Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3821

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2017
Datum publicatie
01-06-2017
Zaaknummer
5538130\EA VERZ 16-1441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige getuigenverhoor toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2796
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5538130 \ EA VERZ 16-1441

beschikking van: 11 mei 2017

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

nader te noemen [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. M.J. Keuss,

t e g e n

de stichting Stichting Koninklijk Nederlands Geleidehondenfonds,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

nader te noemen KNGF,

gemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ingediend op 25 november 2016, met producties;

- het verweerschrift ingediend op 10 april 2017 met producties.

Het verzoek is ter terechtzitting behandeld op 13 april 2017. [verzoekster] is verschenen bij haar gemachtigde. Zelf is zij niet verschenen. KNGF is verschenen bij (oud) leden van de Raad van Toezicht (hierna: RvT) [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota’s doen bepleiten.

Beschikking is bepaald op heden.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Uitgangspunten

1. Tot uitgangspunt dient het volgende:

1.1.

[verzoekster] , thans 54 jaar oud, is op 1 augustus 2003 in dienst getreden van KNGF in de functie van titulair directeur.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2011 is [verzoekster] benoemd tot bestuurder/statutair directeur van KNGF.

1.3.

Op de functie van [verzoekster] is de Regeling beloning directeuren van goede doelen ten behoeve van besturen en raden van toezicht van 1 oktober 2015 (hierna: de Regeling) van toepassing.

1.4.

In de Regeling is een norm vastgelegd voor het maximaal te verdienen inkomen van de bestuurder. [verzoekster] zit op salarisniveau I. De bijbehorende norm van het totale jaarinkomen is per 1 januari 2015 € 124.233 bruto en per 1 januari 2016 € 129.559 bruto.

1.5.

In 2015 vierde KNGF haar 80ste verjaardag.

1.6.

In de vergadering van de RvT van 18 december 2015 is besloten [verzoekster] onder meer vanwege haar bijzondere prestaties in het jubileumjaar een bonus ter grootte van twee maandsalarissen (totaal € 18.500 bruto) toe te kennen. Daarnaast is besloten de besparing van KNGF als gevolg van de normering pensioenopbouw aan [verzoekster] ten goede te laten komen, hetgeen haar per e-mail van 5 januari 2016 is bericht.

1.7.

Vanaf april 2016 ontstond er tussen [verzoekster] en (leden van) de RvT discussie over de toelichting in het jaarverslag op het boven de norm genoten inkomen van [verzoekster] over 2015. Partijen hebben over en weer tekstvoorstellen gedaan.

1.8.

Op 26 mei 2016 heeft [naam 1] op een KPMG-receptie met [naam 5] (hierna: [naam 5] ) over [verzoekster] gesproken.

1.9.

Op 17 juni 2016 heeft een gesprek plaatsgehad tussen enerzijds [verzoekster] en anderzijds leden van de Raad van Toezicht ( [naam 2] , [naam 4] en [naam 6] ). In het verslag staat daarover, voor zover van belang vermeld:

“De door [verzoekster] ( [verzoekster] , ktr) aangegeven issues staan deels vermeld in een e-mail van [naam 6] ( [naam 6] , ktr) aan de voltallige RvT d.d. 10 juni 2016 (…) en houden deels ook in haar verwijt jegen [naam 1] ( [naam 1] , ktr) dat hij zich ten overstaan van derden onheus heeft uitgelaten over haar privé-situatie, waaronder over haar ziekte”.

1.10.

Bij e-mailbericht van 26 juni 2016 heeft [verzoekster] de RvT in reactie op een nieuw tekstvoorstel geschreven “Ik was hiervan niet op de hoogte en heb geen fiat gegeven. Ik houd mij, conform de nadrukkelijke wens van de RvT (ref. 2 juni en 17 juni jl.), aan de door de RvT goedgekeurde/vastgestelde tekst. Ik heb dat op 17 juni direct aan de betrokkenen gemeld met het verzoek de jaarrekening als zodanig af te ronden (…)”.

1.11.

In het jaarverslag over 2015 van 30 juni 2016 is in de specificatie bezoldiging directeur over 2015 een bedrag van € 178.100 opgenomen. In de toelichting staat vermeld:

“In 2015 wordt het genormeerde jaarinkomen gepasseerd, omdat die norm over de jaren 2013 t/m 2015 niet werd geïndexeerd, terwijl het werkelijke jaarinkomen wel is aangepast met een prijscompensatie (€ 3.700). Daarnaast is een structurele compensatie toegekend (€ 3.500) vanwege het aftoppen van de pensioenopbouw boven een jaarinkomen van € 100.000. In verband met de buitengewone prestatie en inzet van de directeur/bestuurder in het jubileumjaar 2015; het behalen van twee ISO-certificeringen als enige geleidehondenschool ter wereld en het realiseren van de eerste geleidenhondenbeleving ter wereld, is een éénmalige bijzondere beloning (€ 18.500) toegekend. Opname van alle vakantiedagen is vanwege onder andere het jubileum onmogelijk gebleken; een deel daarvan is uitbetaald”.

1.12.

Op 11 juli 2016 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld.

1.13.

Op 15 juli 2016 is over de beloning van [verzoekster] een artikel in De Volkskrant verschenen, waarin de hoogte is bekritiseerd, hetgeen door diverse media is overgenomen.

1.14.

Diezelfde dag heeft de RvT een bericht op de website van KNGF geplaatst waarin onder meer staat vermeld dat zij de negatieve publiciteit betreurt en toegeeft een verkeerde inschatting te hebben gemaakt om de beloning van haar directeur boven de geldende norm te laten uitkomen.

1.15.

Bij brief van 3 oktober 2016 heeft het MT de RvT geschreven dat terugkeer van de directeur ( [verzoekster] , ktr) niet tot de mogelijkheden behoort. De OR heeft op 4 oktober 2016 een brief van gelijke strekking aan de RvT gezonden.

1.16.

Bij brief van 3 november 2016 heeft [naam 6] namens de RvT geschreven dat besloten is het inkomen van [verzoekster] eenzijdig te wijzigen en is haar verzocht daarmee in te stemmen.

1.17.

Op 7 november 2016 is [verzoekster] door de RvT geschorst.

1.18.

Op 17 maart 2017 heeft KNGF [verzoekster] uit de functie van statutair directeur ontslagen. De arbeidsovereenkomst tussen KNGF en [verzoekster] is in stand gebleven.

Verzoek en verweer

2. Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe dat een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt gelast.

3. [verzoekster] stelt dat zij belang heeft bij het horen van de (oud)leden van de RvT teneinde ten eerste duidelijkheid te krijgen over de wijze waarop de besluitvorming over de toelichting in het jaarverslag 2015 ten aanzien van de bezoldiging van [verzoekster] (zie 1.11) tot stand is gekomen en te onderzoeken waarom zij in strijd met de Statuten en Reglementen ten aanzien van deze toelichting is ‘overruled’, hetgeen haar (reputatie)schade heeft berokkend. Ten tweede wenst zij te achterhalen op welke wijze [naam 1] en andere leden van de RvT, zoals [naam 4] tijdens een Business Pup Meeting op 30 maart 2017, zich over haar (tegenover derden) hebben uitgelaten en waarom de RvT haar klacht hierover niet heeft onderzocht. [verzoekster] wenst in dit verband ook [naam 5] onder ede te horen (zie 1.8), temeer nu haar schriftelijke verklaring door de RvT in twijfel wordt getrokken.

4. Ter nadere toelichting heeft [verzoekster] ter zitting naar voren gebracht dat zij met het oog op een mogelijk te entameren ontbindingsprocedure met nevenverzoeken (billijke vergoeding en transitievergoeding) wenst te onderzoeken of KNGF (ernstig) verwijtbaar jegens haar heeft gehandeld. Ook zal mogelijk in die procedure een verzoek tot schadevergoeding wegens (reputatie)schade worden ingediend. [verzoekster] benadrukt dat met de komst van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ), waarin het bewijsrecht geldt en hoger beroep is opengesteld, het recht op het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toegenomen. De grond om haar het voorlopige getuigenverhoor te ontzeggen ontbreekt volgens [verzoekster] . Onder punt 56 van haar verzoekschrift heeft zij de getuigen die zij wenst te horen opgesomd.

5. KNGF concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar verzoek, omdat zij niet duidelijk heeft gemaakt wat de aard en het beloop van de vordering is die zij na het voorlopig getuigenverhoor mogelijk zou willen instellen. KNGF verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2008 (ECLI:NL:HR:BC3354). Evenmin heeft [verzoekster] onvoldoende concreet gemaakt welke feiten opheldering behoeven en welke bewijzen nodig zijn. KNGF benadrukt dat uit vaste rechtspraak volgt dat als het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor erop gericht is om via verklaringen van getuigen de wijze van besluitvorming te achterhalen en te duiden en ‘feiten’ te verzamelen om te bezien of een procedure wordt gestart, dit gezien wordt als ‘fishing expedition’. Hiervoor is het voorlopige getuigenverhoor niet bedoeld.

6. Subsidiair, voor het geval [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek, bepleit KNGF dat het verzoek op één van de afwijzingsgronden afstuit. Hetgeen KNGF op dit punt heeft aangevoerd komt hierna bij de beoordeling aan de orde.

Beoordeling

7. Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, geldt ingevolge artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in samenhang gezien met het bepaalde in artikel 166 Rv, als hoofdregel dat, moet worden nagegaan of de in het verzoekschrift te stellen feiten of rechten die verzoeker wil bewijzen, gegeven de aard en het beloop van de rechtsvordering, relevant zijn. Een voorlopig getuigenverhoor strekt ertoe verzoeker de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de voor het eventueel aan te spannen geding van belang zijnde feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen. In beginsel heeft verzoeker recht op een voorlopig getuigenverhoor behoudens het bestaan van een afwijzingsgrond zoals misbruik van bevoegdheid, strijd met goede procesorde of ander zwaarwichtig bezwaar en geen procesbelang.

Niet-ontvankelijkheid

8. Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen. [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift en nader toegelicht ter zitting uiteen gezet dat haar primaire belang is te onderzoeken of KNGF (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld. Dit met het oog op een mogelijk te starten ontbindingsprocedure met het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding en transitievergoeding, als ook een schadevergoeding vanwege onder meer reputatieschade. Anders dan KNGF heeft betoogd, behoeft [verzoekster] zich over de omvang van de door haar gestelde schade nog niet uit te laten. In de procedure tot het houden van een voorlopige getuigenverhoor ligt immers de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering of het verzoek niet ter toetsing voor. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee voldoende concreet uiteengezet wat de aard en het beloop van de vordering is en is aan het vereiste van artikel 186 lid 3 onder a Rv voldaan.

9. Uit het verzoek en de nadere toelichting daarop (zie onder 4) blijkt dat het verhoor zich zal richten op de besluitvorming over de toelichting op de bezoldiging van [verzoekster] in het jaarverslag 2015 en de mogelijk grievende uitlatingen door de (oud)leden van de RvT, [naam 1] en [naam 4] , alsmede de wijze waarop de RvT daarmee is omgegaan. Dat getuigen op die twee punten kunnen verklaren over feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of KNGF jegens [verzoekster] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld is goed mogelijk. Van een zoektocht naar feiten, oftewel een ‘fishing expedition’ in de door KNGF bedoeld zin, is daarom geen sprake. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het voorgaande voldoende concreet welke rechten en feiten [verzoekster] wenst te bewijzen. Een verhoor hoe andere (oud)leden dan [naam 1] en [naam 4] zich grievend over haar zouden hebben uitgelaten, zal als te vaag en te onbepaald buiten beschouwing worden gelaten. Dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 187 lid 3 sub c Rv, omdat de woonplaatsen van de getuigen ontbreken, wordt gepasseerd, nu deze woonplaatsen bij KNGF bekend worden verondersteld.

Inhoudelijke beoordeling

10. Ook het subsidiaire verweer dat [verzoekster] geen procesbelang heeft kan, gezien hetgeen onder 8 is overwogen, niet slagen. KNGF heeft onder 4.11 van haar verzoekschrift aangevoerd dat de kans klein is dat [verzoekster] zelf ontbinding van haar arbeidsovereenkomst zal verzoeken. Dit is inmiddels door de nadere toelichting van [verzoekster] weerlegd.

11. Vervolgens is aan de orde de door KNGF ingeroepen afwijzingsgrond dat het verzoek op grond van misbruik van bevoegdheid moet worden afgewezen, omdat het doel van het voorlopig getuigenverhoor wordt overschreden. Dit is onder meer het geval als sprake is van ‘fishing expedition’. Reeds hiervoor onder 9 is overwogen dat in onderhavige zaak daarvan geen sprake is. Dat de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan KNGF te schaden, heeft zij in het licht van de mogelijk te starten ontbindingsprocedure door [verzoekster] met als grondslag (ernstig) verwijtbaar handelen van KNGF onvoldoende onderbouwd. De enkele grond dat het belang van [verzoekster] minder zwaar weegt dan dat van KNGF is onvoldoende.

12. Het enkele feit dat het horen van getuigen mogelijk relatief veel tijd en middelen in beslag zal nemen, is geen grond voor afwijzing van het verzoek, zodat van strijd met de goede procesorde of ander zwaarwichtig bezwaar geen sprake is.

13. Dit alles leidt tot de slotsom dat het verzoek van [verzoekster] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 Rv zal worden toegewezen als na te melden.

14. Het aantal van de door [verzoekster] genoemde getuigen dat zal worden gehoord zal in eerste instantie worden beperkt tot zes getuigen. Daarna zal de rechter, partijen gehoord hebbende, beoordelen of er aanleiding is de andere door [verzoekster] genoemde getuigen te horen. Voor het horen van de zes getuigen zullen twee dagdelen worden uitgetrokken.

15. KNGF heeft zich niet gerefereerd, maar verweer gevoerd waardoor de mondelinge behandeling nodig is gebleken. KNGF wordt daarom met de proceskosten van [verzoekster] belast met dien verstande dat dit zich beperkt tot het salaris van haar gemachtigde (één salarispunt). De kosten voor het griffierecht blijven voor rekening van [verzoekster] , nu dit bij een referte ook het geval zou zijn geweest.

BESLISSING

De kantonrechter:

beveelt een voorlopig getuigenverhoor met betrekking tot de volgende onderwerpen:

a. de wijze waarop de besluitvorming over de toelichting in het jaarverslag 2015 ten aanzien van de bezoldiging van [verzoekster] (zie 1.11) tot stand is gekomen;

b. de wijze waarop (oud)leden van de RvT, [naam 1] op een KPMG-meeting van 26 mei 2016 en [naam 4] tijdens een Business Pup Meeting op 30 maart 2017, zich over [verzoekster] (tegenover derden) hebben uitgelaten en de wijze waarop de RvT hiermee is omgegaan;

bepaalt dat in eerste instantie niet meer dan zes getuigen zullen worden gehoord;

bepaalt dat [verzoekster] binnen vier weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de griffie van de afdeling verzoekschriften onder vermelding van het zaaknummer EA VERZ 16-1441 de namen van de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met augustus 2017 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald:

bepaalt dat het getuigenverhoor plaats zal vinden in het tijdelijke gerechtsgebouw aan de Frederik Roeskestraat te Amsterdam, waarbij partijen voor meer informatie als routebeschrijving en parkeermogelijkheden worden verwezen naar rechtspraak.nl;

bepaalt dat [verzoekster] uiterlijk op 24 mei 2017 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan KNGF moet doen toekomen;

veroordeelt KNGF in de proceskosten die aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot worden op € 400,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt KNGF tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en KNGF niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gewezen door mr. I.H.J. Konings, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.