens die theorielessen van de rijschool van hem, verdachte, en zijn mededader en

- voornoemde opnames van examenvragen ter verveelvoudiging en verspreiding voorhanden gehad en gehouden en uit winstbejag bewaard,
terwijl zijn mededader van het plegen van voornoemd misdrijf zijn beroep heeft gemaakt en bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft uitgeoefend;

Ten aanzien van het onder 2 eerste cumulatief / alternatief bewezen verklaarde

dat hij op 5 april 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen examenvragen, toebehorende aan het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen).

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

dat hij in de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en Zwolle en Zaandam en Best en Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het IBKI, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk

- tijdens theorie-examens van voornoemd IBKI met behulp van een spybril opnames gemaakt van examenvragen en

- voornoemde opnames van die examenvragen vervolgens gebruikt voor de theorielessen van de rijschool van hem, verdachte, en één van zijn mededaders en

- voornoemde opnames van examenvragen ter verveelvoudiging en verspreiding voorhanden gehad en gehouden en uit winstbejag bewaard,
terwijl hij, verdachte, en één van zijn mededaders van het plegen van voornoemd misdrijf hun beroep hebben gemaakt en bovengenoemd misdrijf als bedrijf hebben uitgeoefend;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

dat hij in de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en Zwolle en Zaandam en Best en Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen examenvragen, toebehorende aan het IBKI.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, almede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn en daarvoor een strafkorting toegepast van 5%.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak en subsidiair een deels voorwaardelijke taakstraf bepleit.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI, evenals de diefstal in vereniging van examenvragen bij deze instellingen. De diefstal en de daarmee gepaard gaande inbreuk op het auteursrecht is gepleegd met een commercieel oogmerk en daarmee gepaard gaand geldelijk gewin. Voorts heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan het ondermijnen van het stelsel van examinering. Zowel voor het behalen van een rijbewijs, alsmede voor een certificaat tot rijinstructeur is toetsing van kennis met betrekking tot regels en verkeerssituaties vereist. Met de diefstal en het gebruik van gestolen vragen kan aan deze toetsing worden ontkomen. Dit levert risico’s op met betrekking tot de verkeersveiligheid en daarmee het algemeen belang.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol van de verdachte bij de bewezen strafbare feiten. Ten aanzien van de inbreuk op het auteursrecht van het CBR en de diefstal bij het CBR betreft het, anders dan de officier van justitie, alleen het bewezenverklaarde op 5 april 2013. Voor de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot het IBKI geldt dat er wel sprake is geweest van meerdere strafbare feiten gedurende een langere periode. Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier is echter gebleken dat de rol van verdachte van ondergeschikte betekenis is geweest. De rechtbank houdt eveneens rekening met de leeftijd van de verdachte, die ten tijde van het bewezenverklaarde de leeftijd van negentien jaar had.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 december 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, en acht oplegging van een taakstraf een passende en geboden reactie.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat door de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank sluit zich aan bij de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. In zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad een aantal uitgangspunten ten aanzien van de redelijke termijn en de consequenties van overschrijding daarvan weergegeven. De rechtbank geeft deze, voor zover relevant, hieronder weer en zal daar de navolgende conclusies aan verbinden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf. Naar het oordeel van de rechtbank was de inverzekeringstelling van verdachte op 28 oktober 2014 een handeling waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn is daarmee op die dag aangevangen en wordt met een uitspraak op 25 januari 2017 met drie maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij een overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden of minder is uitgangspunt dat de straf met vijf procent wordt gekort.

In de onderhavige zaak acht de rechtbank -alles overwegende- derhalve een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren passend, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
22c, 22d, 47, 55, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht;

31, 31a en 31b van de Auteurswet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief, feit 2 eerste cumulatief/alternatief, feit 3 en feit 4:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van het als beroep of bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht, meermalen gepleegd

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en B.M. van Heemst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2017.