Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:392

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
13/710165-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 16 maanden voor deelname aan een criminele organisatie in 2012 en het medeplegen van oplichting.

Onderzoek 13Ostara naar grootschalige phishing fraude. De rechtbank heeft onderscheid gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Verdachte heeft deelgenomen aan het samenwerkingsverband dat zich bezig hield met het plegen van phishing door stelselmatig poststukken te verduisteren, nieuwe betaalpassen en pincodes aan te vragen, poststukken met betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes te verduisteren en daarna katvangers onder begeleiding de pinbrieven met nieuwe pincodes te laten ophalen. Met de onderschepte betaalpassen en verkregen pincodes werden vervolgens geldbedragen contant opgenomen door katvangers of deelnemers van de organisatie. Verdachte heeft met de deelnemers van dit samenwerkingsverband een criminele organisatie gevormd. Ook heeft verdachte zich als medepleger aan oplichting van ING schuldig gemaakt.

Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie in 2010, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een verband met de bewezen phishing fraude en de verdachten die zijn geïdentificeerd als de daders daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710165-11 (promis)

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [GBA-adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 oktober 2016, 26 oktober 2016, 31 oktober 2016 en 10 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Vriezen-Buist, en van wat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en zijn raadsvrouw, mr. H.S.K. Jap-a-Joe, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

[verdachte] wordt, samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan

  • -

    het medeplegen van oplichting van Rabobank Nederland (hierna: Rabobank), ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V., Fortis Bank Nederland N.V. en/of SNS Bank N.V. op 19 oktober 2011 (feit 1);

  • -

    het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de periode van 3 oktober 2011 tot en met 31 januari 2012 (feit 2).

De volledige tekst van de tenlastelegging is als eerste bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn verder geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Deze zaak is voortgekomen uit het onderzoek 13Ostara. In dit onderzoek draait het om een vorm van fraude die bekend staat onder de naam “phishing”. Phishing houdt kort gezegd in dat rekeninghouders of banken onder valse voorwendselen worden bewogen tot de afgifte van vertrouwelijke gegevens, die nodig zijn voor internetbankieren. Met die gegevens worden buiten weten van de rekeninghouders geldbedragen van hun bankrekeningen overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers. Een andere variant is het hengelen naar poststukken van rekeninghouders met daarin vertrouwelijke informatie en betaalpassen. De laatste stap in het proces van phishing is het zo snel mogelijk contant opnemen van het geld. Inherent aan phishing is de betrokkenheid van meerdere personen en een zekere mate van organisatie. De verdachten die tijdens onderzoek 13Ostara in beeld zijn gekomen en door de politie als hoofdverdachten in dit onderzoek zijn aangemerkt, zijn [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] , [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ).

Uit de resultaten van onderzoek 13Ostara heeft de politie afgeleid dat organisatorisch te werk is gegaan en dat gebruik is gemaakt van voormelde twee werkwijzen. In eerste instantie zijn e-mails verspreid die van banken afkomstig leken en waarin rekeninghouders werd gevraagd om vertrouwelijke gegevens in te vullen. De rekeninghouders zijn vervolgens gebeld door een vrouw die zich als bankmedewerkster voorstelde en hun gedurende het telefoongesprek de inlogcodes voor internetbankieren ontfutselde. Met deze gegevens konden geldbedragen van de bankrekeningen van de rekeninghouders worden overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers en daarna door middel van pinopnames worden veiliggesteld. Volgens de politie zouden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] bij deze werkwijze zijn betrokken. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn vanwege deze vermeende betrokkenheid aangehouden. De politie vermoedt dat [medeverdachte 4] en [verdachte] na deze aanhoudingen zijn overgestapt op de andere werkwijze, waarbij vertrouwelijke gegevens van rekeninghouders zijn verkregen door het stelselmatig verduisteren van poststukken van banken. Met de verkregen betaalpassen en afhaalberichten konden katvangers bij bankfilialen pinbrieven met pincodes ophalen, waarna geldbedragen direct vanaf de bankrekeningen van rekeninghouders werden opgenomen. Voor deze werkwijze zouden [medeverdachte 4] en [verdachte] contact hebben gezocht met PostNL-medewerker [medeverdachte 6] en hebben samengewerkt met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 9] en later ook [medeverdachte 2] . Voor beide werkwijzen werd verder gebruik gemaakt van de diensten en informatie van [medeverdachte 5] en verscheidene bankmedewerkers.

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van phishing fraude en dat hij samen met andere deelnemers van de criminele organisatie was betrokken bij de oplichting van verschillende banken. De vraag die voorligt, is of op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting bewezen kan worden dat [verdachte] zich aan deze strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft zij daartoe het volgende betoogd.

Op basis van de inhoud van het dossier, met name zaakdossier 140 [naam dossier] , kan worden bewezen dat de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] samen met [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en andere onbekend gebleven personen een georganiseerd en duurzaam samenwerkingsverband hebben gevormd. Dit samenwerkingsverband was gericht op het plegen van misdrijven, zoals het oplichten van banken, verduisteren van poststukken en witwassen van de opbrengsten uit deze misdrijven, om snel veel geld te verdienen. Uit het dossier is een interne structuur af te leiden van onder andere leiders, ronselaars, begeleiders van katvangers, corrupte postmedewerkers en bankmedewerkers, pinners, de beller en de overschrijver. De verdachten hadden in de criminele organisatie ieder hun eigen rol en taak, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven. Zij waren, anders dan de katvangers, niet volledig inwisselbaar en gingen op in hun rol. De verdachten waren zich ervan bewust dat zij betrokken waren bij een groter samenwerkingsverband dat strafbare feiten pleegde. Zonder hun gedragingen zouden de beoogde misdrijven niet, dan wel niet zo succesvol, zijn gepleegd.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] integraal van de ten laste gelegde feiten moeten worden vrijgesproken.

Het dossier bevat geen bewijs voor een zodanige significante of wezenlijke bijdrage van [verdachte] aan de ten laste gelegde oplichting, dat tussen [verdachte] en de daders van die oplichting sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. De omstandigheden dat [verdachte] sms-berichten met de namen en bankrekeningnummers van katvangers heeft verstuurd en geldbedragen van de bankrekeningen van katvangers heeft gepind, zijn hiervoor onvoldoende. Evenmin kan het onder 2 ten laste gelegde feit worden bewezen. Het bewijs ontbreekt voor de intensieve betrokkenheid van [verdachte] bij de veronderstelde criminele organisatie en het (voorwaardelijk) opzet op het oogmerk van de organisatie om misdrijven te plegen en daarmee het bewijs voor zijn deelname aan deze criminele organisatie

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ten gelegde feiten acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de bewijsmiddelen die in de tweede bijlage bij dit vonnis zijn vervat, en overweegt als volgt.

4.4.1.

Oplichting (feit 1)

[verdachte] wordt verweten dat hij als medepleger betrokken was bij de oplichting van Rabobank ten aanzien van de rekeninghouder [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).

Op basis van het dossier kan worden bewezen dat Rabobank onder valse voorwendselen ertoe is bewogen inlogcodes en geldbedragen af te geven aan een ander dan de daartoe gerechtigde rekeninghouder [persoon 2] . Op 19 oktober 2011 is [persoon 2] gebeld door een vrouw die zich voordeed als medewerkster van Rabobank. Om de bankrekening van [persoon 2] zogenaamd
tegen fraude te beveiligen heeft [persoon 2] met de nepbankmedewerkster een aantal stappen doorlopen, waarbij [persoon 2] de nepbankmedewerkster verschillende codes heeft gegeven die de randomreader had aangemaakt. Tijdens een tweede telefoongesprek die dag heeft [persoon 2] dezelfde stappen doorlopen en nogmaals aangemaakte codes aan de nepbankmedewerkster gegeven. Met behulp van de afgegeven codes is op 19 oktober 2011 via de officiële website van Rabobank toegang verkregen tot de bankrekening van het bedrijf van [persoon 2] , [bedrijf] en is een totaalgeldbedrag van ruim € 92.000,- overgeboekt naar de bankrekeningen van zeven katvangers, waaronder [katvanger 1] , [katvanger 2] , [katvanger 3] , [katvanger 4] en [katvanger 5] . [persoon 2] was hiervan niet op de hoogte en heeft ook niet om deze overboekingen verzocht.

De verdenking dat [verdachte] bij de oplichting van Rabobank was betrokken, is allereerst gegrond op twee getapte sms-berichten. Op 19 oktober 2011 zijn, voordat de nepbankmedewerkster [persoon 2] heeft gebeld, vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer 1] twee sms-berichten verstuurd met de namen en bankrekeningnummers van de katvangers [katvanger 1] , [katvanger 2] , [katvanger 3] en [katvanger 4] . Uit de opgenomen en uitgeluisterde tapgesprekken van dit telefoonnummer blijkt dat de gebruiker ervan kennelijk was betrokken bij fraude. Tijdens de tapgesprekken wordt in versluierde taal gesproken over fraude, onder andere over het verhogen van opnamelimieten, de namen en bankrekeningnummers van katvangers en het overboeken en het pinnen van geld. De politie heeft [verdachte] geïdentificeerd als de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De gebruiker heeft in de getapte periode meermalen contact gehad met [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ), onder andere op 14 oktober 2011, waarbij [persoon 3] en hij spreken over hun kinderen. [persoon 3] stond destijds ingeschreven op het adres [adres] in Rotterdam, waar ook de twee kinderen van [verdachte] en hijzelf stonden ingeschreven. De gebruiker van het telefoonnummer heeft op 14 oktober 2011 ook contact gehad met een vrouw, die later de moeder van [verdachte] bleek te zijn. In het licht van deze omstandigheden, alsmede het feit dat een aannemelijke verklaring van [verdachte] voor een ander scenario achterwege is gebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat het telefoonnummer gedurende de getapte periode bij [verdachte] in gebruik was, ook op 19 oktober 2011. In het dossier bevinden zich verder observaties van 19 oktober 2011, waarbij de politie heeft waargenomen dat [verdachte] betrokken was bij het pinnen van geldbedragen van de bankrekeningen van de katvangers [katvanger 4] , [katvanger 3] en [katvanger 5] .

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze feiten en omstandigheden voldoende redengevend zijn voor het bewijs van de betrokkenheid van [verdachte] als medepleger bij de ten laste gelegde oplichting. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Daarvoor is het volgende van belang.

De rol van [verdachte] was het regelen van bankrekeningen waar geldbedragen vanaf de bankrekening van [bedrijf] naar toe konden worden overgeboekt, dan wel het doorgeven van die bankrekeningen aan de daders die met de valselijk verkregen inlogcodes toegang hebben gekregen tot de bankrekening van [bedrijf] Deze gedragingen hebben bijgedragen aan de voorbereiding van de oplichting en hadden vooral tot doel behulpzaam te zijn bij de oplichting en het verschaffen van gelegenheid, informatie en middelen tot het plegen van die oplichting. De rol van [verdachte] bij de oplichting was daarnaast gelegen in het pinnen van geldbedragen van de bankrekeningen van katvangers nadat de oplichting al was voltooid. Deze gedragingen waren niet gericht op de verwezenlijking van de oplichting, maar hebben bijgedragen aan het veiligstellen en witwassen van de opbrengsten uit dat misdrijf.


Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de rol van [verdachte] , hoe kwalijk ook, niet kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van de ten laste gelegde oplichting van Rabobank.

Dit leidt ertoe dat het onder 1 ten laste gelegde niet is bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

4.4.2.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 2)

Juridisch kader

De verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] wordt verweten dat zij hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had misdrijven te plegen. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Onder een organisatie als bedoeld in dit artikel moet worden verstaan een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en continuïteit tussen een verdachte en tenminste één andere persoon. Hoewel het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond hoeft te zijn en het ook niet zo is dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die behoren tot de organisatie, moet een deelnemer om tot de organisatie te behoren wel een aandeel hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel die gedragingen ondersteunen. Niet is vereist dat een deelnemer de door de organisatie beoogde misdrijven heeft uitgevoerd of opzet op die misdrijven had. Wel is (voorwaardelijk) opzet vereist voor de wetenschap van een verdachte dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Deelname aan een criminele organisatie betreft een zelfstandig strafbaar feit, waarbij een verdachte strafbaar is enkel vanwege zijn deelneming aan die organisatie. Dat betekent dat van het begaan van dat strafbare feit al sprake kan zijn als (nog) geen andere strafbare feiten zijn gepleegd, maar wel het oogmerk daartoe bestaat alsmede de deelneming hieraan. Omgekeerd brengt dit mee dat bewezenverklaring van ten laste gelegde betrokkenheid bij strafbare feiten niet automatisch tot bewezenverklaring van deelname aan de criminele organisatie leidt.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voldoende samenhang in het handelen van de deelnemers aan de criminele organisatie, moet worden gezocht naar aanwijzingen of aanknopingspunten dat deze deelnemers zich bewust waren van hun rol of taak in het geheel, zoals te vinden zouden zijn in de aard en frequentie van onderlinge afspraken en contacten. Uiteraard kunnen tot het bewijs van een dergelijke bewuste betrokkenheid ook de bewijsmiddelen bijdragen die dienen als redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring van andere ten laste gelegde feiten. Verder is van belang dat ook gedragingen van een verdachte die medeplichtigheid bij of tot enig misdrijf opleveren, waarop het oogmerk van een criminele organisatie was gericht, kunnen worden gekwalificeerd als deelneming aan die organisatie.

Binnen dit juridisch kader zal de rechtbank bezien of kan worden bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie, waaraan de verdachten hebben deelgenomen.

Beoordeling van het ten laste gelegde

Inherent aan de phishing fraude die gedurende onderzoek 13Ostara aan het licht is gekomen, is
een zekere mate van organisatie van de activiteiten. Immers, vertrouwelijke informatie en klantgegevens van rekeninghouders worden verkregen, katvangers worden geronseld, nieuwe betaalpassen en pincodes worden aangevraagd, poststukken met betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes worden door postmedewerkers onderschept en geldbedragen worden veiliggesteld door geldbedragen naar de bankrekeningen van katvangers over te boeken en op te nemen of direct vanaf de bankrekeningen van getroffen rekeninghouders op te nemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Dat geldt vooral omdat er op bepaalde momenten snel gehandeld moet worden, wil een dergelijke fraude succesvol zijn.

De rechtbank stelt voorop dat niet bewezen is dat [verdachte] zich in de ten laste gelegde periode als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de oplichting van Rabobank. Op basis van de bewijsmiddelen kan echter wel zijn betrokkenheid en behulpzaamheid bij dit misdrijf worden afgeleid. Uit het dossier kan bovendien een verdergaande betrokkenheid bij phishing worden afgeleid.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op basis van het dossier onderscheid moet worden gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Het eerste samenwerkingsverband hield zich bezig met het plegen van phishing door vertrouwelijke informatie van rekeninghouders te verkrijgen met hulp van bankmedewerkers, het verspreiden van e-mails die van een bank afkomstig leken, het telefonisch benaderen van rekeninghouders om hun inlogcodes voor internetbankieren te ontfutselen, en door vervolgens daarmee geldbedragen over te boeken naar de bankrekeningen van katvangers. Deze geldbedragen werden dan contant opgenomen door katvangers die door deelnemers van de organisatie werden aangestuurd en begeleid, of door die deelnemers zelf. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier worden afgeleid dat deze werkwijze is toegepast door een samenwerkingsverband dat bestond uit onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] . Het tweede samenwerkingsverband hield zich eveneens bezig met het plegen van phishing, maar door middel van een andere werkwijze, namelijk door stelselmatig poststukken te verduisteren, nieuwe betaalpassen en pincodes aan te vragen, poststukken met die nieuwe betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes te verduisteren en daarna katvangers voorzien van valse legitimatiebewijzen onder begeleiding bij bankfilialen de pinbrieven met nieuwe pincodes te laten ophalen. Met de onderschepte betaalpassen en de verkregen pincodes werden vervolgens geldbedragen contant opgenomen door katvangers of deelnemers van de organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze tweede organisatie bestaan uit onder andere [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] .

Uit de bewijsmiddelen, met name de tapgesprekken, de observaties en de tijdens de doorzoekingen in beslag genomen documenten en betaalpassen op naam van getroffen rekeninghouders, volgt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] in een gestructureerd samenwerkingsverband zeer nauw betrokken waren bij het phishing proces waarbij het verkrijgen van geld via overboekingen naar katvangersrekeningen centraal stond. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] komen in het dossier naar voren als de kern van de organisatie. [medeverdachte 1] hield zich binnen het phishing proces bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het inloggen voor internetbankieren om geldbedragen over te boeken. [medeverdachte 3] heeft zich gericht op het bellen van rekeninghouders als bankmedewerkster om inlogcodes voor internetbankieren te verkrijgen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] komen in het dossier naar voren als sturende, leidinggevende personen, die gegevens van katvangers doorgaven tussen de verschillende deelnemers, zodat geldbedragen vanaf de bankrekeningen van de getroffen rekeninghouders naar de juiste katvangersrekeningen werden overgeboekt. Ook vermeldden zij in tapgesprekken wel wat de hoogte van de over te boeken geldbedragen moest zijn en begeleidden zij katvangers bij het pinnen. [verdachte] en [medeverdachte 5] behoorden niet tot de kern van de organisatie, maar waren wel eveneens nauw bij het phishing proces betrokken. [verdachte] en [medeverdachte 5] hielden zich allebei bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het verhogen van de opnamelimieten van katvangersrekeningen. [medeverdachte 5] heeft deze rol binnen de organisatie niet erkend, maar bij de politie wel verklaard dat hij inderdaad katvangers heeft geronseld. [verdachte] heeft zich daarnaast gericht op het doorgeven van gegevens van katvangers naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en was daarmee evenals [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] een schakel tussen de verschillende deelnemers. Verder was hij ook betrokken bij het pinnen van de overgeboekte geldbedragen, om de opbrengst uit het phishing proces veilig te stellen.

De politie heeft [verdachte] geïdentificeerd als de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] . De rechtbank heeft onder 4.4.1. al overwogen waarom het eerstgenoemde telefoonnummer aan [verdachte] wordt toegeschreven. De raadsvrouw heeft betwist dat [verdachte] de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De rechtbank overweegt dat uit het dossier duidelijk is geworden dat de gebruiker van het telefoonnummer bij contact met de [naam 1] heeft opgegeven te zijn genaamd ‘ [verdachte] ’. Aan de telefoniste van [naam 2] , waarmee hij werd doorverbonden, heeft de gebruiker vervolgens opgegeven te zijn genaamd ‘ [verdachte] , met huisadres [adres] ’, waar de kinderen van [verdachte] en hijzelf stonden ingeschreven. De gebruiker van het telefoonnummer heeft daarnaast regelmatig contact gehad met de moeder van [verdachte] . Bij doorzoeking van de woning van [verdachte] , op het adres [adres] in Rotterdam, is verder een mobiele telefoon aangetroffen met daarin een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . In het licht van deze omstandigheden alsmede het feit dat een aannemelijke verklaring van [verdachte] voor een ander scenario achterwege is gebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat ook het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gedurende de getapte periode bij [verdachte] in gebruik was.

In het licht van deze feiten en omstandigheden, waaronder de betrokkenheid van [verdachte] , de taakverdeling en de frequentie en inhoud van de onderlinge contacten, acht de rechtbank bewezen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] dat moet aangemerkt worden als een criminele organisatie in bovenbedoelde zin. Het gaat om een duurzaam verband van samenwerkende personen, die zich gedurende geruime tijd en met een zekere frequentie bezighielden met het plegen van phishing. Door de verdediging is wel gesuggereerd dat veeleer sprake was van concurrentie dan van samenwerking; zovelen hielden zich destijds bezig met phishing fraude en iedereen probeerde voor zich wat bij te verdienen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, werkten de genoemde verdachten in de bewezen verklaarde periode samen bij het oplichten van banken en rekeninghouders. Dat ook andere personen zich in de bewuste periode in georganiseerd verband bezig hebben gehouden met vergelijkbare vormen van fraude, doet voor de beoordeling van het samenwerkingsverband van deze verdachten niet ter zake.

Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden bewezen wat de precieze afspraken tussen de verdachten waren of dat de verdachten met elke deelnemer van de organisatie bekend zijn geweest of contact hebben gehad, maar dat is voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie ook niet vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Ook worden uit de bewijsmiddelen afgeleid zijn bewuste betrokkenheid bij deze criminele organisatie en het (voorwaardelijk) opzet op het oogmerk van de organisatie om misdrijven te plegen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] aan deze criminele organisatie heeft deelgenomen.

Dit leidt ertoe dat het onder 2 ten laste gelegde feit is bewezen.

Het dossier bevat geen bewijs dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband met de andere in de tenlastelegging vermelde verdachten. De enkele omstandigheid dat deelnemers van de criminele organisatie telefonisch contact hebben gehad met enkele andere verdachten, is hiervoor onvoldoende. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte]

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

in de periode van 3 oktober 2011 tot en met 31 januari 2012 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [persoon 1] en één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van (rechts)personen (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en (gewoonte)witwassen van bedragen (artikel 420ter/420bis Wetboek van Strafrecht) en diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

7 De strafmotivering

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] , gezien de ernst van de door haar bewezen geachte feiten en zijn rol in de criminele organisatie enerzijds, en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. De officier van justitie heeft ook de gevangenneming van [verdachte] gevorderd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om in geval van strafoplegging acht te slaan op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraude en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop is oplegging van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf niet passend.

De raadsvrouw heeft ook verzocht om de vordering tot gevangenneming af te wijzen, omdat de door de officier van justitie vermelde grond hiervoor, namelijk het gevaar voor recidive, niet kan worden onderbouwd. Mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting is er geen enkele gegronde reden om het moment waarop een eventueel te executeren gevangenisstraf onherroepelijk wordt, niet in vrijheid af te mogen wachten.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Hij is aangehouden naar aanleiding van een onderzoek naar grootschalige phishing fraude, waarbij de daders zich in georganiseerd verband schuldig hebben gemaakt aan het plegen van oplichting, verduistering, diefstal door middel van valse sleutel en witwassen. Van de opbrengsten hieruit hebben zij geprofiteerd. [verdachte] heeft zich daarbij beziggehouden met het ronselen van katvangers(gegevens), verhogen van opnamelimieten en pinnen van overgeboekte geldbedragen. Hij was bovendien een schakel tussen de verschillende deelnemers aan de organisatie en heeft daarmee voor de verwezenlijking van de misdrijven een onmisbare rol gehad.

De criminele organisatie waaraan [verdachte] heeft deelgenomen, had tot doel misdrijven te plegen die verband houden met phishing fraude. De bijdrage van [verdachte] aan de op grote schaal en in georganiseerd verband gepleegde misdrijven heeft het economisch systeem en het vertrouwen van de getroffen rekeninghouders in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Ook heeft de organisatie met de begane misdrijven voor banken en rekeninghouders schade veroorzaakt. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is, bestaat bovendien het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Aangenomen mag worden dat de organisatie erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij te laten weerhouden door deze gevolgen.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken daarvoor plegen op te leggen, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft bij de keuze voor de duur van de op te leggen gevangenisstraf ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals die uit het dossier en ter terechtzitting zijn gebleken. Hierin ziet de rechtbank geen strafmatigende omstandigheden. Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat hij eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld. Vanwege het tijdsverloop sinds deze veroordeling weegt de rechtbank dit echter niet in strafverzwarende zin mee.

Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Op 13 februari 2012 is [verdachte] in het kader van onderzoek 13Ostara aangehouden en in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Omdat het eindvonnis thans op 24 januari 2017 wordt gewezen en de rechtbank van zodanige bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op bijna drie jaar. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn van berechting resulteert er in dat de rechtbank de duur van de beoogde gevangenisstraf met één maand zal matigen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van 9 maanden.

De rechtbank zal, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, geen bevel tot gevangenneming verlenen, nu daarvoor geen gronden zijn.

8 De vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [persoon 2] heeft betaling van € 12.710,91 gevorderd. Dit bedrag bestaat uit een geldbedrag van € 7.710,91 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit de in de tenlastelegging vermelde frauduleus overgeboekte en opgenomen geldbedragen vanaf de Rabobank bankrekening van [persoon 2] die niet door Rabobank zijn vergoed, en een geldbedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft verzocht om bij toewijzing van de vordering het geleden schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

Omdat [verdachte] van de oplichting van Rabobank wordt vrijgesproken en aan hem dus ten aanzien van dit misdrijf – zonder toepassing van artikel 9a Sr – geen straf of maatregel wordt opgelegd, is [persoon 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

9 Het toepasselijke wettelijke voorschrift

De op te leggen straf is gegrond op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt [verdachte] hiervan vrij.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit

- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden en beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. B. Vogel en T.T. Hylkema, rechters

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2017.

Bijlage 1

De volledige tekst van de tenlastelegging

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat hij

1. (hoofdzakelijk zaakdossier [persoon 2]) op of omstreeks de periode van 19 oktober 2011 te Amsterdam en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Rabobank en/of de ABN AMRO Bank en/of ING Bank en/of Fortisbank en/of SNS-Bank een of meer andere rechtspersonen en/of een of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) en/of bankpas(sen) en/of pinbrieven/pinbrief, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) aldaar (onder meer)

- ( op of omstreeks 19 oktober 2011) een of meer sms(jes) met de tekst ' [katvanger 1] [rekeningnummer 1] [katvanger 2] [rekeningnummer 2] )' en/of ' [persoon 4] [rekeningnummer 3] [katvanger 3] [rekeningnummer 4] ' ontvangen en/of verzonden, en/of [persoon 2] en/of [bedrijf] een mail gestuurd, met als onderwerp 'RABO BANK', en/of via deze mail die [bedrijf] en/of die [persoon 2] doorgeleid naar een website, niet zijnde de officiële website van de Rabobank, te weten ' [website] ', alwaar die [bedrijf] en/of die [persoon 2] de 'persoonlijke gegevens behorende bij betaalrekening [rekeningnummer 5] en/of spaarrekening [rekeningnummer 6] heeft ingevoerd en/of (vervolgens) die [bedrijf] en/of die [persoon 2] telefonisch benaderd en zich daarbij voorgedaan als zijnde een medewerker van de Rabobank en/of (in die hoedanigheid) die [bedrijf] en/of die [persoon 2] voorgewend dat men bezig was met een nieuwe installatie en dat er iets was misgegaan en/of die [bedrijf] en/of die [persoon 2] verzocht gebruik te maken van de randomreader teneinde de beschikking te verkrijgen over de code behorende bij het Rabobank betaalrekening [rekeningnummer 5] en/of spaarrekening [rekeningnummer 6] , met welke code toegang verkregen kan worden tot de betaalrekening van [bedrijf] en/of met behulp van die code via de officiële website van de Rabobank toegang verkregen tot Rabobank betaalrekening [rekeningnummer 5] en/of spaarrekening [rekeningnummer 6] ten name van die [bedrijf] en/of (vervolgens) een geldbedrag ter hoogte van 49.111,00 euro overgeboekt tussen de eigen rekeningen van die [bedrijf] , en/of een geldbedrag ter hoogte van 6.211,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 5] ) van die [bedrijf] naar de rekening van [persoon 5] ( [rekeningnummer 7] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 23.111,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 5] ) van die [bedrijf] naar de rekening van [katvanger 1] ( [rekeningnummer 1] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 5.711,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 5] ) van die [bedrijf] naar de rekening van [persoon 6] ( [rekeningnummer 8] ) en/of een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 31.011,00 euro en/of 13.150,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 5] ) van die [bedrijf] naar de rekening van [katvanger 2] ( [rekeningnummer 2] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 4.111,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 5] ) van die [bedrijf] naar de rekening van [katvanger 3] ( [rekeningnummer 4] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 3.111,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 5] ) van die [bedrijf] naar de rekening van [katvanger 4] ( [rekeningnummer 3] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 6.211,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 5] ) van die [bedrijf] naar de rekening van [katvanger 5] ( [rekeningnummer 9] ), terwijl die [bedrijf] en/of die [persoon 2] nimmer om die overboeking(en) heeft verzocht, en/of (vervolgens) een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 4.700,00 euro en/of 960,00 euro en/of 40,00

euro van die rekening van die [persoon 6] opgenomen, en/of een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 960,00 euro en/of 250,00 euro en/of 40,00 euro en/of 1.701,97 euro en/of 3.000,00 euro van die rekening van die [persoon 5] opgenomen, en/of een geldbedrag ter hoogte van 1.000,00 euro van die rekening van die [katvanger 5] opgenomen, en/of een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 1.000,00 euro en/of 250,00 euro van die rekening van die [katvanger 4] opgenomen en/of een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 250,00 euro en/of 250,00 euro van die rekening van die Kooij opgenomen;

2. (hoofdzakelijk zaakdossier [persoon 2] , zaakdossier Doorzoeking [adres] en zaakdossier 140 [naam dossier]) in of omstreeks de periode van 3 oktober 2011 tot en met 31 januari 2012 te Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Noordwijk en/of Rotterdam en/of Lunteren en/of Eindhoven en/of Tilburg en/of Goirle en/of Den Haag en/of Haarlem en/of Duivendrecht en/of Grijpskerk en/of Almere en/of 's-Hertogenbosch en/of Nijmegen en/of Baarn en/of Rijswijk en/of Groningen en/of Oostzaan en/of Monster en/of Heerhugowaard en/of Gouda en/of Leeuwarden en/of Diemen, in elk geval in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen (te weten [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 5] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] en/of [persoon 1] en/of één of meer andere personen), heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van één of meerdere (rechts)perso(o)n(en) (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of (gewoonte)witwassen van één of meer bedrag(en) (artikel 420ter/420bis Wetboek van Strafrecht) en/of verduistering gepleegd door postfunctionaris (artikel 273b Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht).