Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:389

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
13/710157-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 16 maanden voor deelname aan een criminele organisatie en het voorhanden hebben van valse betaalpassen en skimapparatuur.

Onderzoek 13Ostara naar grootschalige phishing fraude. De rechtbank heeft onderscheid gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Verdachte heeft deelgenomen aan het samenwerkingsverband dat zich bezig hield met het plegen van phishing door vertrouwelijke informatie van rekeninghouders te verkrijgen met hulp van bankmedewerkers, het verspreiden van e-mails, het telefonisch ontfutselen van inlogcodes voor internetbankieren, en door vervolgens daarmee geldbedragen over te boeken naar bankrekeningen van katvangers. Deze geldbedragen werden dan contant opgenomen door katvangers die door deelnemers van de organisatie werden aangestuurd en begeleid, of door die deelnemers zelf. Verdachte heeft met de deelnemers van dit samenwerkingsverband een criminele organisatie gevormd. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van valse betaalpassen en skimapparatuur. Van het gebruik maken van die betaalpassen wordt verdachte bij gebrek aan bewijs vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710157-11 (promis)

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 oktober 2016, 26 oktober 2016, 28 oktober 2016 en 10 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Vriezen-Buist, en van wat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

[verdachte] wordt, samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan

  • -

    het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de periode van 11 februari 2011 tot en met 3 mei 2012 (feit 1);

  • -

    het gebruik maken van drie valse betaalpassen en het voorhanden hebben van die valse betaalpassen op 1 december 2010, 2 december 2010 en/of 29 november 2011 (feit 2);

  • -

    het voorhanden hebben van voorwerpen die tot vervalsen zijn bestemd op 29 november 2011 (feit 3).

De volledige tekst van de tenlastelegging is als eerste bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 De voorvragen

De raadsvrouw heeft bepleit dat ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit onvoldoende feitelijk is omschreven waarvoor de in beslag genomen kaartlezer en magneetkaarten waren bestemd. Hierdoor is sprake van een obscuur libel, wat tot een nietige dagvaarding op dit punt moet leiden.

Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering moet de tenlastelegging een opgave behelzen van het strafbare feit dat ten laste wordt gelegd en de omstandigheden waaronder dat feit zou zijn begaan. Dit zodat de rechtbank op basis van de tenlastelegging weet wat zij moet onderzoeken en een verdachte voldoende duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd. Of de tekst van de tenlastelegging voldoende feitelijk is, moet worden bezien tegen achtergrond van de inhoud van het gehele dossier.

Het onder 3 ten laste gelegde feit behelst, in samenhang bezien met het dossier, in het bijzonder zaakdossier [naam 2] , een opgave van het strafbare feit dat ten laste wordt gelegd en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan, namelijk de verdenking van het opzettelijk voorhanden hebben van skimapparatuur, zijnde voorwerpen die tot vervalsen zijn bestemd.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is waartegen [verdachte] zich moet verdedigen. De dagvaarding is dan ook geldig. Deze rechtbank is verder bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn ook geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Deze zaak is voortgekomen uit het onderzoek 13Ostara. In dit onderzoek draait het om een vorm van fraude die bekend staat onder de naam “phishing”. Phishing houdt kort gezegd in dat rekeninghouders of banken onder valse voorwendselen worden bewogen tot de afgifte van vertrouwelijke gegevens, die nodig zijn voor internetbankieren. Met die gegevens worden buiten weten van de rekeninghouders geldbedragen van hun bankrekeningen overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers. Een andere variant is het hengelen naar poststukken van rekeninghouders met daarin vertrouwelijke informatie en betaalpassen. De laatste stap in het proces van phishing is het zo snel mogelijk contant opnemen van het geld. Inherent aan phishing is de betrokkenheid van meerdere personen en een zekere mate van organisatie. De verdachten die tijdens onderzoek 13Ostara in beeld zijn gekomen en door de politie als hoofdverdachten in dit onderzoek zijn aangemerkt, zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ).

Uit de resultaten van onderzoek 13Ostara heeft de politie afgeleid dat organisatorisch te werk is gegaan en dat gebruik is gemaakt van voormelde twee werkwijzen. In eerste instantie zijn e-mails verspreid die van banken afkomstig leken en waarin rekeninghouders werd gevraagd om vertrouwelijke gegevens in te vullen. De rekeninghouders zijn vervolgens gebeld door een vrouw die zich als bankmedewerkster voorstelde en hun gedurende het telefoongesprek de inlogcodes voor internetbankieren ontfutselde. Met deze gegevens konden geldbedragen van de bankrekeningen van de rekeninghouders worden overgeboekt naar de bankrekeningen van
katvangers en daarna door middel van pinopnames worden veiliggesteld. Volgens de politie zouden [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij deze werkwijze zijn betrokken. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn vanwege deze vermeende betrokkenheid aangehouden. De politie vermoedt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] na deze aanhoudingen zijn overgestapt op de andere werkwijze, waarbij vertrouwelijke gegevens van rekeninghouders zijn verkregen door het stelselmatig verduisteren van poststukken van banken. Met de verkregen betaalpassen en afhaalberichten konden katvangers bij bankfilialen pinbrieven met pincodes ophalen, waarna geldbedragen direct vanaf de bankrekeningen van rekeninghouders werden opgenomen. Voor deze werkwijze zouden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] contact hebben gezocht met PostNL-medewerker [medeverdachte 6] en hebben samengewerkt met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 9] en later ook [medeverdachte 1] . Voor beide werkwijzen werd verder gebruik gemaakt van de diensten en informatie van [medeverdachte 5] en verscheidene bankmedewerkers.

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van phishing fraude. [verdachte] wordt ook verweten dat hij valse betaalpassen en skimapparatuur voorhanden heeft gehad en van die valse betaalpassen gebruik heeft gemaakt. De vraag die voorligt, is of op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting bewezen kan worden dat [medeverdachte 3] zich aan deze strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle drie ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft zij daartoe het volgende betoogd.

Op basis van de inhoud van het dossier, met name zaakdossier 140 [naam 1] , kan worden bewezen dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] samen met [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en andere onbekend gebleven personen een georganiseerd en duurzaam samenwerkingsverband hebben gevormd. Dit samenwerkingsverband was gericht op het plegen van misdrijven, zoals het oplichten van banken, verduisteren van poststukken en witwassen van de opbrengsten uit deze misdrijven, om snel veel geld te verdienen. Uit het dossier is een interne structuur af te leiden van onder andere leiders, ronselaars, begeleiders van katvangers, corrupte postmedewerkers en bankmedewerkers, pinners, de beller en de overschrijver. De verdachten hadden in de criminele organisatie ieder hun eigen rol en taak, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven. Zij waren, anders dan de katvangers, niet volledig inwisselbaar en gingen op in hun rol. De verdachten waren zich ervan bewust dat zij betrokken waren bij een groter samenwerkingsverband dat strafbare feiten pleegde. Zonder hun gedragingen zouden de beoogde misdrijven niet, dan wel niet zo succesvol, zijn gepleegd.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] integraal van de ten laste gelegde feiten moeten worden vrijgesproken.

Op basis van het dossier kan allereerst niet worden bewezen dat sprake is geweest van een structureel en duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachten, zoals onder 1 ten laste is gelegd. Daarnaast ontbreekt het bewijs voor de intensieve betrokkenheid van [verdachte] bij de veronderstelde criminele organisatie en het (voorwaardelijk) opzet op het oogmerk van de
organisatie om misdrijven te plegen en daarmee het bewijs voor zijn deelname aan deze criminele organisatie.

Het dossier bevat ook geen bewijs voor de wetenschap van [verdachte] van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging onder 2 vermelde valse betaalpassen in zijn slaapkamer en dus van het opzettelijk voorhanden hebben ervan. Evenmin kan worden bewezen dat [verdachte] twee van deze betaalpassen heeft gebruikt om op kosten van BCC voor brandstof te betalen.

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit moet volgen, omdat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat het opzet van [verdachte] was gericht op het plegen van fraude.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ten gelegde feiten acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de bewijsmiddelen die in de tweede bijlage bij dit vonnis zijn vervat, en overweegt als volgt.

4.4.1.

Voorhanden hebben en/of gebruik maken van valse betaalpassen (feit 2) en voorhanden hebben van skimapparatuur (feit 3)

Tijdens een doorzoeking van de woning op het adres [adres] in [plaats] is in de slaapkamer van [verdachte] een doos met daarin 23 blanco magneetkaarten aangetroffen. Uit het digitale onderzoek naar de magneetkaarten is duidelijk geworden dat op drie magneetkaarten geskimde gegevens stonden ingelezen, namelijk de gegevens van twee Shell-tankpassen op naam van BCC en van een creditcard op naam van [persoon 2] . De tankpassen en de creditcard kunnen in verband worden gebracht met fraude. BCC heeft aangifte gedaan van skimming van de gegevens van twee van haar tankpassen. Met deze gegevens is voor een totaalbedrag van ruim € 3.000,- aan brandstof getankt bij diverse tankstations. De creditcard op naam van [persoon 2] bleek nog actief en in het bezit te zijn van de eigenaar. Met de geskimde gegevens zou het mogelijk zijn om frauduleuze handelingen te verrichten, maar pogingen daartoe zijn niet verricht. Uit het digitale onderzoek naar de magneetkaarten is ook duidelijk geworden dat op de andere twintig magneetkaarten geen gegevens bleken te zijn ingelezen. In de kartonnen doos zijn verder een kaartenlezer en twee cd-roms met software aangetroffen, waarmee de met de kaartlezer uitgelezen gegevens kunnen worden overgebracht naar een computer en magneetkaarten.

[verdachte] wordt verweten dat hij de drie valse betaalpassen en de lege magneetkaarten en kaartenlezer voorhanden heeft gehad en dat hij van twee van die valse betaalpassen gebruik heeft gemaakt.

Voorhanden hebben en/of gebruik maken van drie valse betaalpassen

Op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat [verdachte] de drie valse betaalpassen voorhanden heeft gehad. De valse betaalpassen zijn aangetroffen in een doos die allereerst aan [verdachte] was geadresseerd en die zich bovendien in zijn slaapkamer bevond. Naar het oordeel van de rechtbank is [verdachte] , behoudens contra-indicaties, verantwoordelijk voor de voorwerpen die zich in zijn slaapkamer bevinden. Van dergelijke contra-indicaties is echter niet gebleken. Integendeel, [verdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de pasjes en de kaartlezer zelf heeft aangeschaft ten behoeve van de organisatie van een feestje. Hij was zich dus bewust van de aanwezigheid van die pasjes. Daarnaast is tijdens het digitale onderzoek naar de kaartlezer naar voren gekomen dat het apparaat geschikt is om op locatie gegevens van betaalpassen in te lezen en deze gegevens met behulp van de software op de cd-roms uit te lezen en naar blanco magneetkaarten, zoals de valse betaalpassen, over te brengen. Verder is duidelijk geworden dat de eigenschappen van de software van de kaartlezer en cd-roms overeenkomen met de eigenschappen van opgeslagen databestanden die zijn aangetroffen op de laptop van [verdachte] . In het licht van deze feiten en omstandigheden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van het valse karakter van de betaalpassen en de bestemming van de betaalpassen om deze als echt en onvervalst te kunnen gebruiken, en dus dat hij de betaalpassen opzettelijk voorhanden heeft gehad.

Dit ligt anders ten aanzien van het gebruik maken van de valse betaalpassen. Het dossier bevat geen bewijs op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat het [verdachte] is geweest die met de valse betaalpassen met geskimde gegevens van Shell voor brandstof zou hebben betaald. Op het moment dat gegevens van betaalpassen zijn geskimd, is het mogelijk om deze gegevens op een computer op te slaan en naar verschillende blanco magneetkaarten over te brengen. Omdat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat de brandstof is betaald met deze twee betaalpassen, is er ruimte voor het alternatieve scenario dat derden met andere valse betaalpassen met dezelfde geskimde gegevens de brandstof hebben betaald.

Dit alles leidt ertoe dat het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van de drie valse betaalpassen is bewezen. Het ten laste gelegde gebruik maken van twee valse betaalpassen is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

Voorhanden hebben van skimapparatuur

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit ook bewezen.

Op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat [verdachte] in zijn slaapkamer skimapparatuur voorhanden heeft gehad, namelijk blanco magneetkaarten en een kaartlezer met bijbehorende software, zijnde een samenstel van voorwerpen met behulp waarvan betaalpassen kunnen worden uitgelezen en gegevens kunnen worden opgeslagen en overgebracht. Deze skimapparatuur was geschikt om fraude mee te plegen, zoals strafbaar is gesteld in de in de tenlastelegging vermelde wetsartikelen. Zoals hiervoor al is overwegen, bevonden zich in de doos met de magneetkaarten en de kaartlezer met software ook valse betaalpassen en is de betreffende software op de laptop van [verdachte] aangetroffen. Uit de verklaring van [verdachte] kan verder worden afgeleid dat hij bij phishing was betrokken en in die hoedanigheid verantwoordelijk was voor het regelen van bankrekeningnummers van katvangers en betaalpassen behorend bij die bankrekeningen om geldbedragen naar te kunnen overboeken en daarna te kunnen opnemen. In het licht van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden bewezen dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van de bestemming van de skimapparatuur om fraude te plegen en dat zijn opzet hierop was gericht.

4.4.2.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 1)

Juridisch kader

De verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] wordt verweten dat zij hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had misdrijven te plegen. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Onder een organisatie als bedoeld in dit artikel moet worden verstaan een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en continuïteit tussen een verdachte en tenminste één andere persoon. Hoewel het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond hoeft te zijn en het ook niet zo is dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die behoren tot de organisatie, moet een deelnemer om tot de organisatie te behoren wel een aandeel hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel die gedragingen ondersteunen. Niet is vereist dat een deelnemer de door de organisatie beoogde misdrijven heeft uitgevoerd of opzet op die misdrijven had. Wel is (voorwaardelijk) opzet vereist voor de wetenschap van een verdachte dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Deelname aan een criminele organisatie betreft een zelfstandig strafbaar feit, waarbij een verdachte strafbaar is enkel vanwege zijn deelneming aan die organisatie. Dat betekent dat van het begaan van dat strafbare feit al sprake kan zijn als (nog) geen andere strafbare feiten zijn gepleegd, maar wel het oogmerk daartoe bestaat alsmede de deelneming hieraan. Omgekeerd brengt dit mee dat bewezenverklaring van ten laste gelegde betrokkenheid bij strafbare feiten niet automatisch tot bewezenverklaring van deelname aan de criminele organisatie leidt.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voldoende samenhang in het handelen van de deelnemers aan de criminele organisatie, moet worden gezocht naar aanwijzingen of aanknopingspunten dat deze deelnemers zich bewust waren van hun rol of taak in het geheel, zoals te vinden zouden zijn in de aard en frequentie van onderlinge afspraken en contacten. Uiteraard kunnen tot het bewijs van een dergelijke bewuste betrokkenheid ook de bewijsmiddelen bijdragen die dienen als redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring van andere ten laste gelegde feiten. Verder is van belang dat ook gedragingen van een verdachte die medeplichtigheid bij of tot enig misdrijf opleveren, waarop het oogmerk van een criminele organisatie was gericht, kunnen worden gekwalificeerd als deelneming aan die organisatie.

Binnen dit juridisch kader zal de rechtbank bezien of kan worden bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie, waaraan de verdachten hebben deelgenomen.

Beoordeling van het ten laste gelegde

Inherent aan de phishing fraude die gedurende onderzoek 13Ostara aan het licht is gekomen, is een zekere mate van organisatie van de activiteiten. Immers, vertrouwelijke informatie en klantgegevens van rekeninghouders worden verkregen, katvangers worden geronseld, nieuwe betaalpassen en pincodes worden aangevraagd, poststukken met betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes worden door postmedewerkers onderschept en geldbedragen worden veiliggesteld door geldbedragen naar de bankrekeningen van katvangers over te boeken en op te nemen of direct vanaf de bankrekeningen van getroffen rekeninghouders op te nemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Dat geldt vooral omdat er op bepaalde momenten snel gehandeld moet worden, wil een dergelijke fraude succesvol zijn.

De rechtbank stelt voorop dat bewezen is dat [verdachte] zich in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van valse betaalpassen en skimapparatuur, die mede bestemd was voor het begaan van fraude in de vorm van phishing. Uit het dossier kan bovendien een verdergaande betrokkenheid bij phishing worden afgeleid.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op basis van het dossier onderscheid moet worden gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Het eerste samenwerkingsverband hield zich bezig met het plegen van phishing door vertrouwelijke informatie van rekeninghouders te verkrijgen met hulp van bankmedewerkers, het verspreiden van e-mails die van een bank afkomstig leken, het telefonisch benaderen van rekeninghouders om hun inlogcodes voor internetbankieren te ontfutselen, en door vervolgens daarmee geldbedragen over te boeken naar de bankrekeningen van katvangers. Deze geldbedragen werden dan contant opgenomen door katvangers die door deelnemers van de organisatie werden aangestuurd en begeleid, of door die deelnemers zelf. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier worden afgeleid dat deze werkwijze is toegepast door een samenwerkingsverband dat bestond uit onder andere [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Het tweede samenwerkingsverband hield zich eveneens bezig met het plegen van phishing, maar door middel van een andere werkwijze, namelijk door stelselmatig poststukken te verduisteren, nieuwe betaalpassen en pincodes aan te vragen, poststukken met die nieuwe betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes te verduisteren en daarna katvangers voorzien van valse legitimatiebewijzen onder begeleiding bij bankfilialen de pinbrieven met nieuwe pincodes te laten ophalen. Met de onderschepte betaalpassen en de verkregen pincodes werden vervolgens geldbedragen contant opgenomen door katvangers of deelnemers van de organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze tweede organisatie bestaan uit onder andere [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] .

Uit de bewijsmiddelen, met name de tapgesprekken, de observaties en de tijdens de doorzoekingen in beslag genomen documenten en betaalpassen op naam van getroffen rekeninghouders, volgt dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in een gestructureerd samenwerkingsverband zeer nauw betrokken waren bij het phishing proces waarbij het verkrijgen van geld via overboekingen naar katvangersrekeningen centraal stond. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] komen in het dossier naar voren als de kern van de organisatie. [verdachte] hield zich binnen het phishing proces bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het inloggen voor internetbankieren om geldbedragen over te boeken. [medeverdachte 2] heeft zich gericht op het bellen van rekeninghouders als bankmedewerkster om inlogcodes voor internetbankieren te verkrijgen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] komen in het dossier naar voren als sturende, leidinggevende personen, die gegevens van katvangers doorgaven tussen de verschillende deelnemers, zodat geldbedragen vanaf de bankrekeningen van de getroffen rekeninghouders naar de juiste katvangersrekeningen werden overgeboekt. Ook vermeldden zij in tapgesprekken wel wat de hoogte van de over te boeken geldbedragen moest zijn en begeleidden zij katvangers bij het pinnen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] behoorden niet tot de kern van de organisatie, maar waren wel eveneens nauw bij het phishing proces betrokken. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hielden zich allebei bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het verhogen van de opnamelimieten van katvangersrekeningen. [medeverdachte 5] heeft deze rol binnen de organisatie niet erkend, maar bij de politie wel verklaard dat hij inderdaad katvangers heeft geronseld. [medeverdachte 4] heeft zich daarnaast gericht op het doorgeven van gegevens van katvangers naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en was daarmee evenals [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een schakel tussen de verschillende deelnemers. Verder was hij ook betrokken bij het pinnen van de overgeboekte geldbedragen, om de opbrengst uit het phishing proces veilig te stellen.

In het licht van deze feiten en omstandigheden, waaronder de betrokkenheid van [verdachte] , de taakverdeling en de frequentie en inhoud van de onderlinge contacten, acht de rechtbank bewezen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] dat moet aangemerkt worden als een criminele organisatie in bovenbedoelde zin. Het gaat om een duurzaam verband van samenwerkende personen, die zich gedurende geruime tijd en met een zekere frequentie bezighielden met het plegen van phishing. Door de verdediging is wel gesuggereerd dat veeleer sprake was van concurrentie dan van samenwerking; zovelen hielden zich destijds bezig met phishing fraude en iedereen probeerde voor zich wat bij te verdienen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, werkten de genoemde verdachten in de bewezen verklaarde periode samen bij het oplichten van banken en rekeninghouders. Dat ook andere personen zich in de bewuste periode in georganiseerd verband bezig hebben gehouden met vergelijkbare vormen van fraude, doet voor de beoordeling van het samenwerkingsverband van deze verdachten niet ter zake.

Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden bewezen wat de precieze afspraken tussen de verdachten waren of dat de verdachten met elke deelnemer van de organisatie bekend zijn geweest of contact hebben gehad, maar dat is voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie ook niet vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Ook worden uit de bewijsmiddelen afgeleid zijn bewuste betrokkenheid bij deze criminele organisatie en het (voorwaardelijk) opzet op het oogmerk van de organisatie om misdrijven te plegen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] aan deze criminele organisatie heeft deelgenomen.

Dit leidt ertoe dat het onder 1 ten laste gelegde feit is bewezen.

Het dossier bevat geen bewijs dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband met de andere in de tenlastelegging vermelde verdachten. De enkele omstandigheid dat deelnemers van de criminele organisatie telefonisch contact hebben gehad met enkele andere verdachten, is hiervoor onvoldoende. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte]

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit
in de periode van 2 september 2011 tot en met 29 november 2011 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en [persoon 1] en één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van (rechts)personen (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en (gewoonte)witwassen van bedragen (artikel 420ter/420bis Wetboek van Strafrecht) en diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit
op 29 november 2011 te [plaats] opzettelijk voorhanden heeft gehad valse betaalpassen, te weten een tankpas uitgegeven door Shell ten name van elektronicazaak BCC gekoppeld aan een vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] , en een tankpas uitgegeven door Shell ten name van elektronicazaak BCC gekoppeld aan een vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] , en een creditcard ten name van [persoon 2] (rekeningnummer [rekeningnummer] ), bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware die passen echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat op die passen alle echtheidskenmerken (opdrukken en logo's en geëmbosseerde kaartnummers en kentekens en rekeningnummers) ontbraken;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit
op 29 november 2011 te [plaats] opzettelijk skimapparatuur, te weten twintig magneetkaarten en een kaartlezer (Mini600), met behulp waarvan betaalpassen en waardekaarten die voorzien zijn van een magneetstrip uit kunnen worden gelezen en/of met behulp waarvan gegevens, voorkomende op betaalpassen en waardekaarten kunnen worden opgeslagen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die voorwerpen bestemd waren tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, artikel 226 eerste lid onder 2-3 en artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. In de tenlastelegging staat onder het onder 2 ten laste gelegde feit dat [verdachte] door Shell uitgegeven tankpassen op naam van BBC voorhanden heeft gehad. Uit het dossier blijkt echter dat het gaat om tankpassen op naam van BCC. De rechtbank ziet dit als een kennelijke verschrijving en heeft de bewezenverklaring op dit punt dan ook aangepast. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

7 De strafmotivering

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] , gezien de ernst van de door haar bewezen geachte feiten en zijn rol in de criminele organisatie enerzijds, en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. De officier van justitie heeft ook de gevangenneming van [verdachte] gevorderd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om in geval van strafoplegging acht te slaan op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraude, de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is. Gelet hierop is oplegging van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf niet passend.

De raadsvrouw heeft ook verzocht om de vordering tot gevangenneming af te wijzen, omdat de door de officier van justitie vermelde grond hiervoor, namelijk het gevaar voor recidive, niet kan worden onderbouwd. Mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting is er geen enkele gegronde reden om het moment waarop een eventueel te executeren gevangenisstraf onherroepelijk wordt, niet in vrijheid af te mogen wachten.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van valse betaalpassen en
skimapparatuur. Ook heeft hij deelgenomen aan een criminele organisatie. [verdachte] is aangehouden naar aanleiding van een onderzoek naar grootschalige phishing fraude, waarbij de daders zich in georganiseerd verband schuldig hebben gemaakt aan het plegen van oplichting, verduistering, diefstal door middel van valse sleutel en witwassen. Van de opbrengsten hieruit hebben zij geprofiteerd. [verdachte] maakte daarbij deel uit van de kern van de organisatie en heeft als ronselaar, inlogger en overschrijver van geldbedragen een onmisbare rol gehad.

De criminele organisatie waaraan [verdachte] heeft deelgenomen, had tot doel misdrijven te plegen die verband houden met phishing fraude. De bijdrage van [verdachte] aan de op grote schaal en in georganiseerd verband gepleegde misdrijven heeft het economisch systeem en het vertrouwen van de getroffen rekeninghouders in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Ook heeft de organisatie met de begane misdrijven voor banken en rekeninghouders schade veroorzaakt. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is, bestaat bovendien het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Aangenomen mag worden dat de organisatie erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij te laten weerhouden door deze gevolgen.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken daarvoor plegen op te leggen, waarbij de deelname aan een criminele organisatie, de bewezen verklaarde periode en de rol van [verdachte] het zwaartepunt zijn, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft bij de keuze voor de duur van de op te leggen gevangenisstraf ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals die uit het dossier en ter terechtzitting zijn gebleken. Hierin ziet de rechtbank geen strafmatigende omstandigheden. In het nadeel van [verdachte] weegt de rechtbank mee dat hij eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld in Nederland en België. Uit het strafblad van [verdachte] blijkt ook dat artikel 63 Sr van toepassing is. Omdat het in deze zaak echter gaat om veel omvangrijker onderzoek dan de eerdere veroordelingen, waarbij de deelname aan een criminele organisatie het zwaartepunt is, ziet de rechtbank hierin geen strafmatigende omstandigheid.

Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Op 29 november 2011 is [verdachte] in het kader van onderzoek 13Ostara aangehouden en in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Omdat het eindvonnis thans op 24 januari 2017 wordt gewezen en de rechtbank van zodanige bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op drie jaar en twee maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn van berechting resulteert er in dat de rechtbank de duur van de beoogde gevangenisstraf met twee maanden zal matigen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van 16 maanden.

De rechtbank zal, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, geen bevel tot gevangenneming verlenen, nu daarvoor geen gronden zijn.

8 Het beslag

Gedurende het onderzoek 13Ostara zijn tijdens een doorzoeking van de woning op het adres [adres] in [plaats] een contant geldbedrag van € 416,- (itemnummer 4188042) en papieren (itemnummer 4311519) in beslag genomen en onder de naam van [verdachte] geregistreerd. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden in welke kamer(s) deze itemnummers zijn aangetroffen. Wel staat vast dat het geldbedrag en de papieren aan [verdachte] en zijn familieleden toebehoren. Deze moeten daarom aan [verdachte] worden geretourneerd.

Tijdens de doorzoeking zijn ook verschillende sieraden (itemnummers 4187743, 4187744, 4187749, 4187768, 4187770 en 4187773) in beslag genomen en onder de naam van [verdachte] geregistreerd. Deze sieraden zijn in de slaapkamer van de moeder van [verdachte] aangetroffen en behoren aan haar toe. Ook de sieraden moeten daarom aan [verdachte] worden geretourneerd.

9 De vordering benadeelde partij

De benadeelde partij BCC heeft betaling van € 3.053,97 aan materiële schadevergoeding gevorderd, zijnde het schadebedrag dat is ontstaan door frauduleus gebruik van twee door Shell uitgegeven tankpassen ten name van BCC. De benadeelde partij heeft verzocht om bij toewijzing van de vordering het geleden schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

Omdat [verdachte] van het gebruik maken van twee valse betaalpassen, met gegevens van de tankpassen ten name van BCC, wordt vrijgesproken en aan hem dus ten aanzien van dit misdrijf – zonder toepassing van artikel 9a Sr – geen straf of maatregel wordt opgelegd, is BCC niet-ontvankelijk in haar vordering.

10 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 140, 232 en 234 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart bewezen dat [verdachte] de onder 1, onder 2 en onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit

- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit

- opzettelijk voorhanden hebben van een valse betaalpas, terwijl hij wist dat de pas was bestemd voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit

- voorwerpen voorhanden hebben, wetende dat zij bestemd zijn tot het plegen van een der in de artikelen 226, eerste lid onder 2-3, 231, eerste lid, en 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) maanden en beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de hiervoor onder 8. vermelde itemnummers aan verdachte.

Verklaart de benadeelde partij BCC Elektrospeciaalzaken B.V. niet-ontvankelijk in haar vordering.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. B. Vogel en T.T. Hylkema, rechters

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2017.

Bijlage 1

De volledige tekst van de tenlastelegging

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat hij

1. (hoofdzakelijk zaakdossier [naam 2] en zaakdossier 140 [naam 1]) in of omstreeks de periode van 11 februari 2011 tot en met 3 mei 2012 te Amsterdam en/of [plaats] en/of Noordwijk en/of Rotterdam en/of Lunteren en/of Eindhoven en/of Tilburg en/of Goirle en/of Den Haag en/of Haarlem en/of Duivendrecht en/of Grijpskerk en/of Almere en/of 's-Hertogenbosch en/of Nijmegen en/of Baarn en/of Rijswijk en/of Groningen en/of Oostzaan en/of Monster en/of Heerhugowaard en/of Gouda en/of Leeuwarden en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen (te weten [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 5] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 1] en/of één of meer andere personen), heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van één of meerdere (rechts)perso(o)n(en) (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of (gewoonte)witwassen van één of meer bedrag(en) (artikel 420ter/420bis Wetboek van Strafrecht) en/of verduistering gepleegd door postfunctionaris (artikel 273b Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

2. (hoofdzakelijk zaakdossier [naam 2]) op of omstreeks 1 december 2010 en/of 2 december 2010 en/of 29 november 2011 te [plaats] en/of Schiphol, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of voorhanden heeft gehad een of meer valse of vervalste betaalpas (sen) en/of waardekaart(en), te weten

- een tankpas uitgegeven door Shell ten name van elektronicazaak BBC gekoppeld aan een vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] , en/of

- een tankpas uitgegeven door Shell ten name van elektronicazaak BBC gekoppeld aan een vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] , en/of

- een creditcard ten name van [persoon 2] (rekeningnummer [rekeningnummer] ),

bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware die pas(sen) en/of kaartten) echt en onvervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die pas(sen) en/of kaartten) alle echtheidskenmerken (opdruk(ken) en/of logo('s) en/of (geëmbosseerde) kaartnummer(s) en/of kenteken(s) en/of rekeningnummers) ontbraken;

3. (hoofdzakelijk zaakdossier [naam 2]) op of omstreeks 29 november 2011 te [plaats] , in elk geval in Nederland opzettelijk skimapparatuur, te weten

- twintig, althans een of meer pas(sen) en/of magneetkaart(en) en/of

- een kaartlezer (Mini600),

althans samenstelsel(s) van elektronica en/of gegevens en/of stoffen en/of voorwerpen (met behulp waarvan betaalpassen en/of (waarde)kaarten die voorzien zijn van een magneetstrip uit kunnen worden gelezen en/of met behulp waarvan gegevens, voorkomende op betaalpassen en/of (waarde)kaarten kunnen worden opgeslagen), voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die samenstelsel(s) van elektronica, en/of gegevens en/of stoffen en/of voorwerpen bestemd was/waren tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, artikel 226 eerste lid onder 2-3 en artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf/misdrijven.