Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3882

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
02-06-2017
Zaaknummer
AMS 16/2970 E
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Belastingdienst/Toeslagen heeft pleegkinderen voor wie de ouder een pleegzorgvergoeding heeft ontvangen gediscrimineerd. De discriminatie bestaat er uit dat pleegkinderen, voor wie een pleegzorgvergoeding door de ouder werd ontvangen, vanaf hun 18de verjaardag worden aangemerkt als toeslagpartner van hun ouder als zij op hetzelfde adres staan ingeschreven. Pleegkinderen van wie de ouder de kosten voor de opvoeding van het pleegkind zelf betaalt (de ouder krijgt dan kinderbijslag in plaats van pleegzorgvergoeding), worden echter geen toeslagpartner van hun ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/2970

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: eerst [gemachtigde] , nu mr. L.N. Huizenga),

en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. N. Mhamdi en mr. K.S.M. Groeneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) vanaf 1 maart 2015 aangemerkt als toeslagpartner van eiseres.

Bij besluit van 21 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag en kindgebonden budget van eiseres voor het jaar 2015 herzien naar € 0,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

Bij tussenuitspraak van 16 augustus 2016 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak bij brief van 23 september 2016 een aanvullende motivering ingediend.

Eiseres heeft hierop bij brief van 16 oktober 2016 een schriftelijke zienswijze gegeven.

De zaak is voor verdere behandeling vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer. Bij brief van 6 januari 2017 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de brief zijn reactie aan te vullen.

Bij brief van 6 februari 2017 heeft verweerder een nadere reactie ingediend. Eiseres heeft hierop bij brief van 24 februari 2017 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op

9 maart 2017. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaak met nummer AMS 16/4167. Eiseres en [gemachtigde] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Huizenga. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1.1

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist

1.2

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) geen definitie bevat van het begrip pleegkind en ook geen specifieke voorwaarden stelt om als pleegkind aangemerkt te worden. Verweerder heeft niet duidelijk kunnen maken wat de juridische basis is van de door hem gestelde voorwaarde dat voldaan moet worden aan een onderhoudsverplichting om als pleegkind aangemerkt te worden. Voor zover door verweerder is beoogd aan te sluiten bij de fiscale jurisprudentie voor de uitleg van het begrip pleegkind verdient dit nadere motivering. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld zijn standpunt nader te motiveren en daarbij onder meer in te gaan op de vraag of het de bedoeling van de wetgever is geweest om voor de betekenis van het begrip pleegkind in de Awir aan te sluiten bij de betekenis van het begrip pleegkind in het fiscale recht.

Standpunten van partijen

2.1

Verweerder heeft – samengevat – de volgende nadere motivering gegeven. Voor de uitleg van het begrip pleegkind in de zin van de Awir moet aangesloten worden bij de fiscale jurisprudentie. Volgens de fiscale jurisprudentie is sprake van een pleegkind indien een kind door de belastingplichtige is onderhouden en opgevoed als een eigen kind. Een pleegkind wordt niet onderhouden als een eigen kind als er door de overheid een pleegzorgvergoeding wordt betaald aan de pleegouder. Omdat [gemachtigde] voor eiseres een pleegzorgvergoeding ontving, kan er dus geen sprake zijn van een pleegkind in de zin van de Awir. Dit betekent dat eiseres niet gelijk kan worden gesteld met een bloed- of aanverwant. De uitzondering voor kinderen tot 27 jaar geldt dus niet en eiseres dient vanaf haar 18e levensjaar als toeslagpartner van [gemachtigde] te worden aangemerkt.

2.2

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat het relevante verschil tussen eiseres en een meerderjarig eigen kind, de juridische status is. Volgens verweerder is mede vanwege dit verschil geen sprake van ongerechtvaardigd onderscheid tussen pleegkinderen voor wie een pleegzorgvergoeding is ontvangen aan de ene kant en eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen voor wie geen pleegzorgvergoeding is ontvangen aan de andere kant.

2.3

Verweerder heeft verder in zijn nadere motivering en tijdens de zitting op 9 maart 2017 zijn eerder in het verweerschrift ingenomen standpunt, dat artikel 1, derde lid, van de Wet op het kindgebonden budget in de weg staat aan toepassing van artikel 4, eerste lid, van de Awir ten aanzien van het partner- en kindbegrip, uitdrukkelijk verlaten.

2.4

Een overzicht van de stukken waarnaar verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verwezen, is opgenomen in bijlage 1. Bijlage 1 maakt deel uit van deze uitspraak.

3.1

Eiseres heeft in reactie op de nadere motivering van verweerder – samengevat – het volgende aangevoerd.

Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Awir een pleegkind tot het bereiken van de leeftijd van 27 jaar niet als partner kan worden aangemerkt. Voor de uitleg van het begrip pleegkind in de zin van de Awir moet aangesloten worden bij het sociale zekerheidsrecht. Eiseres verwijst hiervoor naar de Wet van 17 december 2009 tot wijziging van enkele sociale verzekeringswetten in verband met de gelijkstelling binnen de sociale zekerheid van voormalige pleeg- en stiefkinderen met eigen kinderen (Staatsblad 2009, 596). In die sociale zekerheidswetten is bepaald dat onder een bloedverwant in de eerste graad mede wordt verstaan een meerderjarig voormalig pleegkind. Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind voor wie een pleegzorgvergoeding op grond van de Wet op de jeugdzorg wordt of werd ontvangen of voor wie kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet werd ontvangen. Voor zover voor het begrip pleegkind aansluiting zou moeten worden gezocht bij de fiscale jurisprudentie stelt eiseres dat dit dan leidt tot een op basis van internationale verdragen niet te rechtvaardigen onderscheid. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir in dit geval ten onrechte is toegepast.

3.2

Een overzicht van de stukken waarnaar eiseres ter onderbouwing van haar standpunt heeft verwezen, is opgenomen in bijlage 2. Bijlage 2 maakt deel uit van deze uitspraak.

Toepasselijke regelgeving

4. De toepasselijke regelgeving is opgenomen in bijlage 3. Bijlage 3 maakt deel uit van deze uitspraak.

Het begrip pleegkind in de Awir

5. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het juist is dat verweerder [gemachtigde] vanaf 1 maart 2015 als toeslagpartner van eiseres heeft aangemerkt.

6. In dit verband is van belang of eiseres een beroep kan doen op de uitzondering die is opgenomen in artikel 3, vijfde lid, in samenhang met artikel 4, eerste lid, laatste volzin, van de Awir. Partijen zijn het erover eens dat die uitzondering inhoudt, kort gezegd, dat meerderjarige kinderen, stiefkinderen en pleegkinderen tot hun 27e levensjaar niet als toeslagpartner van de ouder worden aangemerkt.

7. Partijen verschillen van mening over de vraag aan de hand van welk criterium moet worden beoordeeld of een kind een pleegkind is in de zin van de Awir en of eiseres als pleegkind in de zin van de Awir is aan te merken.

8. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak reeds vastgesteld dat het begrip pleegkind niet in de Awir is gedefinieerd. De rechtbank is van oordeel dat voor het begrip pleegkind in de Awir aangesloten dient te worden bij de definitie van het begrip pleegkind in de jurisprudentie in belastingzaken. Redengevend hiervoor is dat de wetgever bij de invoering van de Awir en bij latere wijzigingen van die wet tot uitdrukking heeft gebracht voor begripsbepalingen zo veel mogelijk te willen aansluiten bij de belastingwetgeving, in het bijzonder de Wet inkomstenbelasting 2001. Zo zijn met de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 de partnerbegrippen voor de inkomstenbelasting en voor de Awir geharmoniseerd. Aangezien de begrippen partner en kind bovendien nauw met elkaar samenhangen, leidt de rechtbank uit de totstandkoming van de Awir af dat de wetgever heeft bedoeld voor de betekenis van het begrip pleegkind aansluiting te zoeken bij de definitie van dat begrip in de belastingwetgeving.

9. Volgens vaste rechtspraak in belastingzaken wordt een kind, dat de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, als pleegkind aangemerkt indien het wordt onderhouden en opgevoed als eigen kind (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2661, waarin de conclusie van de Advocaat-Generaal van 5 juli 2016 is gevolgd, ECLI:NL:PHR:2016:755). Met deze definitie is aangesloten bij het begrip pleegkind in de Algemene Kinderbijslagwet. Om aan de onderhoudseis te voldoen, moet het kind ten minste in zekere mate door de pleegouder financieel worden onderhouden. De kosten van onderhoud en opvoeding moeten in voldoende mate op de pleegouder drukken. Hiervan is geen sprake als de middelen waarmee het kind wordt onderhouden, worden verkregen van een derde.

10. Tijdens de tweede zitting heeft verweerder uiteengezet dat wanneer ten tijde van het 17e levensjaar van het pleegkind aan de onderhoudseis is voldaan, dat kind ook tijdens zijn meerderjarigheid (tot zijn 27e levensjaar) als pleegkind in de zin van de Awir is aan te merken. Wanneer ten tijde van het 17e levensjaar van het pleegkind niet aan de onderhoudseis is voldaan, is dat kind ook tijdens zijn meerderjarigheid (tot zijn 27e levensjaar) geen pleegkind in de zin van de Awir, aldus verweerder.

11. In de situatie van eiseres heeft [gemachtigde] tot in ieder geval het 18e levensjaar van eiseres van overheidswege een pleegzorgvergoeding ontvangen. De kosten van onderhoud en opvoeding, althans een belangrijk deel daarvan, zijn dus niet ten laste van [gemachtigde] maar ten laste van de overheid gekomen. In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de onderhoudseis.

12. Verweerder heeft zich overigens tijdens de tweede zitting op het standpunt gesteld dat niet is uitgesloten dat [gemachtigde] meer uitgaven voor onderhoud en opvoeding van eiseres tijdens haar minderjarigheid heeft gehad dan het bedrag aan pleegzorgvergoeding. Indien [gemachtigde] voldoende extra uitgaven heeft gedaan, kan volgens verweerder alsnog voldaan zijn aan de onderhoudseis. Dat is echter bij de besluitvorming niet onderzocht. Verweerder heeft tijdens de tweede zitting gesteld dat het bestreden besluit op dit punt niet zorgvuldig is voorbereid en dat hiernaar alsnog onderzoek zou moeten worden gedaan.

13. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag wat dit gebrek in het bestreden besluit betekent voor deze procedure. In beginsel is er bij een dergelijk gebrek aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen om verweerder in de gelegenheid te stellen dat gebrek te herstellen en alsnog het vereiste onderzoek te verrichten. Indien uit het nadere onderzoek naar voren zou komen, dat [gemachtigde] geen of onvoldoende extra uitgaven heeft gedaan om aan de onderhoudseis te voldoen, is eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als pleegkind in de zin van de Awir. In dat geval resteert echter nog een ander belangrijk geschilpunt tussen partijen, namelijk in hoeverre het verschil in behandeling in de Awir tussen meerderjarige eigen kinderen en meerderjarige pleegkinderen waarvoor een pleegzorgvergoeding is ontvangen als een geoorloofd onderscheid is aan te merken. Gelet op dit aan de rechtbank voorgelegde principiële geschilpunt zal dat met het oog op een zo veel mogelijk definitieve beslechting van het geschil hierna eerst worden beoordeeld.

Is sprake van ongerechtvaardigd onderscheid?

14. Een eigen meerderjarig kind of een meerderjarig stiefkind wordt tot zijn 27e levensjaar niet als toeslagpartner aangemerkt op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Awir. Voor een eigen kind of een stiefkind geldt bij de toepassing van die bepaling niet dat de ouders ten tijde van de minderjarigheid van het kind moeten hebben voldaan aan een onderhoudseis. Om als pleegkind in de zin van de Awir te worden aangemerkt, geldt die onderhoudseis wel. Wanneer een pleegzorgvergoeding is ontvangen, is (in beginsel) niet aan de onderhoudseis voldaan. Op deze manier maakt verweerder dus een onderscheid tussen enerzijds een inwonend, meerderjarig kind dat jonger is dan 27 jaar en voor wie tot zijn 18e levensjaar een pleegzorgvergoeding is ontvangen, en anderzijds een inwonend, meerderjarig eigen kind, stiefkind of pleegkind voor wie de ouder de kosten van onderhoud en opvoeding heeft gedragen en jonger is dan 27 jaar. De vraag die voorligt, is of dit door verweerder gemaakte onderscheid verenigbaar is met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het van het Protocol nr. 12 bij het EVRM (Twaalfde Protocol). Deze verdragsbepalingen verbieden ongelijke behandeling.

15. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een door de hiervoor genoemde verdragsbepalingen verboden ongelijke behandeling moet voorop worden gesteld dat dit discriminatieverbod niet meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt.

16. De rechtbank is van oordeel dat de positie van eiseres als meerderjarige in het gezin van [gemachtigde] in hoge mate vergelijkbaar is met die van een meerderjarig eigen kind in het gezin van een eigen ouder. Tussen een ouder en een eigen kind, stiefkind of pleegkind bestaat een ouder-kindrelatie met enerzijds een gezagscomponent en anderzijds een afhankelijkheidscomponent. Deze componenten veranderen niet wezenlijk op het moment dat een kind meerderjarig wordt. Niet in geschil is dat tussen [gemachtigde] en eiseres een dergelijke ouder-kindrelatie bestond ten tijde van eiseres’ minderjarigheid en dat deze ouder-kindrelatie niet wezenlijk is gewijzigd op het moment dat eiseres meerderjarig is geworden. Daarmee is de ouder-kindrelatie tussen [gemachtigde] en eiseres vergelijkbaar met de ouder-kindrelatie tussen een willekeurige andere ouder en een eigen kind.

17. Verweerder heeft er op gewezen dat er een verschil in juridische status is, omdat met het meerderjarig worden van het pleegkind de juridische relatie tussen pleegouder en pleegkind eindigt, terwijl die juridische relatie bij een eigen kind of stiefkind voortduurt. De rechtbank vindt dit verschil van onvoldoende betekenis om niet van vergelijkbare gevallen te kunnen spreken, nog daargelaten dat in het geval van eiseres de pleegzorgrelatie na het meerderjarig worden van eiseres gedurende het jaar 2015 is voortgezet middels verlenging van het pleegzorgcontract, zodat dit argument in het geval van eiseres niet opgaat. Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat er met betrekking tot de juridische relatie na het meerderjarig worden van een pleegkind geen verschil bestaat tussen pleegkinderen van wie de pleegouders zelf de kosten van onderhoud en opvoeding hebben gedragen en pleegkinderen van wie de pleegouders een pleegzorgvergoeding ontvingen, terwijl eerstgenoemde pleegkinderen wel als pleegkind in de zin van de Awir worden aangemerkt en laatstgenoemde pleegkinderen niet. Ook om deze reden kan het door verweerder genoemde verschil in juridische status in dit verband niet als relevant worden beschouwd.

18. Er is dus sprake van vergelijkbare gevallen. Vervolgens moet worden bekeken of het gemaakte onderscheid toelaatbaar is. Dat is slechts het geval wanneer het onderscheid kan worden gerechtvaardigd. Hierbij is van belang of met het onderscheid een legitiem doel wordt nagestreefd en of dat onderscheid een geschikt en proportioneel middel is om dat doel te bereiken. Voor het gemaakte onderscheid ontbreekt van de zijde van de wetgever een motivering die als rechtvaardiging zou kunnen dienen. Integendeel, de wetsgeschiedenis bevat geen enkel aanknopingspunt voor de vaststelling dat is bedoeld om voor het toeslagpartnerbegrip in de Awir meerderjarige kinderen jonger dan 27 jaar, voor wie een pleegzorgvergoeding is ontvangen, op een andere wijze te behandelen dan meerderjarige eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen voor wie geen pleegzorgvergoeding is ontvangen. Door de wetgever lijkt niet te zijn voorzien dat meerderjarige pleegkinderen voor wie een pleegzorgvergoeding is ontvangen op grond van de Awir als toeslagpartner zouden kunnen worden aangemerkt, terwijl de wetgever juist niet heeft gewild dat inwonende eigen kinderen, stiefkinderen en pleegkinderen voor hun 27e als toeslagpartner zouden worden aangemerkt.

Ook verweerder heeft geen argumenten gegeven ter rechtvaardiging van het onderscheid in behandeling tussen enerzijds eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen voor wie geen pleegzorgvergoeding is ontvangen en anderzijds pleegkinderen voor wie wel een pleegzorgvergoeding is ontvangen.

19. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat het gemaakte onderscheid in strijd is met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Twaalfde Protocol. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder met toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de Awir (in samenhang met artikel 4, eerste lid, laatste volzin, van de Awir) eiseres en [gemachtigde] vanaf 1 maart 2015 niet als toeslagpartners had mogen aanmerken.

20. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit niet hersteld. Nu eiseres en [gemachtigde] reeds op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ten onrechte als toeslagpartners zijn aangemerkt, komt de rechtbank aan hetgeen eiseres voor het overige heeft aangevoerd, niet toe.

Conclusie

21. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget van eiseres voor het jaar 2015 zullen opnieuw moeten worden berekend. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien omdat zij niet over alle gegevens beschikt om de cijfermatige berekening van de hoogte van die voorschotten uit te voeren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

22. Het eerder door eiseres gedane verzoek om schadevergoeding heeft zij tijdens de zitting op 9 maart 2017 ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank hier geen beslissing over neemt.

23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door mr. Huizenga beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 9 maart 2017 na de tussenuitspraak met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

25. Verder heeft verweerder toegezegd de reis- en verletkosten van eiseres en [gemachtigde] te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 122,20 (€ 10,96 aan reiskosten en € 111,24 aan verletkosten).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden en de reis- en verletkosten van € 122,20 aan [gemachtigde] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, voorzitter, en mr. M.A. Broekhuis en mr. N.J. Koene, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.A.V. van Kleef, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage 1

Parlementaire stukken

Kamerstukken II 2004/05, 29764, 3, p. 37 (MvT).

Kamerstukken II 2006/07, 30912, 3, p. 8-9 (MvT).

Kamerstukken II 2006/07, 31134, 3, p. 2 (MvT)

Kamerstukken II 2008/09, 31279, 9 (Kamerbrief).

Kamerstukken II 2015/16, 31066, 276 (Kamerbrief).

Aanhangsel Handelingen II 2012/13, 2098.

Aanhangsel Handelingen II 2015/16, 1933.

Rechtspraak

Uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 oktober 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG2729.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3435.

Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 september 2016 met zaaknummer UTR 15/6895 (niet gepubliceerd).

Bijlage 2

Parlementaire stukken

Kamerstukken II 1998/99, 26727, 3, p. 74 (MvT).

Kamerstukken II 2004/05, 29764, 3, p. 14 (MvT).

Kamerstukken II 2006/07, 30337, 20 (Kamerbrief).

Kamerstukken II 2008/09, 32037, 3, p. 17-19 (MvT).

Kamerstukken II 2008/09, 31700-XV, 54 (Kamerbrief).

Aanhangsel Handelingen II 2015/16, 1933.

Rechtspraak

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2052, met conclusie van Staatsraad A-G mr. L.A.D. Keus van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1217.

Conclusie van A-G mr. R.E.C.M. Niessen van 5 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:755.

Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:10371.

Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1295 en ECLI:NL:RBDHA:2017:1297.

Overige stukken

Factsheet ‘Overzicht financiële regelingen Pleegzorg’ van april 2015

Bijlage 3

Op grond van artikel 3, eerste lid, eerste volzin, van de Awir is partner van de belanghebbende degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e van de Awir wordt in aanvulling op het eerste lid voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven.

Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Awir wordt in afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het tweede lid niet als partner aangemerkt, een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belanghebbende, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Awir is kind de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en als ingezetene op hetzelfde woonadres als de belanghebbende is ingeschreven in de basisregistratie personen. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.

Op grond van artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Op grond van artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol moet het genot van elk in de wet neergelegd recht worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Op grond van artikel 1, tweede lid, van het Twaalfde Protocol mag niemand worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.