Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:391

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
13/710175-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 12 maanden voor deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van oplichting.

Onderzoek 13Ostara naar grootschalige phishing fraude. De rechtbank heeft onderscheid gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Verdachte heeft deelgenomen aan het samenwerkingsverband dat zich bezig hield met het plegen van phishing door vertrouwelijke informatie van rekeninghouders te verkrijgen met hulp van bankmedewerkers, het verspreiden van e-mails, het telefonisch ontfutselen van inlogcodes voor internetbankieren, en door vervolgens daarmee geldbedragen over te boeken naar bankrekeningen van katvangers. Deze geldbedragen werden dan contant opgenomen door katvangers die door deelnemers van de organisatie werden aangestuurd en begeleid, of door die deelnemers zelf. Verdachte heeft met de deelnemers van dit samenwerkingsverband een criminele organisatie gevormd. Ook heeft verdachte zich als medepleger meermalen aan oplichting van Rabobank schuldig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710175-11 (promis)

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [plaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 oktober 2016, 26 oktober 2016, 1 november 2016 en 10 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Vriezen-Buist, en van wat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en haar raadsvrouw, mr. S. Koster, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

[verdachte] wordt, samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat zij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan

  • -

    het medeplegen van oplichting van Rabobank Nederlanden (hierna: Rabobank), ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO), ING Bank N.V., Fortis Bank Nederland N.V. en/of SNS Bank N.V. in de periode van 23 september 2011 tot en met 5 oktober 2011 (feit 1);

  • -

    het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de periode van 4 mei 2011 tot en met 9 november 2011 (feit 2).

De volledige tekst van de tenlastelegging is als eerste bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn verder geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Deze zaak is voortgekomen uit het onderzoek 13Ostara. In dit onderzoek draait het om een vorm van fraude die bekend staat onder de naam “phishing”. Phishing houdt kort gezegd in dat rekeninghouders of banken onder valse voorwendselen worden bewogen tot de afgifte van vertrouwelijke gegevens, die nodig zijn voor internetbankieren. Met die gegevens worden buiten weten van de rekeninghouders geldbedragen van hun bankrekeningen overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers. Een andere variant is het hengelen naar poststukken van rekeninghouders met daarin vertrouwelijke informatie en betaalpassen. De laatste stap in het proces van phishing is het zo snel mogelijk contant opnemen van het geld. Inherent aan phishing is de betrokkenheid van meerdere personen en een zekere mate van organisatie. De verdachten die tijdens onderzoek 13Ostara in beeld zijn gekomen en door de politie als hoofdverdachten in dit onderzoek zijn aangemerkt, zijn [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [verdachte] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ).

Uit de resultaten van onderzoek 13Ostara heeft de politie afgeleid dat organisatorisch te werk is gegaan en dat gebruik is gemaakt van voormelde twee werkwijzen. In eerste instantie zijn e-mails verspreid die van banken afkomstig leken en waarin rekeninghouders werd gevraagd om vertrouwelijke gegevens in te vullen. De rekeninghouders zijn vervolgens gebeld door een vrouw die zich als bankmedewerkster voorstelde en hun gedurende het telefoongesprek de inlogcodes voor internetbankieren ontfutselde. Met deze gegevens konden geldbedragen van de bankrekeningen van de rekeninghouders worden overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers en daarna door middel van pinopnames worden veiliggesteld. Volgens de politie zouden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij deze werkwijze zijn betrokken. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn vanwege deze vermeende betrokkenheid aangehouden. De politie vermoedt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] na deze aanhoudingen zijn overgestapt op de andere werkwijze, waarbij vertrouwelijke gegevens van rekeninghouders zijn verkregen door het stelselmatig verduisteren van poststukken van banken. Met de verkregen betaalpassen en afhaalberichten konden katvangers bij bankfilialen pinbrieven met pincodes ophalen, waarna geldbedragen direct vanaf de bankrekeningen van rekeninghouders werden opgenomen. Voor deze werkwijze zouden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] contact hebben gezocht met PostNL-medewerker [medeverdachte 6] en hebben samengewerkt met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 9] en later ook [medeverdachte 2] . Voor beide werkwijzen werd verder gebruik gemaakt van de diensten en informatie van [medeverdachte 5] en verscheidene bankmedewerkers.

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van phishing fraude en dat zij samen met andere deelnemers van de criminele organisatie was betrokken bij de oplichting van verschillende banken. De vraag die voorligt, is of op grond van het dossier en de resultaten uit het onderzoek ter terechtzitting bewezen kan worden dat [verdachte] zich aan deze strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft zij daartoe het volgende betoogd.

Op basis van de inhoud van het dossier, met name zaakdossier 140 [naam 3] , kan worden bewezen dat de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] samen met [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en andere onbekend gebleven personen een georganiseerd en duurzaam samenwerkingsverband hebben gevormd. Dit samenwerkingsverband was gericht op het plegen van misdrijven, zoals het oplichten van banken, verduisteren van poststukken en witwassen van de opbrengsten uit deze misdrijven, om snel veel geld te verdienen. Uit het dossier is een interne structuur af te leiden van onder andere leiders, ronselaars, begeleiders van katvangers, corrupte postmedewerkers en bankmedewerkers, pinners, de beller en de overschrijver. De verdachten hadden in de criminele organisatie ieder hun eigen rol en taak, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven. Zij waren, anders dan de katvangers, niet volledig inwisselbaar en gingen op in hun rol. De verdachten waren zich ervan bewust dat zij betrokken waren bij een groter samenwerkingsverband dat strafbare feiten pleegde. Zonder hun gedragingen zouden de beoogde misdrijven niet, dan wel niet zo succesvol, zijn gepleegd.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] integraal van de ten laste gelegde feiten moeten worden vrijgesproken.

Het dossier bevat geen bewijs op basis waarvan kan worden bewezen dat [verdachte] de in de tenlastelegging onder 1 vermelde rekeninghouders als nepbankmedewerkster heeft gebeld of anderszins een zodanige significante of wezenlijke bijdrage aan de ten laste gelegde oplichting heeft geleverd, dat tussen [verdachte] en de daders van die oplichting sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Evenmin kan het onder 2 ten laste gelegde feit worden bewezen. In het dossier ontbreekt het bewijs voor de intensieve betrokkenheid van [verdachte] bij de veronderstelde criminele organisatie en het (voorwaardelijk) opzet op het oogmerk van de organisatie om misdrijven te plegen en daarmee het bewijs voor haar deelname aan deze criminele organisatie. Haar kortstondige betrokkenheid en contacten zijn daarvoor onvoldoende.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ten gelegde feiten acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de bewijsmiddelen die in de tweede bijlage bij dit vonnis zijn vervat, en overweegt als volgt.

4.4.1.

Oplichting (feit 1)

[verdachte] wordt verweten dat zij als medepleger betrokken was bij de oplichting van Rabobank ten aanzien van de rekeninghouders [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ).

Op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat Rabobank onder valse voorwendselen ertoe is bewogen inlogcodes en geldbedragen af te geven aan anderen dan aan de daartoe gerechtigde rekeninghouders [persoon 2] en [persoon 3] . Daarbij betrof het oogmerk van de daders het wederrechtelijk bevoordelen van zichzelf en/of (een) ander(en). In dit verband wordt onder meer naar de volgende feiten en omstandigheden verwezen.

Op 23 september 2011 heeft [persoon 2] twee frauduleuze e-mails van Rabobank ontvangen. Op 30 september 2011 is [persoon 2] vervolgens gebeld door een vrouw die zich voordeed als een medewerkster van Rabobank en vroeg of [persoon 2] frauduleuze e-mails had ontvangen. De nepbankmedewerkster vroeg [persoon 2] om medewerking te verlenen aan het beveiligen van haar bankrekening tegen fraude. Op 3 oktober 2011 is ook [persoon 3] gebeld door een vrouw die zich voordeed als een medewerkster van Rabobank en [persoon 3] vroeg om medewerking te verlenen aan het beveiligen van haar bankrekening tegen fraude. De nepbankmedewerkster heeft de rekeninghouders medegedeeld dat zij voor het beveiligen een code zouden moeten aanvragen met de randomreader van Rabobank. Om [persoon 2] en [persoon 3] ervan te overtuigen dat zij spraken met een medewerkster van Rabobank, somde de nepbankmedewerkster vertrouwelijke informatie op, waarna [persoon 2] en [persoon 3] allebei akkoord gingen. De rekeninghouders hebben hun betaalpas in de randomreader gestoken en met de nepbankmedewerkster een aantal stappen doorlopen, waarbij zij de nepbankmedewerkster verschillende codes hebben gegeven die de randomreader had aangemaakt. Op 30 september 2011 werd [persoon 2] een tweede keer gebeld. Tijdens dit tweede gesprek heeft [persoon 2] dezelfde stappen doorlopen en weer de aangemaakte codes aan de nepbankmedewerkster gegeven. Met behulp van de door [persoon 2] afgegeven codes is op 30 september 2011 door de fraudeur(s) via de officiële website van Rabobank toegang verkregen tot de bankrekening van [persoon 2] en is een totaalgeldbedrag van ruim € 21.000,- overgeboekt naar de bankrekeningen van vier katvangers, waaronder [persoon 4] en [persoon 5] . Met behulp van de door [persoon 3] afgegeven codes is op 3 oktober 2011 door de fraudeur(s) via de officiële website van Rabobank toegang verkregen tot de bankrekening van [persoon 3] en haar echtgenoot en is, na een overboeking van € 29.000,- tussen de spaar- en betaalrekening van [persoon 3] en haar echtgenoot, een totaalbedrag van ruim € 27.000,- overgeboekt naar de bankrekeningen van vijf katvangers, waaronder [persoon 6] . [persoon 2] en [persoon 3] en haar echtgenoot waren hiervan niet op de hoogte en hebben ook niet om deze overboekingen verzocht.

Uit onderzoek naar de historische telefoongegevens van [persoon 2] en [persoon 3] is naar voren gekomen dat zij beiden zijn gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Met dit telefoonnummer zijn meer slachtoffers van phishing gebeld. Tijdens een doorzoeking van de woning van [verdachte] , op het adres [adres 2] in [plaats 2] , is een mobiele telefoon aangetroffen met daarin een simkaart met dit telefoonnummer. De politie heeft [verdachte] om die reden geïdentificeerd als de gebruiker van het telefoonnummer. De raadsvrouw heeft dit betwist.

De verdenking dat [verdachte] bij de oplichting van Rabobank was betrokken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet alleen uit het feit dat de simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de woning van [verdachte] is aangetroffen. Na de aanhouding van [verdachte] is onder haar een mobiele telefoon met een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] aangetroffen en in beslag genomen. De verdediging heeft niet betwist dat deze mobiele telefoon en dit telefoonnummer aan [verdachte] toebehoren. In deze mobiele telefoon stonden de namen opgeslagen van de katvangers [persoon 4] en [persoon 5] . Ook de hoogte van de overgeboekte geldbedragen vanaf de bankrekening van [persoon 2] stond bij deze namen opgeslagen. In het dossier bevinden zich daarnaast een aantal tapgesprekken van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , waarin [verdachte] als nepbankmedewerkster rekeninghouders van ABN AMRO heeft gebeld. [verdachte] heeft zich tijdens deze tapgesprekken voorgesteld als bankmedewerkster [persoon 7] . Meerdere slachtoffers van phishing hebben aangegeven te zijn gebeld door een nepbankmedewerkster die zich met deze naam voorstelde. Opvallend in dit verband is bovendien een tapgesprek van 6 oktober 2011. Tijdens dit tapgesprek is [verdachte] door [medeverdachte 2] gebeld en heeft hij haar gevraagd of hij met [persoon 7] sprak. Uit de rest van het tapgesprek blijkt dat [verdachte] door [medeverdachte 2] in de maling werd genomen, en dat [medeverdachte 2] [verdachte] daarmee erg had laten schrikken. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] is verder een laptop aangetroffen, waarin onder de bijnaam van [verdachte] een document genaamd ‘ [naam 1] ’ stond opgeslagen. In dit document is een draaiboek opgesteld voor de beller die zich tegenover rekeninghouders als nepbankmedewerkster voordoet. Ook stond in de laptop de naam opgeslagen van de katvanger [persoon 6] .

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze feiten en omstandigheden de betrokkenheid van [verdachte] bij phishing, in het bijzonder bij de ten laste gelegde oplichting van Rabobank. Hoewel het in het licht van het voorgaande op de weg van [verdachte] had gelegen om hierover een verklaring af te leggen, heeft zij zich bij elk verhoor en op alle vragen op haar zwijgrecht beroepen. Dit sterkt de rechtbank in de overtuiging dat het achterwege blijven van een verklaring van [verdachte] slechts zijn grond vindt in het gegeven dat er geen ander scenario is dan het scenario dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bij [verdachte] in gebruik was en het wel degelijk [verdachte] is geweest die [persoon 2] en [persoon 3] als nepbankmedewerkster van Rabobank heeft gebeld. Met de inlogcodes die op deze leugenachtige wijze zijn verkregen, konden anderen zich tegenover Rabobank voordoen als de rekeninghouders en is Rabobank bewogen tot de afgifte van de geldbedragen.

De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] niet kan worden aangemerkt als de eigenaar van de in de woning aangetroffen voorwerpen, omdat zij niet als enige op dat adres stond ingeschreven en zij niet de enige was die van die woning gebruik maakte. Dit verweer is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en wordt om die reden verworpen. De raadsvrouw heeft gewezen op de omstandigheid dat [persoon 8] eveneens op de [adres 3] in [plaats 2] stond ingeschreven. Hoewel het klopt dat zij op huisnummer [x] stond ingeschreven, is vast komen te staan dat [verdachte] de bewoner was van de bovenwoning met huisnummer [X b] en dat zij op dat huisnummer stond ingeschreven. In beginsel is een bewoner, behoudens contra-indicaties, verantwoordelijk voor de voorwerpen die zich in zijn woning bevinden. Omdat [verdachte] hierover geen verklaring heeft willen afleggen, is van contra-indicaties niet gebleken. De enkele omstandigheid dat bij een observatie is waargenomen dat ook anderen dan [verdachte] het portiek van de woning binnengingen, maakt de conclusie van de rechtbank niet anders.

Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, waaronder de rol van [verdachte] bij de uitvoering en afhandeling van het misdrijf, als beller en als ontvanger en doorgever van de inlogcodes, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen een significante bijdrage heeft geleverd aan de oplichting van Rabobank. Haar handelen was van wezenlijk belang voor de verwezenlijking van de beoogde oplichting. Gelet op de gedragingen van [verdachte] , naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband bezien, acht de rechtbank het opzet van [verdachte] op zowel haar eigen bijdrage als het misdrijf dat zij daarmee heeft ondersteund, bewezen. Om die reden moet zij als medepleger van de oplichting worden aangemerkt.

Dit leidt ertoe dat het onder 1 ten laste gelegde feit is bewezen.

4.4.2.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 2)

Juridisch kader

De verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] wordt verweten dat zij hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had misdrijven te plegen. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Onder een organisatie als bedoeld in dit artikel moet worden verstaan een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en continuïteit tussen een verdachte en tenminste één andere persoon. Hoewel het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond hoeft te zijn en het ook niet zo is dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die behoren tot de organisatie, moet een deelnemer om tot de organisatie te behoren wel een aandeel hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel die gedragingen ondersteunen. Niet is vereist dat een deelnemer de door de organisatie beoogde misdrijven heeft uitgevoerd of opzet op die misdrijven had. Wel is (voorwaardelijk) opzet vereist voor de wetenschap van een verdachte dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Deelname aan een criminele organisatie betreft een zelfstandig strafbaar feit, waarbij een verdachte strafbaar is enkel vanwege zijn deelneming aan die organisatie. Dat betekent dat van het begaan van dat strafbare feit al sprake kan zijn als (nog) geen andere strafbare feiten zijn gepleegd, maar wel het oogmerk daartoe bestaat alsmede de deelneming hieraan. Omgekeerd brengt dit mee dat bewezenverklaring van ten laste gelegde betrokkenheid bij strafbare feiten niet automatisch tot bewezenverklaring van deelname aan de criminele organisatie leidt.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voldoende samenhang in het handelen van de deelnemers aan de criminele organisatie, moet worden gezocht naar aanwijzingen of aanknopingspunten dat deze deelnemers zich bewust waren van hun rol of taak in het geheel, zoals te vinden zouden zijn in de aard en frequentie van onderlinge afspraken en contacten. Uiteraard kunnen tot het bewijs van een dergelijke bewuste betrokkenheid ook de bewijsmiddelen bijdragen die dienen als redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring van andere ten laste gelegde feiten. Verder is van belang dat ook gedragingen van een verdachte die medeplichtigheid bij of tot enig misdrijf opleveren, waarop het oogmerk van een criminele organisatie was gericht, kunnen worden gekwalificeerd als deelneming aan die organisatie.

Binnen dit juridisch kader zal de rechtbank bezien of kan worden bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie, waaraan de verdachten hebben deelgenomen.

Beoordeling van het ten laste gelegde

Inherent aan de phishing fraude die gedurende onderzoek 13Ostara aan het licht is gekomen, is een zekere mate van organisatie van de activiteiten. Immers, vertrouwelijke informatie en klantgegevens van rekeninghouders worden verkregen, katvangers worden geronseld, nieuwe betaalpassen en pincodes worden aangevraagd, poststukken met betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes worden door postmedewerkers onderschept en geldbedragen worden veiliggesteld door geldbedragen naar de bankrekeningen van katvangers over te boeken en op te nemen of direct vanaf de bankrekeningen van getroffen rekeninghouders op te nemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Dat geldt vooral omdat er op bepaalde momenten snel gehandeld moet worden, wil een dergelijke fraude succesvol zijn.

De rechtbank stelt voorop dat bewezen is dat [verdachte] zich in de ten laste gelegde periode meermalen als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de oplichting van Rabobank. Uit het dossier kan bovendien een verdergaande betrokkenheid bij phishing worden afgeleid.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op basis van het dossier onderscheid moet worden gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Het eerste samenwerkingsverband hield zich bezig met het plegen van phishing door vertrouwelijke informatie van rekeninghouders te verkrijgen met hulp van bankmedewerkers, het verspreiden van e-mails die van een bank afkomstig leken, het telefonisch benaderen van rekeninghouders om hun inlogcodes voor internetbankieren te ontfutselen, en door vervolgens daarmee geldbedragen over te boeken naar de bankrekeningen van katvangers. Deze geldbedragen werden dan contant opgenomen door katvangers die door deelnemers van de organisatie werden aangestuurd en begeleid, of door die deelnemers zelf. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier worden afgeleid dat deze werkwijze is toegepast door een samenwerkingsverband dat bestond uit onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Het tweede samenwerkingsverband hield zich eveneens bezig met het plegen van phishing, maar door middel van een andere werkwijze, namelijk door stelselmatig poststukken te verduisteren, nieuwe betaalpassen en pincodes aan te vragen, poststukken met die nieuwe betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes te verduisteren en daarna katvangers voorzien van valse legitimatiebewijzen onder begeleiding bij bankfilialen de pinbrieven met nieuwe pincodes te laten ophalen. Met de onderschepte betaalpassen en de verkregen pincodes werden vervolgens geldbedragen contant opgenomen door katvangers of deelnemers van de organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze tweede organisatie bestaan uit onder andere [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] .

Uit de bewijsmiddelen, met name de tapgesprekken, de observaties en de tijdens de doorzoekingen in beslag genomen documenten en betaalpassen op naam van getroffen rekeninghouders, volgt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in een gestructureerd samenwerkingsverband zeer nauw betrokken waren bij het phishing proces waarbij het verkrijgen van geld via overboekingen naar katvangersrekeningen centraal stond. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] komen in het dossier naar voren als de kern van de organisatie. [medeverdachte 1] hield zich binnen het phishing proces bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het inloggen voor internetbankieren om geldbedragen over te boeken. [verdachte] heeft zich gericht op het bellen van rekeninghouders als bankmedewerkster om inlogcodes voor internetbankieren te verkrijgen. Dit blijkt rechtstreeks uit getapte telefoongesprekken waarbij zij rekeninghouders belt en zich voordoet als ‘ [persoon 7] ’ van ABN AMRO. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, geen bewijs voor de conclusie dat alle rekeninghouders die hebben verklaard dat zij door bankmedewerkster [persoon 7] zijn gebeld, ook daadwerkelijk door [verdachte] zijn gebeld. Daarvoor bestaan er te veel verschillen tussen de omschrijvingen van de stem en het accent van de nepbankmedewerkster. Uit het dossier kan bovendien worden afgeleid dat in elk geval één andere vrouw voor de organisatie rekeninghouders benaderde. Het is dan ook niet denkbeeldig dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit alias. De rechtbank houdt [verdachte] wel verantwoordelijk voor het voeren van de telefoongesprekken als bankmedewerkster voor zover zij kan worden geïdentificeerd als de gebruikster van de voor de telefoongesprekken gebruikte mobiele telefoonnummers. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] komen in het dossier naar voren als sturende, leidinggevende personen, die gegevens van katvangers doorgaven tussen de verschillende deelnemers, zodat geldbedragen vanaf de bankrekeningen van de getroffen rekeninghouders naar de juiste katvangersrekeningen werden overgeboekt. Ook vermeldden zij in tapgesprekken wel wat de hoogte van de over te boeken geldbedragen moest zijn en begeleidden zij katvangers bij het pinnen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] behoorden niet tot de kern van de organisatie, maar waren wel eveneens nauw bij het phishing proces betrokken. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hielden zich allebei bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het verhogen van de opnamelimieten van katvangersrekeningen. [medeverdachte 5] heeft deze rol binnen de organisatie niet erkend, maar bij de politie wel verklaard dat hij inderdaad katvangers heeft geronseld. [medeverdachte 4] heeft zich daarnaast gericht op het doorgeven van gegevens van katvangers naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en was daarmee evenals [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een schakel tussen de verschillende deelnemers. Verder was hij ook betrokken bij het pinnen van de overgeboekte geldbedragen, om de opbrengst uit het phishing proces veilig te stellen.

In het licht van deze feiten en omstandigheden, waaronder de betrokkenheid van [verdachte] , de taakverdeling en de frequentie en inhoud van de onderlinge contacten, acht de rechtbank bewezen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] dat moet aangemerkt worden als een criminele organisatie in bovenbedoelde zin. Het gaat om een duurzaam verband van samenwerkende personen, die zich gedurende geruime tijd en met een zekere frequentie bezighielden met het plegen van phishing. Door de verdediging is wel gesuggereerd dat veeleer sprake was van concurrentie dan van samenwerking; zovelen hielden zich destijds bezig met phishing fraude en iedereen probeerde voor zich wat bij te verdienen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, werkten de genoemde verdachten in de bewezen verklaarde periode samen bij het oplichten van banken en rekeninghouders. Dat ook andere personen zich in de bewuste periode in georganiseerd verband bezig hebben gehouden met vergelijkbare vormen van fraude, doet voor de beoordeling van het samenwerkingsverband van deze verdachten niet ter zake.

Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden bewezen wat de precieze afspraken tussen de verdachten waren of dat de verdachten met elke deelnemer van de organisatie bekend zijn geweest of contact hebben gehad, maar dat is voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie ook niet vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Ook worden uit de bewijsmiddelen afgeleid haar bewuste betrokkenheid bij deze criminele organisatie en het (voorwaardelijk) opzet op het oogmerk van de organisatie om misdrijven te plegen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] aan deze criminele organisatie heeft deelgenomen.

Dit leidt ertoe dat het onder 2 ten laste gelegde feit is bewezen.

Het dossier bevat geen bewijs dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband met de andere in de tenlastelegging vermelde verdachten. De enkele omstandigheid dat deelnemers van de criminele organisatie telefonisch contact hebben gehad met enkele andere verdachten, is hiervoor onvoldoende. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte]

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit
in de periode van 23 september 2011 tot en met 5 oktober 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, Rabobank Nederlanden heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, immers hebben zij en haar mededader(s) aldaar

- op 23 september 2011 e-mails (afkomstig lijkend van Rabobank) verzonden naar [persoon 2] , en op 30 september 2011 die [persoon 2] telefonisch benaderd en zich daarbij voorgedaan als een medewerker van Rabobank en gevraagd of die [persoon 2] e-mailberichten had ontvangen en aangegeven dat het goed was dat die [persoon 2] de mails verwijderd had en verteld dat die [persoon 2] een code zou krijgen om deze frauduleuze mails in de toekomst te voorkomen en (om die [persoon 2] ervan te overtuigen dat zij met iemand van Rabobank van doen had) het adres en de geboortedatum en de voorletters en het bankrekeningnummer van die [persoon 2] genoemd en vervolgens die [persoon 2] nogmaals gebeld en opnieuw die procedure met die [persoon 2] doorlopen en met behulp van de codes die [persoon 2] in de randomreader had aangemaakt via de officiële website van Rabobank toegang verkregen tot die rekening van [persoon 2] en vervolgens een geldbedrag ter hoogte van 3.500,00 euro overgeboekt van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 9] ( [rekeningnummer 2] ) en een geldbedrag ter hoogte van 7.000,00 euro overgeboekt van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 10] ( [rekeningnummer 3] ) en een geldbedrag ter hoogte van 6.022,00 euro overgeboekt van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 4] ( [rekeningnummer 4] ) en een opdracht te geven om een geldbedrag ter hoogte van 5.302,00 euro over te boeken van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 5] ( [rekeningnummer 5] ), en

- op 3 oktober 2011 [persoon 3] telefonisch benaderd en zich daarbij voorgedaan als medewerker van Rabobank en in die hoedanigheid die [persoon 3] voorgewend de bankpas van die [persoon 3] te willen koppelen aan de code teneinde fraude tegen te gaan en die [persoon 3] verzocht de code te verstrekken, welke code verscheen na het intoetsen van een aantal gegevens op de randomreader en vervolgens met behulp van door die [persoon 3] verstrekte codes via de officiële website van Rabobank toegang verkregen tot de lopende rekening [rekeningnummer 6] en spaarrekening [rekeningnummer 7] ten name van [persoon 11] en die [persoon 3] , en vervolgens een geldbedrag ter hoogte van 29.000,00 euro overgeboekt tussen de eigen rekeningen van die [persoon 11] en [persoon 3] , en een geldbedrag ter hoogte van 9.800,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 12] ( [rekeningnummer 8] ) en een geldbedrag ter hoogte van 5.001,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 13] ( [rekeningnummer 9] ) en een geldbedrag ter hoogte van 5002,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 14] ( [rekeningnummer 10] ) en een geldbedrag ter hoogte van 5.002,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 6] ( [rekeningnummer 11] ) en een geldbedrag ter hoogte van 3.001,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 15] ( [rekeningnummer 12] ), terwijl die [persoon 11] en [persoon 3] hier nimmer om verzocht hebben;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit
in de periode van 23 september 2011 tot en met 29 november 2011 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en [persoon 1] en één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van (rechts)personen (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en (gewoonte)witwassen van bedragen (artikel 420ter/bis Wetboek van Strafrecht) en diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. In de tenlastelegging staat onder het onder 1 ten laste gelegde feit dat ING rekeninghouder [persoon 16] telefonisch is benaderd. Uit het dossier blijkt echter dat het gaat om de rekeninghouder [persoon 3]. De rechtbank ziet dit als een kennelijke verschrijving en heeft de bewezenverklaring op dit punt dan ook aangepast. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Zij is dan ook strafbaar.

7 De strafmotivering

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] , gezien de ernst van de door haar bewezen geachte feiten en de rol van [verdachte] in de criminele organisatie enerzijds, en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. De officier van justitie heeft ook de gevangenneming van [verdachte] gevorderd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om in geval van strafoplegging acht te slaan op de jurisprudentie over phishing, de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en haar marginale rol in het geheel. Gelet hierop is oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel de reeds ondergane voorlopige hechtenis overstijgt, niet passend.

De raadsvrouw heeft ook verzocht om de vordering tot gevangenneming af te wijzen, omdat de door de officier van justitie vermelde grond hiervoor, namelijk het gevaar voor recidive, niet kan worden onderbouwd. Mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting is er geen enkele gegronde reden om het moment waarop een eventueel te executeren gevangenisstraf onherroepelijk wordt, niet in vrijheid af te mogen wachten.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van Rabobank. Ook heeft zij deelgenomen aan een criminele organisatie. [verdachte] is aangehouden naar aanleiding van een onderzoek naar grootschalige phishing fraude, waarbij de daders zich in georganiseerd verband schuldig hebben gemaakt aan het plegen van oplichting, verduistering, diefstal door middel van valse sleutel en witwassen. Van de opbrengsten hieruit hebben zij geprofiteerd. [verdachte] heeft bij dit alles een bijzonder kwalijke rol gespeeld. Zij heeft zich tegenover rekeninghouders voorgedaan als bankmedewerkster en hen misleid om inlogcodes voor internetbankieren te verkrijgen. Zij heeft zich daarmee op schaamteloze wijze gedragen en bovendien voor de verwezenlijking van de oplichtingen een onmisbare rol gehad.

De criminele organisatie waaraan [verdachte] heeft deelgenomen, had tot doel misdrijven te plegen die verband houden met phishing fraude. De bijdrage van [verdachte] aan de op grote schaal en in georganiseerd verband gepleegde misdrijven heeft het economisch systeem en het vertrouwen van de getroffen rekeninghouders in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Ook heeft de organisatie met de begane misdrijven voor banken en rekeninghouders schade veroorzaakt. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is, bestaat bovendien het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Aangenomen mag worden dat de organisatie erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij te laten weerhouden door deze gevolgen.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken daarvoor plegen op te leggen, waarbij de deelname aan een criminele organisatie, de bewezen verklaarde periode en de rol van [verdachte] het zwaartepunt zijn, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft bij de keuze voor de duur van de op te leggen gevangenisstraf ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals die uit het dossier en ter terechtzitting zijn gebleken. Hierin ziet de rechtbank geen strafmatigende omstandigheden. Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat zij eerder is veroordeeld en dat artikel 63 Sr van toepassing is. Omdat het echter gaat om veroordelingen voor andersoortige strafbare feiten, ziet de rechtbank ook hierin geen strafmatigende omstandigheid.

Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Op 29 november 2011 is [verdachte] in het kader van onderzoek 13Ostara aangehouden en in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Omdat het eindvonnis thans op 24 januari 2017 wordt gewezen en de rechtbank van zodanige bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op drie jaar en twee maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn van berechting resulteert er in dat de rechtbank de duur van de beoogde gevangenisstraf met twee maanden zal matigen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden.

De rechtbank zal, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, geen bevel tot gevangenneming verlenen, nu daarvoor geen gronden zijn.

8 De vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [persoon 3] heeft betaling van € 10.003,- aan materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit frauduleus overgeboekte en opgenomen geldbedragen vanaf de bankrekening van [persoon 3] en haar echtgenoot. De benadeelde partij heeft verzocht om bij toewijzing van de vordering het geleden schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [persoon 3] hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel toe te wijzen. [verdachte] heeft volgens de officier van justitie de oplichting ten aanzien van [persoon 3] begaan met [medeverdachte 2] , wat betekent dat zij beiden aansprakelijk zijn voor de geleden schade.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat [persoon 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Zij heeft hiertoe betoogd dat de vordering onevenredig bezwarend is voor een behandeling in de onderhavige zaak, omdat deze summier is opgesteld en niet (nader) is gemotiveerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het civielrechtelijke karakter van een vordering benadeelde partij met zich brengt dat de vordering zal moeten worden onderbouwd. In het algemeen geldt dat voor zover de benadeelde partij dat achterwege laat door noch bescheiden te overleggen waarmee de vordering kan worden gestaafd, noch ter terechtzitting te verschijnen om de vordering nader toe te lichten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van [persoon 3] onvoldoende met stukken is onderbouwd, omdat deze vordering slechts is voorzien van een opgave van het geleden schadebedrag van € 10.003,-. Weliswaar bevat het dossier een aangifte van [persoon 3] , waarin de geldbedragen zijn vermeld die frauduleus vanaf de bankrekening van [persoon 3] en haar echtgenoot zijn overgeboekt, maar het totaalgeldbedrag daarvan komt niet overeen met het in de vordering vermelde schadebedrag. De raadsvrouw heeft de vordering gemotiveerd betwist en gewezen op deze discrepantie. Namens de benadeelde partij is niemand ter terechtzitting verschenen om de vordering nader toe te lichten en de vragen over de vordering te beantwoorden.

In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering van [persoon 3] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit betekent dat de rechtbank [persoon 3] niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.

9 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 140 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart bewezen dat [verdachte] de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit

- medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit

- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden en beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 16] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. B. Vogel en T.T. Hylkema, rechters

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2017.

Bijlage 1

De volledige tekst van de tenlastelegging

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat zij

1. (hoofdzakelijk zaakdossier [persoon 3]) in of omstreeks de periode van 23 september 2011 tot en met 5 oktober 2011 te Amsterdam en/of Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Rabobank en/of de ABN AMRO Bank en/of ING Bank en/of Fortisbank en/of SNS-Bank een of meer andere rechtspersonen en/of een of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) en/of bankpas(sen) en/of pinbrieven/pinbrief, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) aldaar (onder meer)

- ( op of omstreeks 23 september 2011) een of meer e-mail(s) verzonden naar [persoon 2] (afkomstig lijkend van de Rabobank) en/of (op of omstreeks 30 september 2011) die [persoon 2] telefonisch benaderd en zich daarbij voorgedaan als zijnde een medewerker van de Rabobank en/of gevraagd of die [persoon 2] e-mailberichten had ontvangen en/of aangegeven dat het goed was dat die [persoon 2] de mails verwijderd had en/of verteld dat die [persoon 2] een code zou krijgen om deze frauduleuze mails in de toekomst te voorkomen en/of (om het vertrouwen van die [persoon 2] ervan te overtuigen dat zij met iemand van de Rabobank van doen had) het adres en/of de geboortedatum en/of de voorletters en/of het bankrekeningnummer van die [persoon 2] genoemd en/of (vervolgens) heeft die [persoon 2] een aantal maal een code in de randomreader aangemaakt en/of die code(s) aan haar en/of haar mededader(s) doorgegeven en/of (vervolgens) die [persoon 2] nogmaals gebeld en opnieuw die procedure met die [persoon 2] doorlopen en/of met behulp van die code(s) via de officiële website van de Rabobank toegang verkregen tot die rekening van [persoon 2] en/of (vervolgens) een geldbedrag ter hoogte van 3.500,00 euro overgeboekt van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 9] ( [rekeningnummer 2] ), en/of een geldbedrag ter hoogte van 7.000,00 euro overgeboekt van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 10] ( [rekeningnummer 3] ), en/of een geldbedrag ter hoogte van 6.022,00 euro overgeboekt van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 4] ( [rekeningnummer 4] ), en/of een opdracht te geven om een geldbedrag ter hoogte van 5.302,00 euro over te boeken van die rekening ( [rekeningnummer 1] ) naar de rekening van [persoon 5] ( [rekeningnummer 5] ),en/of (vervolgens) de tekst ' [persoon 5] 5.302,00 [persoon 4] 6.022,00' ontvangen en/of opgeslagen en/of verzonden en/of een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 1.500,00 euro en/of 1.500,00 euro en/of 1.500,00 euro en/of 500,00 euro opgenomen (van die rekening van die [persoon 4] ) en/of een of meer transactie(s) ter hoogte van 81,50 euro en/of 254,00 euro en/of 56,78 euro en/of 590,00 euro en/of 31,00 euro verricht (via die rekening van die [persoon 4] ), en/of

- ( op of omstreeks 3 oktober 2011) [persoon 16] telefonisch benaderd en zich daarbij voorgedaan als medewerker van de Rabobank en/of (in die hoedanigheid) die [persoon 3] voorgewend de bankpas van die [persoon 3] te willen koppelen aan de code teneinde fraude tegen te gaan en/of die [persoon 3] verzocht de code te verstrekken, welke code verscheen na het intoetsen van een aantal gegevens op de randomreader en/of vervolgens met behulp van een of meerdere door die [persoon 3] verstrekte code(s) via de officiële website van de Rabobank toegang verkregen tot de lopende rekening [rekeningnummer 6] en/of spaarrekening [rekeningnummer 7] ten name van [persoon 11] en/of die [persoon 3] en/of (vervolgens) een geldbedrag ter hoogte van 29.000,00 euro overgeboekt tussen de eigen rekeningen van die [persoon 11] en/of [persoon 3] , en/of een geldbedrag ter hoogte van 9.800,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 12] ( [rekeningnummer 8] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 5.001,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 13] ( [rekeningnummer 9] ), en/of een geldbedrag ter hoogte van 5002,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 14] ( [rekeningnummer 10] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 5.002,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 6] ( [rekeningnummer 11] ) en/of een geldbedrag ter hoogte van 3.001,00 euro overgeboekt van de rekening ( [rekeningnummer 6] ) van die [persoon 11] en/of [persoon 3] naar de rekening van [persoon 15] ( [rekeningnummer 12] ), terwijl die [persoon 11] en/of [persoon 3] hier nimmer om verzocht heeft, en/of (vervolgens) een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 1.500,00 euro en/of 1.500,00 euro en/of 1.500,00 euro en/of 240,00 euro opgenomen (van die rekening van die [persoon 14] ), en/of een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 1.500,00 euro en/of 1.500,00 euro en/of 1.490,00 euro opgenomen (van die rekening van die [persoon 13] ) en/of (op of omstreeks 4 oktober 2011 en/of 5 oktober 2011) een of meer sms(jes) met de mededeling ‘ [persoon 12] [rekeningnummer 13] [persoon 17] [rekeningnummer 14] ' en/of ‘ [persoon 12] [rekeningnummer 13] [persoon 17] [rekeningnummer 14] ' ontvangen en/of verzonden;

2. (hoofdzakelijk zaakdossier [persoon 3] , zaakdossier Doorzoeking [adres 2] , zaakdossier [naam 2] en zaakdossier 140 [naam 3]) in of omstreeks de periode van 4 mei 2011 tot en met 9 november 2011 te Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Noordwijk en/of Rotterdam en/of Lunteren en/of Eindhoven en/of Tilburg en/of Goirle en/of Den Haag en/of Haarlem en/of Duivendrecht en/of Grijpskerk en/of Almere en/of 's-Hertogenbosch en/of Nijmegen en/of Baarn en/of Rijswijk en/of Groningen en/of Oostzaan en/of Monster en/of Heerhugowaard en/of Gouda en/of Leeuwarden en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen (te weten [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [persoon 18] en/of [persoon 19] en/of [persoon 20] en/of [persoon 1] en/of één of meer andere personen), heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van één of meerdere (rechts)perso(o)n(en) (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of (gewoonte)witwassen van één of meer bedrag(en) (artikel 420ter/bis Wetboek van Strafrecht) en/of verduistering gepleegd door postfunctionaris (artikel 273b Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht).